Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0085

Datum uitspraak2007-10-23
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/13096
Statusgepubliceerd


Indicatie

Mvv-aanvraag / gevaar voor de openbare orde / verstrekken onjuiste gegevens / pardonregeling / inherente afwijkingsbevoegdheid
Verweerder heeft de mvv-aanvraag afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. Eiseres heeft in haar asielprocedure een onjuiste geboortedatum opgegeven. Verweerder heeft vervolgens aangifte gedaan wegens oplichting, waarvoor zij uiteindelijk is veroordeeld tot 60 uren werkstraf. Dit is een uitzonderlijke situatie. De rechtbank stelt voorts vast dat de discussie omtrent het zogenoemde generaal pardon inmiddels is uitgekristalliseerd en dat het beleid van de Staatssecretaris van Justitie is dat het eenmalig hebben verstrekt van onjuiste gegevens niet aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze procedure beter moeten motiveren waarom in dit specifieke geval het tegenwerpen van de strafrechtelijke veroordeling, die ontegenzeggelijk het rechtstreekse gevolg is geweest van het verstrekken van een onjuiste geboortedatum, zo opportuun is. Dit klemt temeer nu de discussie over de voorwaarden waaraan een vreemdeling zou moeten voldoen om voor een verblijfsvergunning op grond van het generaal pardon in aanmerking te komen volop in gang was en dat vreemdelingen die mogelijk onder deze regeling vielen niet gedwongen werden uitgezet. De stelling van verweerder ter zitting dat hetgeen in deze procedure is aangevoerd met betrekking tot het generaal pardon in deze zaak geen rol kan spelen, omdat in onderhavige zaak niet de Staatsecretaris van Justitie maar de Minister van Buitenlandse Zaken verweerder is, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat inderdaad het Ministerie van Buitenlandse zaken in onderhavige procedure verweerder is, maar dat de discussie ook niet gaat om het al dan niet hebben moeten verlenen van een zogenoemde pardonvergunning, maar over de vraag of verweerder, gelet op de door eiseres als bijzondere omstandigheden genoemde voorwaarden van de pardonregeling, gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit specifieke geval geen aanleiding bestond om met gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb eiseres alsnog in het bezit te stellen van de door haar gevraagde mvv.


Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Zitting houdende te Assen Sector Bestuursrecht Kenmerk: AWB 07/13096 MVV S6 uitspraak: 23 oktober 2007 inzake: [...], geboren op [...], verblijvende te [...], van [...], IND dossiernummer: 0003.30.8032, V-nummer: 070.203.7297, eiseres, gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Dronten, tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, (Visadienst) verweerder, gemachtigde: mr. H.P. Kallenbach, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Procesverloop Op 22 september 2006 heeft eiseres bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Shanghai een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend in het kader van gezinsvorming met haar Nederlandse echtgenoot, [...] Bij beschikking van 2 januari 2007, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Bij brief van 8 januari 2007 is namens eiseres bezwaar gemaakt tegen deze beschikking. Bij beschikking van 1 maart 2007, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 9 maart 2007, bij het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken te Haarlem ontvangen op 23 maart 2007, is namens eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden en haar in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 september 2007. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar echtgenoot. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Motivering Standpunten van partijen Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat eiseres een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat zij op 26 mei 2005 door de Politierechter te Zwolle is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, wegens het plegen van het misdrijf oplichting. Verweerder heeft daarbij verwezen naar artikel 3.77, eerste lid, onder c, van het Vreemdelingbesluit 2000 en het terzake gevoerde beleid als neergelegd in hoofdstuk B1/2.2.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Voorts heeft verweerder overwogen dat hetgeen door eiseres is aangedragen niet dermate bijzondere omstandigheden zijn dat verweerder gebruik zou moeten maken van de inherente afwijkingsbevoegd als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast heeft verweerder overwogen dat het besluit geen inmenging betekent in het recht op eerbiediging van het gezinsleven en dat evenmin sprake is van een positieve verplichting op grond waarvan eiseres verblijf in Nederland zou moeten worden toegestaan. Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat haar ten onrechte de gevraagde mvv is geweigerd. Namens eiseres is aangevoerd dat zij haar werkstraf heeft uitgevoerd en dat zij slechts is veroordeeld voor een licht vergrijp. Bovendien heeft zij recht op eerbiediging van het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is namens eiseres nog aangevoerd dat indien zij in Nederland was gebleven, zij nu een verblijfsvergunning zou hebben gekregen op grond van het zogenoemde generaal pardon en dat haar in dat geval de veroordeling tot 60 uren werkstraf niet zou zijn tegengeworpen. Naar de mening van eiseres heeft verweerder ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Beoordeling van het beroep Ingevolge het bepaalde in B1/1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op verlening van een verblijfsvergunning in Nederland. Ingevolge artikel 16, eerste lid, en onder d, Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Ingevolge artikel 3.77, eerste lid en onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete dan wel indien hij terzake een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard. Niet in geschil is dat eiseres is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren en dat deze omstandigheid op zichzelf genomen voldoende kan zijn om de aanvraag tot afgifte van een mvv af te wijzen. Gelet op de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of verweerder in het onderhavige geval gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aangaande zijn inherente afwijkingsbevoegdheid (enkel) geconcludeerd dat de namens eiseres in casu aangevoerde bijzondere omstandigheden niet opwegen tegen het belang van de overheid bij de handhaving van de openbare orde en niet zwaarwegend genoeg zijn om gebruik te maken van artikel 4:84 Awb zonder daarbij inhoudelijk in te gaan op die omstandigheden, zodanig dat de te maken belangenafweging inzichtelijk is. De rechtbank stelt vast dat de veroordeling van eiseres gelieerd is aan haar asielprocedure, omdat zij in die procedure onjuiste gegevens heeft opgegeven ten aanzien van haar leeftijd. Hiervoor is eiseres veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren welke straf zij – onbetwist – naar behoren heeft uitgevoerd. De rechtbank meent voorts te moeten opmerken dat, ondanks dat de rechtbank op de hoogte is van het feit dat het vaker voorkomt dat vreemdelingen in hun (asiel)procedure onjuiste gegegevens verstrekken, de situatie waarin een vreemdeling voor het verstrekken van onjuiste gegevens wordt vervolgd en zelfs wordt veroordeeld, zoals in het onderhavige geval, zeer uitzonderlijk te noemen is. De rechtbank stelt voorts vast dat de discussie omtrent het zogenoemde generaal pardon inmiddels is uitgekristalliseerd en dat het beleid van de Staatssecretaris van Justitie is dat het eenmalig hebben verstrekt van onjuiste gegevens niet aan vergunningverlening in de weg staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in deze procedure beter moeten motiveren waarom in dit specifieke geval het tegenwerpen van de strafrechtelijke veroordeling, die ontegenzeggelijk het rechtstreekse gevolg is geweest van het verstrekken van een onjuiste geboortedatum, zo opportuun is. Dit klemt temeer nu de discussie over de voorwaarden waaraan een vreemdeling zou moeten voldoen om voor een verblijfsvergunning op grond van het generaal pardon in aanmerking te komen volop in gang was en dat vreemdelingen die mogelijk onder deze regeling vielen niet gedwongen werden uitgezet. De stelling van verweerder ter zitting dat hetgeen in deze procedure is aangevoerd met betrekking tot het generaal pardon in deze zaak geen rol kan spelen, omdat in onderhavige zaak niet de Staatsecretaris van Justitie maar de Minister van Buitenlandse Zaken verweerder is, volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe dat inderdaad het Ministerie van Buitenlandse zaken in onderhavige procedure verweerder is, maar dat de discussie ook niet gaat om het al dan niet hebben moeten verlenen van een zogenoemde pardonvergunning, maar over de vraag of verweerder, gelet op de door eiseres als bijzondere omstandigheden genoemde voorwaarden van de pardonregeling, gebruik had moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit specifieke geval geen aanleiding bestond om met gebruikmaking van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb eiseres alsnog in het bezit te stellen van de door haar gevraagde mvv. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bestreden besluit eveneens niet in stand kan blijven nu verweerder in het bestreden besluit in zijn geheel niet is ingegaan op hetgeen namens eiseres in bezwaar is aangevoerd met betrekking tot haar eventuele recht op een zogenoemde pardonvergunning. Gelet op het vorenstaande komt de bestreden beschikking wegens zowel een zorgvuldigheidsgebrek als een motiveringsgebrek voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen namens eiseres is aangevoerd ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM behoeft derhalve geen bespreking. Het beroep is derhalve gegrond. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 143,00 aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet voldoen. Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. In gevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. Hofstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2007 in tegenwoordigheid van A.P. Kuiters als griffier. Afschrift verzonden: