
Jurisprudentie
BC0027
Datum uitspraak2007-12-04
Datum gepubliceerd2008-01-02
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707165/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-01-02
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200707165/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vreemdelingenbewaring / eerdere bewaring / beoordeling
De staatssecretaris heeft, door de bewaring op te heffen, uitvoering gegeven aan de uitspraak van 5 april 2007. Het besluit van 22 augustus 2007, waarbij de vreemdeling opnieuw in bewaring is gesteld, is een nieuw besluit na opheffing van een eerdere bewaring. De rechtbank heeft niet onderkend dat daarom geen sprake is van verlengde besluitvorming in dezelfde zaak, zoals het geval was in de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 in zaak nr. 200408877/1 (JV 2005/150). In het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling diende de rechtbank te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. De uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 april 2007 staat aan die beoordeling niet in de weg, nu in deze uitspraak het zicht op uitzetting is beoordeeld naar de situatie ten tijde van de in die uitspraak voorliggende inbewaringstelling en dit onverlet laat dat de rechtbank de vraag of zicht op uitzetting met betrekking tot de huidige inbewaringstelling niet ontbreekt dient te beoordelen naar de situatie ten tijde van het opleggen van die maatregel. Gelet op de hiervoor onder 2.1.2. weergegeven overwegingen van de Afdeling in de uitspraken van 16 april 2007 en 9 mei 2007, is sprake van aanknopingspunten in vorenbedoelde zin. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de opgelegde maatregel voor onrechtmatig moet worden gehouden om de aan haar uitspraak ten grondslag gelegde redenen.
De staatssecretaris heeft, door de bewaring op te heffen, uitvoering gegeven aan de uitspraak van 5 april 2007. Het besluit van 22 augustus 2007, waarbij de vreemdeling opnieuw in bewaring is gesteld, is een nieuw besluit na opheffing van een eerdere bewaring. De rechtbank heeft niet onderkend dat daarom geen sprake is van verlengde besluitvorming in dezelfde zaak, zoals het geval was in de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 in zaak nr. 200408877/1 (JV 2005/150). In het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling diende de rechtbank te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. De uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 april 2007 staat aan die beoordeling niet in de weg, nu in deze uitspraak het zicht op uitzetting is beoordeeld naar de situatie ten tijde van de in die uitspraak voorliggende inbewaringstelling en dit onverlet laat dat de rechtbank de vraag of zicht op uitzetting met betrekking tot de huidige inbewaringstelling niet ontbreekt dient te beoordelen naar de situatie ten tijde van het opleggen van die maatregel. Gelet op de hiervoor onder 2.1.2. weergegeven overwegingen van de Afdeling in de uitspraken van 16 april 2007 en 9 mei 2007, is sprake van aanknopingspunten in vorenbedoelde zin. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de opgelegde maatregel voor onrechtmatig moet worden gehouden om de aan haar uitspraak ten grondslag gelegde redenen.
Uitspraak
200707165/1.
Datum uitspraak: 4 december 2007
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/35149 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 oktober 2007 in het geding tussen:
[de vreemdeling],
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2007 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 5 oktober 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel bevolen en hem schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 oktober 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een reactie in te dienen.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu een eerdere bewaring is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, thans dient te worden onderzocht of bij de nieuwe inbewaringstelling, anders dan ten tijde van de eerdere uitspraak, sprake is van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat reëel zicht op uitzetting niet ontbreekt. Bij uitspraken van onder meer 16 april 2007 in zaak nr. 200701752/1 (JV 2007/242) en 9 mei 2007 in zaak nr. 200702075/1 (JV 2007/296) heeft de Afdeling geoordeeld dat er wel sprake is van zicht op uitzetting naar China in algemene zin, aldus de staatssecretaris.
2.1.1. Bij uitspraak van 5 april 2007 heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep tegen de voortduring van de bewaring gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel bevolen, omdat zij van oordeel was dat de staatssecretaris onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is. Aan dit oordeel heeft zij - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat er door de Chinese autoriteiten vanaf 1 januari 2006 tot 19 maart 2007 slechts een gering aantal laissez-passers is afgegeven.
2.1.2. In voormelde uitspraken van 16 april 2007 en 9 mei 2007 heeft de Afdeling overwogen dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten slechts in een gering aantal gevallen reisdocumenten verstrekken, al aangenomen dat die omstandigheid zich inderdaad voordeed, op zichzelf niet betekent dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert.
In de uitspraak van 9 mei 2007 is voorts overwogen dat indien de desbetreffende vreemdeling geen hem persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld, maar volstaat met een verwijzing naar vorenbedoeld cijfermateriaal, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris ondanks het feit dat de laissez-passer aanvraag door de Chinese autoriteiten in behandeling is genomen er van had moeten uitgaan dat reëel zicht op uitzetting voor de vreemdeling ontbreekt.
2.1.3. De staatssecretaris heeft, door de bewaring op te heffen, uitvoering gegeven aan de uitspraak van 5 april 2007. Het besluit van 22 augustus 2007, waarbij de vreemdeling opnieuw in bewaring is gesteld, is een nieuw besluit na opheffing van een eerdere bewaring. De rechtbank heeft niet onderkend dat daarom geen sprake is van verlengde besluitvorming in dezelfde zaak, zoals het geval was in de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 in zaak nr. 200408877/1 (JV 2005/150).
In het kader van de beoordeling van het nieuwe besluit tot inbewaringstelling diende de rechtbank te beoordelen of ten tijde van het opleggen van de nieuwe maatregel sprake is van aanknopingspunten die leiden tot het oordeel dat, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn thans niet ontbreekt. De uitspraak van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 april 2007 staat aan die beoordeling niet in de weg, nu in deze uitspraak het zicht op uitzetting is beoordeeld naar de situatie ten tijde van de in die uitspraak voorliggende inbewaringstelling en dit onverlet laat dat de rechtbank de vraag of zicht op uitzetting met betrekking tot de huidige inbewaringstelling niet ontbreekt dient te beoordelen naar de situatie ten tijde van het opleggen van die maatregel.
Gelet op de hiervoor onder 2.1.2. weergegeven overwegingen van de Afdeling in de uitspraken van 16 april 2007 en 9 mei 2007, is sprake van aanknopingspunten in vorenbedoelde zin. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de opgelegde maatregel voor onrechtmatig moet worden gehouden om de aan haar uitspraak ten grondslag gelegde redenen.
Grieven 1 en 2 slagen.
2.2. Het hoger beroep is reeds op grond van het bovenstaande kennelijk gegrond, zodat grief 3 geen bespreking behoeft. Grief 4 heeft geen zelfstandige betekenis. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden blijkens het hiervoor overwogene geen grond geven voor een ander oordeel, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 22 augustus 2007 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 5 oktober 2007 in zaak nr. 07/35149;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
Voorzitter
w.g. Bakker
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2007
395.
Verzonden: 4 december 2007
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak