Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0083

Datum uitspraak2007-10-22
Datum gepubliceerd2007-12-20
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAssen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/38420
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / voortvarendheid / uitzettingshandelingen
Verweerder heeft in afwachting van de start van de AC-procedure in het geheel geen onderzoek naar eisers herkomst verricht noch naar de mogelijkheden van gedwongen uitzetting van eiser, terwijl eiser pas op 22 oktober wordt opgenomen in de AC-procedure, drie weken na aanvang van de vreemdelingenbewaring. Gedurende de eerste drie weken van eisers vreemdelingenbewaring is er dus geen enkele uitzettingshandeling verricht. Verweerder had eerder onderzoek kunnen en moeten instellen naar de mogelijkheden om eiser gedwongen uit te zetten. Het starten van de asielprocedure stond daaraan niet in de weg. Vorenstaande klemt temeer nu eiser stelt afkomstig te zijn uit Centraal-Irak, een land waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt en waarnaar niet gedwongen wordt uitgezet. Verweerder had hiernaar eerder een onderzoek moeten op starten, binnen de eerste week dat eiser in bewaring is gesteld.


Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Assen Sector Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/38420 VRONTN S4 Uitspraak van 22 oktober 2007 op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: [...], geboren [...], van [...], IND-dossiernummer: 0710.03.0751, V-nummer: 271.801.5450, thans verblijvende in [...], eiser, gemachtigde: mr. A.J. van der Werff-Dost, advocaat te Arnhem, tegen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: A.J. Lange, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Procesverloop Bij besluit van 2 oktober 2007 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld. Eiser heeft op 9 oktober 2007 beroep ingesteld tegen dit besluit waarbij is verzocht om opheffing van de bewaring onder toekenning van schadevergoeding. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 18 oktober 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig een tolk in de Arabische taal. Motivering Eiser is op 2 oktober 2007 op grond van artikel 9 van de overeenkomst met Duitsland, inzake overnemen van personen, overgenomen van de Duitse autoriteiten nadat hij aldaar was staande gehouden omdat hij zonder enig grensoverschrijdingdocument reisde. Vervolgens is eiser aansluitend opgehouden en diezelfde dag in vreemdelingenbewaring gesteld. Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. De rechtbank stelt vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel berust aldus op de juiste grondslag. Verweerder heeft aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000, terwijl eiser voorts geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Tevens is aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser zich niet heeft gemeld bij de korpschef en dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan om in zijn levensonderhoud te voorzien en / of zijn terugreis te kunnen bekostigen. Deze gronden zijn door eiser niet betwist. Namens eiser is gesteld dat hem net als elke asielzoeker de gelegenheid moet worden geboden om de beslissing op zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten. Verweerder heeft daartegen ingebracht dat er geen sprake is van een gewone situatie, nu eiser bij aankomst in Nederland geen asiel heeft gevraagd maar direct heeft geprobeerd door te reizen naar Zweden. Pas nadat eiser door de Duitse autoriteiten aan Nederland is overgedragen heeft hij een asielaanvraag gedaan. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog. Gelet op het feit dat eiser zich bij binnenkomst in Nederland niet heeft gemeld en geen asiel heeft gevraagd en gelet op zijn uitdrukkelijke verklaring dat hij elders asiel wilde aanvragen heeft verweerder kunnen oordelen dat er sprake is van onttrekkingsgevaar en dat er reden is eiser in vreemdelingenbewaring te stellen. Voorts is namens eiser gesteld dat verweerder nog geen enkele actie heeft ondernomen met betrekking tot zijn asielaanvraag en met betrekking tot het onderzoek naar de herkomst van eiser en mogelijkheden tot uitzetting van eiser. Ook categoriewijziging heeft nog niet plaatsgevonden. Eiser is na het gehoor dat plaats vond voor de in bewaring stelling niet meer gehoord noch heeft enig ander onderzoek naar eisers herkomst plaats gevonden, terwijl eiser al bijna drie weken in bewaring zit. Dit is met name van belang nu eiser heeft aangegeven uit Centraal-Irak afkomstig te zijn, indien eiser daar inderdaad vandaan komt is er geen zicht op uitzetting. Deze vraag komt in de normale asielprocedure veel eerder aan de orde namelijk direct bij het eerste gehoor, door in het geval van eiser de AC-procedure toe te passen vindt dit eerste gehoor veel later plaats. Ten onrechte duurt het nu drie weken voor deze vraag voor de eerste maal door verweerder wordt getoetst. Verweerder heeft gesteld dat eiser te kennen heeft gegeven asiel te willen vragen. Verweerder heeft per 1 september 2007 zijn werkwijze gewijzigd in die zin dat vreemdelingen, die in bewaring worden gesteld en aangeven asiel te willen vragen, in de AC-procedure te Schiphol worden opgenomen. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat het enige tijd kan duren voor de asielaanvraag daadwerkelijk wordt ingenomen, anderzijds als voordeel dat vervolgens binnen hele korte tijd een beslissing op de asielaanvraag wordt genomen en dat ook de termijnen waarbinnen een eventueel beroep op de rechtbank wordt behandeld kort zijn. Verweerder zal als uitgangspunt voor de aanvang van de termijn als bedoeld in artikel 59, vierde lid de datum nemen waarop eiser heeft aangegeven asiel te willen vragen. Op maandag 22 oktober wordt eiser in de AC-procedure opgenomen, wordt zijn asielaanvraag ingenomen en wordt er binnen de 48-uursprocedure een beslissing genomen op zijn asielaanvraag. Een eerdere opname in de AC-procedure was om administratieve redenen en mede vanwege de zitting waarop eisers eerste beroep inzake de vreemdelingenbewaring werd behandeld, niet mogelijk. De rechtbank overweegt als volgt. Een maatregel tot in bewaringstelling is slechts geoorloofd met het oog op uitzetting en is onrechtmatig indien verweerder na in bewaringstelling geen uitzettingshandelingen verricht dan wel ten aanzien van de uitzetting onvoldoende voortvarendheid betracht. Hieronder valt tevens te begrijpen onderzoek naar de vraag of gedwongen uitzetting naar het land van herkomst in beginsel mogelijk is. Dit geldt ook indien de vreemdeling asiel heeft gevraagd, zij het dat verweerders handelingen in dat geval beperkt dienen te blijven tot onderzoek en handelingen waarbij geen contact wordt opgenomen met de autoriteiten van het land van herkomst. Verweerder heeft in afwachting van de start van de AC-procedure in het geheel geen onderzoek naar eisers herkomst verricht noch naar de mogelijkheden van gedwongen uitzetting van eiser, terwijl eiser pas op 22 oktober wordt opgenomen in de AC-procedure, drie weken na aanvang van de vreemdelingenbewaring. Gedurende de eerste drie weken van eisers vreemdelingenbewaring is er dus geen enkele uitzettingshandeling verricht. Verweerder had eerder onderzoek kunnen en moeten instellen naar de mogelijkheden om eiser gedwongen uit te zetten. Het starten van de asielprocedure stond daaraan niet in de weg. Vorenstaande klemt temeer nu eiser stelt afkomstig te zijn uit Centraal-Irak, een land waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt en waarnaar niet gedwongen wordt uitgezet. Verweerder had hiernaar eerder een onderzoek moeten op starten, binnen de eerste week dat eiser in bewaring is gesteld. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 Vw 2000 onrechtmatig is geworden met ingang van 9 oktober 2007. Op grond van het bepaalde in artikel 106, Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om eiser ten laste van de Staat een schadevergoeding van €70,-- per dag toe te kennen voor de 13 dagen die hij vanaf 9 oktober 2007 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van €910,= zal worden toegekend. Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van €644,= onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden. - kent aan de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van €910,=. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 95 Vw 2000 hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, Vw 2000 één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van A.P. Kuiters, griffier. griffier. rechter. Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2007 Afschrift verzonden op: De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuit¬voerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van €910,= . Aldus gedaan op 25 oktober 2007 door mr. B.I. Klaassens, fungerend voorzitter.