Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0025

Datum uitspraak2007-08-23
Datum gepubliceerd2007-12-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers218866 \ cv expl 07968
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Bevel aan verzekeringsarts van het UWV om op grond van het bepaalde in artikel 7: 629a lid 5 BW zijn (haar) deskundigenverklaring betreffende de arbeids(on)geschiktheid van werknemer nader toe te lichten.


Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN Sector kanton Locatie Heerenveen zaak-/rolnummer: 218866 CV EXPL 07-968 vonnis van de kantonrechter d.d. 23 augustus 2007 inzake [eiser], hierna te noemen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, procederende met toevoeging, gemachtigde: mr. B. van Dijk, werkzaam bij Tiebout Advocaten, tegen de naamloze vennootschap Caparis NV, hierna te noemen: Caparis, gevestigd te Drachten, gedaagde, procederende in persoon, vertegenwoordigd door mr. K. van der Boom, bedrijfsjuriste. Procesverloop 1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om Caparis te veroordelen om aan [eiser] te betalen het hem toekomende salaris inclusief emolumenten over de perioden 4 tot en met 11 november 2004, 6 tot en met 9 december 2004, 13 december 2004 tot en met 4 januari 2005 en 1 maart 2006 tot en met 3 mei 2006, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7: 625 BW, alsmede vermeerder met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2006, met veroordeling van Caparis in de kosten van het geding. Caparis heeft bij antwoord de vordering betwist. Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Door [eiser] en Caparis zijn producties in het geding gebracht. Motivering de feiten 2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast. 2.1. [eiser] is op 31 juli 2000 in dienst getreden bij Caparis in de functie van vakassistent. 2.2. Caparis heeft het salaris van [eiser] over de navolgende perioden (gedeeltelijk) opgeschort: - 4 t/m 11 november 2004; - 6 t/m 9 december 2004; - 13 december 2004 t/m 4 januari 2005; - 1 maart t/m 3 mei 2006, omdat [eiser] in de perioden geen werkzaamheden heeft verricht voor Caparis. 2.3. In verband met lage rugklachten moet [eiser] zijn werkzaamheden zittend kunnen verrichten met de mogelijkheid om af en toe te lopen of te staan. 2.4. In zijn werkhervattingsadvies naar aanleiding van de verzuimmelding per 4 november 2004 meldt de bedrijfsarts F.J.M. Hendrickx: "Uw medewerker heeft op 3-11-04 zijn werk hervat en heeft zich op 4-11-04 weer ziek gemeld. Ik heb uw medewerker opgebeld. Uw medewerker vertelde mij dat de werkplek bij Trialis niet voldoet aan datgene wat hij nodig heeft. Volgens uw medewerker kan hij op deze werkplek niet zittend werken. Ik had vooraf de werkplek geïnspecteerd. De werkplek heeft volgens mij voldoende mogelijkheden om zittend te werken waarbij uw medewerker ook de mogelijkheid heeft om af en toe eens te staan en te lopen. Ik ben van mening dat uw medewerker in staat is om te werken op de werkplek bij Trialis." 2.5. In het kader van de ziekmelding per 13 december 2004 heeft [eiser] om een deskundigenoordeel van het UWV gevraagd. De conclusie van de verzekeringsarts A.J.M. Vellinga van 6 januari 2005 luidt: "De werknemer, ic belanghebbende, is per 13-12-2004 geschikt voor het hem door de werkgever aangeboden werk. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat de belastbaarheid van belanghebbende niet door de werkbelastende factoren van dit werk wordt overschreden en er geen reden is om aan te nemen dat daar op korte termijn verandering in zal komen.". 2.6. De door [eiser] ingeschakelde medisch adviseur van Tiebout Advocaten, de heer D.J. Schakel, heeft op 15 juli 2005 een bezoek gebracht aan Trialis en bij brief van 22 augustus 2005 als volgt gerapporteerd: "We troffen dhr. [eiser] in een fabriekshal aan, staand bezig met kleine laatjes in elkaar zetten met een nietpistool. Opvallend was dat geen van de overige medewerkers het werk zittend verricht. Op mijn verzoek heeft dhr. [eiser] gedemonstreerd hoe dit werk er zittend uitziet. Op zich ging dit wel, zij het dat er dan bovenhands geniet moet worden, waarbij de visuele controle ontbreekt. Dhr. [eiser] liet oa ook nog grotere laatjes zien, waarbij bleek dat die niet zittend in elkaar te zetten zijn. Ook het aanbrengen van poten dient staand te gebeuren, met kracht. Hij heeft ook andere werkplekken getoond, waarbij het werk niet zittend uit te voeren bleek. (…) Mijn conclusie is dan ook dat het merendeel van de werkzaamheden niet zittend kan worden uitgevoerd en dat derhalve de werkplek niet passend is." 2.7. Op 1 maart 2006 heeft [eiser] zich ziek gemeld in verband met maagklachten. De bedrijfsarts, de heer Hendrickx, heeft [eiser] op 2 maart 2006 gezien. In zijn werkhervattingsadvies van 3 maart 2006 bericht hij: "Ik sprak uw medewerker tijdens mijn spreekuur van 2-3-06. Nadien had ik telefonisch contact met de huisarts om de resultaten van onderzoek in het ziekenhuis te vernemen. Deze uitslag zal mij nog toegestuurd worden. Op grond van alle gegevens waarover ik beschik ben ik van mening dat uw medewerker op 1-3 wel had kunnen werken. Ik wees uw medewerker op de mogelijkheid van tweede opinie (second opinion) bij het UWV.".. 2.8. [eiser] heeft bovengenoemde second opinion aangevraagd. De deskundigenverklaring van 4 april 2006 vermeldt: "Er is sprake van rechtstreeks door ziekte en/of gebrek veroorzaakte en te objectiveren beperking van de belastbaarheid. Er is geen wijziging in de medische situatie. De cliënt is onveranderd aangewezen op rugsparend licht werk. Hij heeft beperkingen voor lopen en staan. (…) De werknemer is op 01-03-06 volledig arbeidsgeschikt voor het eigen aangeboden werk. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat de belastbaarheid van betrokkene niet door de werkbelastende factoren van voornoemd eigen werk wordt overschreden en er geen reden is om aan te nemen dat daar op korte termijn verandering in zal komen.". 2.9. In een door [eiser] voor de kantonrechter te Heerenveen aanhangig gemaakt kort geding tot doorbetaling van loon vanaf 1 maart 2006 is bij vonnis van 20 april 2006 de vordering van [eiser] afgewezen. In (spoed)appel is het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd (behoudens de daarin opgenomen kostenveroordeling). 2.10. [eiser] heeft op 4 mei 2006 zijn werkzaamheden hervat en Caparis heeft per die datum de salarisbetaling hervat. Op 15 mei 2006 is [eiser] geopereerd. De ziekmelding per 15 mei 2006 is door Caparis geaccepteerd. het standpunt van [eiser] 3.1. Met betrekking tot de periodes in 2004/2005 baseert [eiser] zijn vordering op artikel 7: 628 lid 1 BW: hij heeft zijn arbeidt niet verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van Caparis dient te komen. [eiser] heeft daartoe aangevoerd dat zijn werkplek niet zodanig was ingericht dat deze als passend kan worden beschouwd. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [eiser] naar een schrijven van de medisch adviseur de heer Schakel. 3.2. Met betrekking tot de periode vanaf 1 maart 2006 stelt [eiser] zich op het standpunt dat hij arbeidsongeschikt was in verband met maagklachten. Ter onderbouwing van die stelling verwijst hij naar een brief van zijn geneesheer van 28 maart 2006. De bevestiging van de geneesheer van de maagklachten levert volgens [eiser] voldoende bewijs op van zijn ongeschiktheid tot werken. Vanwege de onduidelijkheid van het deskundigenoordeel doet [eiser] een beroep op artikel 7: 629a lid 5 BW en verzoekt hij de deskundige te bevelen zijn verklaring nader toe te lichten. 3.3. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat hij als medisch situatief arbeidsongeschikt kon worden aangemerkt. Uit de brief van zijn geneesheer van 28 maart 2006 kan worden afgeleid dat bij werkhervatting uitval valt te verwachten, gezien de toenemende maagklachten. het standpunt van Caparis 4.1. Caparis stelt zich op het standpunt dat de werkplek van [eiser] passend is. Hij kan zijn werk zittend verrichten met de mogelijkheid tot vertreden. Caparis verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar het desbetreffende werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van het UWV. De bedrijfsarts heeft de werkplek onderzocht en komt iedere zes weken bij [eiser] op de werkplek langs. Met betrekking tot de brief van de heer Schakel van 22 augustus 2005 merkt Caparis op dat Schakel concludeert dat het zittend verrichten van het werk op zich wel gaat. Dat collega's van [eiser] het werk staand verrichten en dat ander werk (grote laden en tafelpoten), werk dat [eiser] niet verricht, niet zittend kan worden gedaan, doet volgens Caparis niet ter zake. 4.2. Caparis betwist dat [eiser] per 1 maart 2006 arbeidsongeschikt was. Zij verwijst daartoe naar het advies van de bedrijfsarts van 3 maart 2006 en de deskundigenverklaring van het UWV van 4 april 2006. Met betrekking tot het deskundigenoordeel heeft Caparis nog aangevoerd dat de tekst hiervan misschien niet duidelijk is, maar dat ter zitting van 6 april 2006 duidelijk is geworden dat de maagklachten wel degelijk in de rapportage zijn betrokken. Caparis meent dan ook dat het verzoek om toepassing te geven aan artikel 7: 629a lid 5 BW niet gehonoreerd moet worden. 4.3. Tenslotte betwist Caparis dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. Er is geen sprake van ziekmakende arbeidsomstandigheden. de beoordeling 5.1. De kantonrechter is van oordeel dat de stelling van [eiser] dat zijn werkplek als niet passend gekwalificeerd moet worden, als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dient te worden verworpen. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat [eiser] niet heeft aangegeven welke werkzaamheden hij dient te verrichten en hoe zijn werkplek voor het verrichten van die werkzaamheden is ingericht. Uit de brief van de heer Schakel blijkt slechts dat deze [eiser] heeft aangetroffen, staand bezig met het in elkaar zetten van kleine laatjes met een nietpistool. Dat [eiser] deze werkzaamheden staand moest verrichten, is echter niet gebleken. Daarentegen heeft Schakel aangegeven dat [eiser] gedemonstreerd heeft hoe het werk er zittend uit zag, waarbij Schakel constateert dat dit "op zich wel ging". Hieruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat [eiser] de gelegenheid is geboden is om de werkzaamheden zittend uit te voeren en dat dit ook praktisch mogelijk was. Gesteld is weliswaar dat het in elkaar zetten van grotere laden en het aanbrengen van tafelpoten niet zittend kon gebeuren, doch [eiser] heeft onbetwist gelaten dat deze werkzaamheden niet door hem verricht werden. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen om de werkplek van [eiser] nader te onderzoeken. De loonvorderingen van [eiser] over de perioden in 2004 en 2005 zullen dan ook als ongegrond worden afgewezen. 5.2. Vervolgens staat ter discussie de vraag of [eiser] vanaf 1 maart 2006 arbeidsongeschikt was. 5.2.1. [eiser] baseert zich daarbij op de brief van de internist van 28 maart 2006. Deze brief verstrekt weliswaar informatie over de klachten van [eiser] en de medische situatie, doch geeft geen indicatie dat [eiser] tengevolge van deze maagklachten arbeidsongeschikt zou zijn. Ook het feit dat [eiser] uiteindelijk in mei 2006 geopereerd is in verband met een chronische maagzweer, betekent niet dat hij op 1 maart 2006 arbeidsongeschikt was. 5.2.2. Nadat de bedrijfsarts op 3 maart 2006 had geoordeeld dat [eiser] op 1 maart 2006 niet arbeidsongeschikt was, heeft [eiser] een second opinion gevraagd bij het UWV. Hoewel de verzekeringsarts eveneens tot het oordeel komt dat [eiser] op 1 maart 2006 zijn werkzaamheden had kunnen verrichten, laat de duidelijkheid van deze geneeskundige verklaring te wensen over. [eiser] heeft ter gelegenheid van de zitting in kort geding uitvoerig toegelicht dat hij bij de verzekeringsarts zijn maagzweer en de door hem in verband daarmee gebruikte medicijnen aan de orde heeft gesteld. De verklaring van de verzekeringsarts spreekt echter van "beperking van de belastbaarheid" en "rugsparend licht werk". Daarmee is niet uitgesloten dat de verzekeringsarts de maagklachten niet of onvoldoende in de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid heeft betrokken. De kantonrechter is van oordeel dat deze duidelijkheid in het kader van deze bodemprocedure wel verschaft dient te worden. 5.2.3. De kantonrechter zal derhalve de deskundige, M. Niemeijer, verzekeringsarts bij het UWV, opdragen zijn deskundigenbericht van 4 april 2006 nader toe te lichten. In verband daarmee zal de griffier een afschrift van de (relevante) processtukken en de producties toesturen aan de deskundige. 5.3. Met betrekking tot de (subsidiaire) vraag of [eiser] ten gevolge van zijn maagzweer situatief arbeidsongeschikt was, overweegt de kantonrechter dat op geen enkele wijze is gebleken dat werkhervatting door [eiser] tot nadelige gevolgen voor zijn gezondheid of tot mogelijke herhaalde uitval zou hebben geleid. Dat de maagklachten zouden zijn toegenomen tengevolge van de werkzaamheden danwel dat de situatie bij doorwerken zou verslechteren, zoals [eiser] stelt, blijkt nergens uit. Dat [eiser] uiteindelijk aan zijn maagzweer geopereerd moest worden is, naar de kantonrechter uit de stukken begrijpt, het gevolg van het chronische en therapieresistente karakter van de maagzweer. 5.4. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Beslissing De kantonrechter: beveelt dat M. Niemeijer, verzekeringsarts bij het UWV, zijn deskundigenverklaring van 4 april 2006 betreffende de arbeids(on)geschiktheid van [eiser] nader toelicht, in die zin dat duidelijk wordt of bij de maagklachten van [eiser] bij de beoordeling zijn betrokken; verstaat dat de griffier de (relevante) processtukken in kopie aan de deskundige doet toekomen; draagt de deskundige op om uiterlijk 20 september 2007 een schriftelijk bericht in te leveren ter griffie van de sector kanton, locatie Heerenveen, van de rechtbank te Leeuwarden, Postbus 49, 8440 AA Heerenveen; verwijst de zaak naar de rol van 4 oktober 2007 voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser]; houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2007 in tegenwoordigheid van de griffier. c 41