Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0028

Datum uitspraak2007-10-05
Datum gepubliceerd2007-12-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersC05/1582
Statusgepubliceerd


Indicatie

Arbeidsrecht. Wettelijke verhoging en wettelijke rente.


Uitspraak

Uitspraak: 5 oktober 2007 Rolnummer: 05/1582 Rolnummer rechtbank: 466178 CV EXPL 05-26 HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van [WERKNEMER], wonende te […], appellant, hierna te noemen: [Werknemer], procureur: mr. Th.T.M. van Hemert, tegen TECHNISCHE UNIE B.V., gevestigd te Amstelveen, geïntimeerde, hierna te noemen: Technische Unie, procureur: mr. F. van Gelein Vitringa. Het geding Bij exploot van 27 september 2005 is [Werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 5 juli 2005 door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen. [Werknemer] heeft bij memorie van grieven (met producties) twee grieven aangevoerd, die door Technische Unie bij memorie van antwoord zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd. Beoordeling van het hoger beroep 1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 2.1 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan. 2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende. 2.1 [Werknemer] is sedert 1 september 2002 in dienst van Technische Unie als magazijnmedewerker laatstelijk tegen een salaris van € 1.700,73 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. 2.2 [Werknemer] is van 12 juli 2004 tot 18 augustus 2004 met vakantie geweest. 2.3 Bij brief van 16 juli 2004 heeft Technische Unie aan [Werknemer] geschreven dat hij ongeoorloofd afwezig is en dat daarom de loonbetaling met ingang van 16 juli 2004 is opgeschort. 2.4 Bij inleidende dagvaarding van 30 december 2004 heeft [Werknemer] (onweersproken) gesteld dat zijn maandloon € 1.700,73 bedraagt en gevorderd Technische Unie te veroordelen tot betaling van “het (ten onrechte per 16 juli 2004 opgeschorte) loon ad € 1.700,73 te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraagde betaling ex artikel 7:625 BW alsmede de wettelijke rente vanaf - telkens - de datum der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening”, alsmede de proceskosten. Bij conclusie van antwoord van 8 februari 2005 stelt Technische Unie in punt 30 dat zij, “om haar moverende redenen, heeft besloten - behoudens de periode 16 juli 2004/18 augustus 2004 - aan eiser alsnog het hem toekomende loon te voldoen, hetgeen onderhand ook heeft plaatsgevonden, of op korte termijn zal gebeuren. Een eventuele vordering van eiser kan derhalve nog slechts gelden voor de gestelde 5,5 week dat hij - ten onrechte - niet is komen werken, vanwege een gestelde vakantie.” Bij conclusie van repliek van 12 april 2005 stelt [Werknemer] in punt 5: “Tot op heden is het loon niet aan eiser betaald. Eiser handhaaft dan ook zijn loonvordering (…)”. Bij conclusie van dupliek van 10 mei 2005 legt Technische Unie kopieën over van vier loonspecificaties, alle gedateerd 15 april 2005, betreffende het aan [Werknemer] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst verschuldigde over de periode van 18 augustus 2004 tot mei 2005. Technische Unie duidt deze specificaties aan als “kopie van de betalingen” en herhaalt dat de vordering van [Werknemer] derhalve nog slechts kan gelden voor de periode van 5,5 week. 2.5 Bij het bestreden vonnis overweegt de rechtbank dat de vordering van [Werknemer] zich kennelijk beperkt tot de vakantieperiode van 16 juli 2004 tot 18 augustus 2004, nu er gezien het petitum niet wordt gevorderd loondoorbetaling van € 1.700,73 van 16 juli 2004 per maand tot het rechtsgeldige einde van het dienstverband doch slechts betaling van een bedrag van € 1.700,73. De rechtbank veroordeelt Technische Unie tot betaling aan [Werknemer] van € 1.700,73 bruto, vermeerderd met 10% (wettelijke verhoging) en 8% (vakantietoeslag), alsmede met de wettelijke rente en compenseert de proceskosten. 2.6 In hoger beroep is gesteld en niet weersproken dat het loon over de periode van 18 augustus 2004 tot mei 2005 op 25 april 2005 is betaald. Hetzelfde geldt, behalve wat de datum van betaling betreft, voor het verschuldigde loon met vakantietoeslag, conform het in het vonnis van de rechtbank van 5 juli 2005 bepaalde bedrag over de periode van 16 juli 2004 tot 18 augustus 2004. Of de in dat vonnis toegewezen wettelijke verhoging en wettelijke rente zijn voldaan en, in het bevestigende geval, wanneer, volgt niet uit de processtukken. Nu niet is gesteld dat over de nabetaalde loonbedragen niet vervolgens ook de vakantietoeslag (zodra opeisbaar) is betaald, zal het hof ervan uitgaan dat dit is geschied. 3.1 Grief I luidt: “Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 5 juli 2005 nagelaten Technische Unie tot betaling van het integrale (ten onrechte per 16 juli 2004 opgeschorte) loon ad € 1.700,73 per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50% wegens vertraagde betaling ex artikel 7:625 BW alsmede de wettelijke rente vanaf - telkens - de datum der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, te veroordelen.” 3.2 In de toelichting op de grief stelt [Werknemer] dat de rechtbank Technische Unie ten onrechte niet conform de eis in eerste aanleg heeft veroordeeld. De rechtbank heeft ten onrechte de vordering die Technische Unie toezegde te betalen buiten beschouwing gelaten. Door het maandenlange uitblijven van de salarisbetaling zijn grote financiële en emotionele problemen voor [Werknemer] ontstaan. Gelet daarop zou het volgens [Werknemer] redelijk zijn de wettelijke verhoging over de gehele vordering, voor zover het salaris te laat is betaald, toe te wijzen en deze te stellen op 50%, althans hoger dan 10%. Het hof leest hierin niet dat ook wordt gegriefd tegen de omvang van het ter zake van loondoorbetaling tijdens de vakantie toegewezen bedrag. 3.3 Technische Unie meent dat [Werknemer] in eerste aanleg niet meer heeft gevorderd dan € 1.700,73. Nooit heeft [Werknemer] gerept over een bedrag per maand, of over ‘integrale’ betaling. De rechtbank heeft derhalve ook niet meer kunnen toewijzen dan gevorderd. Voorts voert Technische Unie aan dat de slechte financiële en psychische situatie van [Werknemer] in het geheel niet is onderbouwd. 4.1 Dat [Werknemer] in eerste aanleg zijn loonvordering niet heeft beperkt tot een periode van één maand blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit de bewoordingen van de inleidende dagvaarding (onder 4. “recht op loondoorbetaling”; in het petitum wordt gevorderd “de wettelijke rente vanaf - telkens - de datum der verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening”). Technische Unie heeft de vordering ook aldus begrepen. Zowel bij antwoord als dupliek stelt zij immers, dat de vordering van [Werknemer] nog slechts kan gelden voor de periode van 5,5 week, nu een aanzienlijk deel van de vordering tussentijds door haar is voldaan. 4.2 Indien het aan de werkgever toe te rekenen is, dat het in geld vastgesteld loon later betaald wordt dan drie dagen na de betalingsdag, die door artikel 7:623 en 624 BW wordt aangegeven, dan is de werkgever aan de werknemer een verhoging verschuldigd wegens vertraging als in artikel 7:625 BW bepaald. 4.3 Technische Unie heeft het loon over de periode van 18 augustus 2004 tot mei 2005 op 25 april 2005 betaald. Het toegewezen bedrag over de periode van 16 juli tot 18 augustus 2004 is eerst na het vonnis van 5 juli 2005 voldaan. De betaling heeft derhalve, behalve wat betreft het salaris over de maand april 2005, - veel - te laat plaatsgevonden. De wettelijke verhoging is gevorderd voor zover het loon te laat is betaald. Deze vordering is toewijsbaar, met dien ver¬stande dat het hof termen aanwezig acht om de wettelijke verhoging in dit geval billijkheids¬halve te matigen tot - globaal - 25% van 7,5 x € 1.700,73, afgerond op in totaal € 3.200,- bruto, mede gelet op de hierna toe te wijzen wette¬lijke rente. Gesteld noch gebleken is dat de vakantietoeslag te laat is betaald, zodat deze bij de wettelijke verhoging en de wettelijke rente buiten beschouwing blijft. De niet als zodanig weersproken wettelijke rente is toewijsbaar als hierna sub 5, laatste zin, en in het dictum vermeld. Grief I slaagt in zoverre. 5. Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal Technische Unie worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. Ook grief II die gericht is tegen de compensatie van kosten in eerste aanleg slaagt derhalve. Uit praktische overwegingen zal het bestreden vonnis geheel worden vernietigd en het dictum worden geherformuleerd. Daarbij wordt ermee rekening gehouden dat het - terecht toegewezen - bedrag van € 1.700,73 bruto plus 8% vakantie¬toeslag daarover, alsmede het loon plus vakantietoeslag over de periode van 18 augustus 2004 tot mei 2005 inmiddels is betaald, zodat [Werknemer] bij toewijzing daarvan thans geen belang meer heeft. Uit praktische overwegingen wordt de datum van opeisbaarheid van het toegewezen, gematigde, bedrag aan wettelijke verhoging door het hof - op basis van een gemiddelde - bepaald op de in het dictum vermelde datum. Beslissing Het hof: - vernietigt het vonnis van 5 juli 2005 door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen; en opnieuw rechtdoende: - veroordeelt Technische Unie om aan [Werknemer] tegen kwijting te betalen: a. € 425,- bruto aan wettelijke verhoging over het (aanvankelijk door de rechtbank terecht toegewezen) bedrag aan (te laat betaald loon) over de periode van 16 juli 2004 tot 18 augustus 2004; b. € 3.200,- bruto aan wettelijke verhoging over € 1.700,73 bruto per maand aan te laat betaald loon over de periode van 18 augustus 2004 tot april 2005; c. de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over (het aanvankelijk door de rechtbank terecht toegewezen) bedrag van € 1.700,73 bruto over de periode van 16 juli 2004 tot 18 augustus 2004, vanaf het opeisbaar worden daarvan tot de dag waarop dit bedrag is betaald; d. de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 1.700,73 bruto per maand aan te laat betaald loon over de periode van 18 augustus 2004 tot april 2005, vanaf het opeisbaar worden daarvan tot 25 april 2005; e. de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het hierboven sub a. bedoelde bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid, door het hof bepaald op 31 augustus 2004, tot de dag waarop dit bedrag is betaald; f. de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het hierboven sub b. bedoelde bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid, door het hof bepaald op 31 januari 2005, tot de dag waarop dit bedrag is betaald; - veroordeelt Technische Unie in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op 5 juli 2005 aan de zijde van [Werknemer] begroot op € 526,28 waarvan te voldoen: a) aan de griffier van de rechtbank ’s-Gravenhage € 142,50 voor in debet gesteld griffierecht, € 83,78 voor kosten exploot en € 300,- aan salaris voor zijn gemachtigde, waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv, en b) aan [Werknemer] € 47,50 voor niet in debet gesteld griffierecht; - veroordeelt Technische Unie in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [Werknemer] begroot op € 900,60, waarvan te voldoen: a) aan de griffier van het hof € 183,- voor in debet gesteld griffierecht, € 85,60 voor kosten exploot en € 632,- voor salaris procureur waarmee de griffier zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv, en b) aan [Werknemer] voor niet in debet gesteld griffierecht € 61,-; - verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, T.L. Tan en V. Disselkoen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 oktober 2007 in aanwezigheid van de griffier.