Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0043

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/925274-07 (dagvaarding I) en 09/665355-07 (ttz.gev., dagvaarding II)
Statusgepubliceerd


Indicatie

In deze zaak is tussenvonnis geweest op 10 okotber 2007 (LJN BB5346). 1. Verdachte wordt er van verdacht dat hij het slachtoffer op het Spui te 's-Gravenhage een stomp in het gezicht heeft gegeven, tengevolge waarvan die slachtoffer is overleden. 2. Verdachte heeft tijdens zijn werk als vuilnisman na onenigheid met één van zijn collega's die collega mishandeld door hem meerdere malen te slaan en door hem in zijn vinger te bijten, waardoor deze een ernstige bijtwond heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte een vriend van hem en een persoon op zijn sportschool zonder noemenswaardige aanleiding bedreigd met de dood. Tevens heeft verdachte een agent, die in een volle stationshal per ongeluk tegen de voet van verdachte stootte, mishandeld. Verdachte heeft ook de agent die hij heeft mishandeld, nadat hij door de agent was aangehouden, beledigd. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van minachting voor de persoon en functie van betrokkene. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte eerder ook veelvuldig wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. Uit deze veroordelingen heeft hij kennelijk geen lering getrokken. De rechtbank realiseert zich dat verdachte enkel wordt veroordeeld voor de minder zware feiten op de dagvaarding en dat verdachte wordt vrijgesproken van het ernstigste feit op de dagvaarding (de (poging tot) doodslag op het slachtoffer, maar gelet op de conclusies van de deskundigen en het gewelddadige verleden van verdachte, is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat een behandeling van verdachte noodzakelijk is ter bescherming van de samenleving en dat er niet met een lichtere sanctie kan worden volstaan dan de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging. Bij dagvaarding I feit 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, en feit 3: Vrijspraak. Bij dagvaarding I, feiten 2, 5 en 6 : Gevangenisstraf van 258 dagen met aftrek. Bij dagvaarding I feit 4 en dagvaarding II: Terbeschikkingstelling van verdachte, beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) Parketnummers 09/925274-07 (dagvaarding I) en 09/665355-07 (ttz.gev., dagvaarding II) [geboorteplaats], 12 december 2007 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1980, adres: [adres], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Haaglanden', Penitentiair Complex Scheveningen, Unit 4 (BIBA en BGG) te 's-Gravenhage. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 juni 2007 en 26 september 2007 en, na heropening van het onderzoek bij tussenvonnis van 10 oktober 2007, ter terechtzitting van 28 november 2007. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr G.D. Haytink, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr W.N. Ferdinandusse heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding met het parketnummer 09/925274-07 (hierna: dagvaarding I) onder 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding I onder 4 en het bij dagvaarding met het parketnummer 09/665355-07 (hierna: dagvaarding II) zal worden ter beschikking gesteld en dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd ex artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding I onder 2, 3, 5 en 6 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte. De telastlegging. Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding I onder 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, en onder 3. is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. T.a.v. dagvaarding I onder feit 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair Verdachte wordt er van verdacht dat hij het slachtoffer [slachtoffer] - kort gezegd - op het Spui te 's-Gravenhage een stomp in het gezicht heeft gegeven, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden. De enige verklaring in het dossier, waaruit de betrokkenheid van verdachte zou kunnen blijken, is de verklaring van getuige [getuige 1]. Hij heeft - kort gezegd - verklaard dat hij een man, die hij kent als [verdachte] op de Ammunitiehaven zag lopen. Toen hij vijf minuten later op het Spui liep, zag hij een man voor een bloemenwinkel liggen. Hij hoorde van mensen dat zij een [...] man hadden gezien met een blauwe trui en een grijze broek, die de man zou hebben geslagen. De getuige heeft vervolgens tegen de politie verteld dat hij zojuist een man met een dergelijk signalement had gezien, die hij kent onder de naam [verdachte]. Nu deze verklaring niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte betrokken is geweest bij bovengenoemd incident. De rechtbank merkt nog ten overvloede op dat verdachte na zijn aanhouding met diverse getuigen die ter plaatse de dader hebben gezien, is geconfronteerd. Geen van de getuigen heeft verdachte bij deze confrontaties herkend. Gelet op het vorenstaande dient de verdachte voor het bij dagvaarding I onder 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair vrijgesproken te worden. T.a.v. dagvaarding I onder 3. De rechtbank acht dit feit niet wettig en overtuigend bewezen, nu er als bewijs met betrekking tot dit feit slechts de verklaring van aangever in het dossier aanwezig is. De rechtbank is van oordeel dat de medische verklaring in het dossier met betrekking tot aangever niet als bewijs kan worden gebruikt. Volgens de aangifte zou aangever, nadat hij door verdachte zou zijn geslagen (het telastgelegde feit), even later in een vechtpartij zijn geraakt met verdachte. Uit de medische verklaring blijkt onvoldoende bij welk incident aangever het letsel heeft opgelopen, waardoor de aangifte van aangever niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. De rechtbank zal derhalve de verdachte vrijspreken voor het bij dagvaarding onder 3. telastgelegde feit. Bewijsverweer ten aanzien van feit 6 op dagvaarding I. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak voor feit 6 op dagvaarding I bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het feit niet bewezen kan worden, aangezien er in het proces-verbaal van de verbalisant niet staat aangegeven dat de verbalisant in functie was toen hij werd beledigd. Derhalve kon haar cliënt ook niet een ambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening hebben beledigd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] blijkt dat de verbalisant zich had gelegitimeerd als zijnde opsporingsambtenaar en vervolgens verdachte had aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. Nadat verdachte werd aangehouden heeft verdachte de verbalisant beledigd met de woorden 'Kankerwout, nazi'. Gelet op voorgaande gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat de verbalisant, nadat hij zich had gelegitimeerd, in functie was en dat de belediging derhalve gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was geschied. Bewijsverweer ten aanzien dagvaarding II. De raadsvrouw heeft bepleit dat haar cliënt voor het feit op dagvaarding II dient te worden vrijgesproken. Naar haar oordeel zijn de verklaringen van aangever [aangever 1] en van de getuige [getuige 2] ongeloofwaardig, omdat deze twee verklaringen tegenstrijdig zijn. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. De rechtbank ziet in het dossier geen grond om te oordelen dat de verklaringen van aangever [aangever 1] en van de getuige [getuige 2] onbetrouwbaar zijn. Weliswaar zijn er discrepanties in hun verklaringen aan te wijzen, maar deze zijn niet van dien aard dat hun verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden geacht. De aangever en getuige verklaren in ieder geval wel in overeenstemming met elkaar dat verdachte de telastgelegde verbale bedreiging heeft geuit richting aangever. De rechtbank verwijst met name naar de tweede verklaring van de getuige [getuige 2] op blz. 424 van het proces-verbaal. De rechtbank acht wel onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig dat verdachte de telastgelegde handelingen met zijn tas heeft verricht, aangezien alleen de aangever daarover heeft verklaard en dit niet wordt ondersteund door enig ander bewijs. De rechtbank zal verdachte voor dat onderdeel van de telastlegging vrijspreken. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 4. op dagvaarding I De rechtbank is van oordeel dat er met betrekking tot de telastgelegde verbale bedreiging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is, nu slechts de aangever heeft verklaard over deze verbale bedreiging en deze verklaring niet wordt gesteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met een mes stekende beweging in de richting van aangever heeft gemaakt, nu behalve aangever ook getuige [getuige 3] (blz. 314) heeft verklaard dat verdachte een mes bij zich had. De bewijsmiddelen. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op dagvaarding I onder 2., 4., 5, 6 en op dagvaarding II telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Beroep op noodweer / noodweerexces ten aanzien van feit 2 op dagvaarding I. De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 2 op dagvaarding I een beroep op noodweer / noodweerexces gedaan. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat aangever [aangever 2] eerst een klap aan zijn cliënt gaf, waarna haar cliënt zich is gaan verweren. De rechtbank overweegt daarbij het navolgende. Op basis van de consistente verklaringen van aangever [aangever 2] en de verklaring van getuige [getuige 4] staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte degene was die de eerste klap heeft gegeven aan aangever [aangever 2]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die is gericht tegen eigen lijf. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer en noodweerexces. Beroep op noodweer / noodweerexces ten aanzien van feit 4 op dagvaarding I. De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 4 op dagvaarding I een beroep op noodweer / noodweerexces gedaan. Volgens de raadvrouw werd haar cliënt opgewacht door aangever en zijn vrienden en zijn zij begonnen met slaan en schoppen. Haar cliënt heeft zich daar op verweerd. De rechtbank overweegt daarbij het navolgende. Uit de verklaring van aangever [aangever 3] en uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat verdachte, toen hij aangever zag, zonder enige aanleiding een mes tevoorschijn haalde en stekende bewegingen maakte in de richting van aangever [aangever 3]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich noodzakelijk moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die is gericht tegen eigen lijf. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op noodweer en noodweerexces. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft tijdens zijn werk als vuilnisman na onenigheid met één van zijn collega's die collega mishandeld door hem meerdere malen te slaan en door hem in zijn vinger te bijten, waardoor deze een ernstige bijtwond heeft opgelopen. Voorts heeft verdachte een vriend van hem en een persoon op zijn sportschool zonder noemenswaardige aanleiding bedreigd met de dood. Tevens heeft verdachte een agent, die in een volle stationshal per ongeluk tegen de voet van verdachte stootte, mishandeld. Feiten als onderhavige dragen bij aan gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust en hebben in het algemeen tot gevolg dat bij het slachtoffer vrees kan ontstaan voor een ernstige inbreuk op de persoonlijke veiligheid of levenssfeer. Verdachte heeft ook de agent die hij heeft mishandeld, nadat hij door de agent was aangehouden, beledigd. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van minachting voor de persoon en functie van betrokkene. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie op naam van verdachte d.d. 30 maart 2007. Hieruit blijkt dat verdachte eerder ook veelvuldig wegens soortgelijke feiten is veroordeeld. Uit deze veroordelingen heeft hij kennelijk geen lering getrokken. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de pro justititia rapporten van de psychiater dr. B.A. Blansjaar, d.d. 19 augustus 2007, en van de psycholoog drs. M.H. de Groot, d.d. 14 september 2007. De deskundige dr. Blansjaar concludeert dat er bij verdachte waarschijnlijk sprake is van zowel een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van chronisch recidiverende schizofrene psychosen met restverschijnselen en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Aangezien verdachte waarschijnlijk psychotische ziekteverschijnselen dissimuleert blijft onduidelijk in hoeverre ten tijde van het telastgelegde sprake was van psychotische ziekteverschijnselen. Naar het oordeel van de rapporteur is verdachte verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Gelet op de bevindingen van het onderzoek en de voorgeschiedenis van verdachte, is volgens de rapporteur de kans op herhaling van het plegen van ernstige strafbare feiten zodanig verhoogd dat een maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging wordt geadviseerd ter bescherming van de veiligheid van anderen. De deskundige drs. De Groot concludeert dat er bij verdachte sprake is van ernstige psychiatrische problematiek, zeer waarschijnlijk schizofrenie van het paranoïde type. Ook ten tijde van het plegen van het telastgelegde was er sprake van ernstige psychiatrische problematiek, zeer waarschijnlijk schizofrenie van het paranoïde type met daarnaast antisociaal gedrag. Verdachte wordt door de deskundige als minimaal verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Voorts geeft de deskundige aan dat zonder adequate behandeling de kans op recidive als groot wordt ingeschat. Absoluut nodig is dat verdachte behandeld wordt vanwege zijn psychiatrische problematiek en heeft hij antipsychotische medicatie nodig om zijn psychische problemen te verminderen. Geadviseerd wordt om deze behandeling plaats te laten vinden door de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Aangezien de rechtbank bij nadere bestudering van bovengenoemde rapportages zich onvoldoende ingelicht achtte omtrent de persoon van verdachte, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 oktober 2007 het onderzoek heropend en beide deskundigen opdracht gegeven om een nader rapport uit te brengen. De rechtbank was met name geïnteresseerd of de inhoud van de door de deskundigen uitgebrachte rapportages ongewijzigd blijven, indien feit 1. van dagvaarding I niet op de dagvaarding zou hebben gestaan. Beide deskundigen hebben deze vraag in een aanvullend rapport bevestigend beantwoord; de deskundige De Groot in een aanvullend rapport d.d. 8 november 2007, en de deskundige Blansjaar in een aanvullend rapport d.d. 25 oktober 2007. Voorts heeft de rechtbank de deskundigen verzocht in een nader rapport aan te geven op grond waarvan zij de verdachte een gevaar voor de samenleving achten. In zijn aanvullende rapport d.d. 8 november 2007 geeft de deskundige De Groot aan dat hij verdachte gevaarlijk acht op grond van de combinatie van agressieve handelingen in het verleden en zijn psychiatrische problematiek, zeer waarschijnlijk schizofrenie van het paranoïde type. Het gebrek aan ziektebesef maakt het denken en handelen van verdachte onvoorspelbaar. Het verleden laat zien dat verdachte zich frequent agressief heeft gedragen in de richting van anderen. Naar de inschatting van de deskundige blijft derhalve het risico op onvoorspelbaar agressief gedrag aanwezig zolang verdachte zich niet adequaat en medicamenteus laat behandelen. De deskundige Blansjaar geeft in zijn nadere rapport van 25 oktober 2007 aan dat het waarschijnlijk is dat de eerdere door verdachte gepleegde geweldsdelicten ook voortkwamen uit psychotische belevingen met achterdochtige en vijandige inhoud, waarschijnlijk veroorzaakt door een schizofrene stoornis. Daarbij komt dat onderzochte waarschijnlijk al geneigd was tot agressief en grensoverschrijdend gedrag door een primaire antisociale persoonlijkheidsstoornis. Naar het oordeel van de deskundige is door deze combinatie van stoornis en gebrek zodanig gevaarlijk dat de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging wordt geadviseerd. De beide deskundigen hebben ook ter terechtzitting van 28 november 2007 gepersisteerd bij hun conclusies, dat verdachte behandeld moet worden en dat de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging een passende maatregel is. De rechtbank overweegt bij de strafoplegging het navolgende. De wet stelt twee voorwaarden aan het opleggen van de maatregel van ter beschikking stelling. Zo moet sprake zijn van een misdrijf waarop vier jaar gevangenisstraf is gesteld, of van (één van) de in artikel 37a Wetboek van Strafrecht nader genoemde misdrijven. Gelet op het vorenstaande zou de rechtbank, indien de rechtbank de maatregel van ter beschikkingstelling een passende sanctie vindt, deze slechts kunnen opleggen voor feit 4. op dagvaarding I en voor het feit op dagvaarding II, te weten de twee bedreigingen. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of en zo ja, op welke wijze, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van ter beschikkingstelling eist. De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteurs over dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis. Voorts neemt de rechtbank de conclusies van de rapporteurs over dat de kans dat verdachte opnieuw een geweldsdelict zal begaan aanzienlijk is. Verdachte is in het verleden al diverse malen veroordeeld voor geweldsfeiten en wordt thans wederom veroordeeld voor dergelijke feiten. De rechtbank neemt deze veelvuldige voorafgegane veroordelingen bij haar oordeel in aanmerking. De rechtbank kan zich ook vinden in de conclusies van de rapporteurs dat, gelet op de ziekelijke stoornis van verdachte in combinatie met zijn gewelddadige verleden en zijn onvoorspelbare agressieve gedrag, verdachte een dusdanig groot gevaar voor de samenleving vormt, dat een behandeling in de vorm van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. De rechtbank zal derhalve de verdachte voor feit 4. op dagvaarding I en voor het feit op dagvaarding II. de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. Voor de overige feiten zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen. De rechtbank realiseert zich dat verdachte enkel wordt veroordeeld voor de minder zware feiten op de dagvaarding en dat verdachte wordt vrijgesproken van het ernstigste feit op de dagvaarding (de (poging tot) doodslag op [slachtoffer]), maar gelet op de conclusies van de deskundigen en het gewelddadige verleden van verdachte, is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat een behandeling van verdachte noodzakelijk is ter bescherming van de samenleving en dat er niet met een lichtere sanctie kan worden volstaan dan de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging. Inbeslaggenomen voorwerpen. De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1 tot en met 4. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: - 37a, 37b, 57, 266, 267, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair, en onder 3. telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 2., 4., 5., 6. en bij dagvaarding II telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: Ten aanzien van feit 2. en feit 5. op dagvaarding I: Mishandeling, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 4. op dagvaarding I: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling Ten aanzien van feit 6. op dagvaarding I: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening Ten aanzien van dagvaarding II: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte ten aanzien van de feiten 2., 5. en 6. op dagvaarding I tot: een gevangenisstraf voor de duur van 258 (TWEEHONDERDENACHTENVIJFTIG) DAGEN; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; in verzekering gesteld op : 29 maart 2007, in voorlopige hechtenis gesteld op : 30 maart 2007; Ten aanzien van feit 4. op dagvaarding I en ten aanzien van dagvaarding II: gelast de TERBESCHIKKINGSTELLING VAN VERDACHTE; beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd; gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1 tot en met 4; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mrs O. van der Burg, voorzitter, A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en C.O.W. Dubbelman, rechters, in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2007. Mr Dubbelman is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.