Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0018

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460462-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

brandstichting in eigen flatwoning op 20 augustus 2007 te Winterswijk leidt tot een deels voorwaardelijke strafoplegging, onder meer geënt op begeleiding van en een ambulante behandeling van verdachte


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/460462-07 Uitspraak d.d. 12 december 2007 tegenspraak / dip VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats 1971], won[adres], thans verblijvende in de FPA “De Boog” van GGNet te Warnsveld. Onderzoek v an de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2007. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 20 augustus 2007 te Winterswijk opzettelijk brand heeft gesticht in/aan/bij een woning gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een kleed wat over/op de bank lag met een (gas)aansteker in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een kleed en/of een (stoffen) bank, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die deken en/of die bank geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en/of nabijgelegen panden/belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de nabijgelegen panden/belendende percelen bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht. Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in haar woning door vuur in aanraking te brengen met een kleed dat zich op de bank in de woning bevond, tengevolge waarvan gemeen gevaar voor die woning en nabijgelegen woningen is ontstaan, alsmede levensgevaar voor de in die woningen aanwezige buren, gelet op het tijdstip waarop de brandstichting is gepleegd, namelijk ’s nachts rond 01.00 uur. Standpunt van de verdediging Door de raadsman is aangevoerd dat op basis van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal tot wettig en overtuigend bewijs kan worden gekomen. Motivering bewezenverklaring Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, het relaas van de [verbalisanten] (Eindnoot 1) , het relaas van de [verbalisanten 2] (Eindnoot 2) en de verklaring van [getuige] (Eindnoot 3) . Verdachte heeft verklaard op 20 augustus 2007 in haar woning te Winterswijk met een gasaansteker de grand foulard die zich op de bank in de woonkamer bevond in brand te hebben gestoken. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: zij omstreeks 20 augustus 2007 te Winterswijk opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een kleed dat over/op de bank lag met een gasaansteker in brand gestoken, ten gevolge waarvan die deken en die bank gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en nabijgelegen panden en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de nabijgelegen panden bevindende personen te duchten was. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van driehonderdvijfenzestig dagen met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht - te weten 74 dagen -, waarvan een gedeelte van tweehonderdéénennegentig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde toezicht en begeleiding van de reclassering. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de rapporten die over verdachte zijn uitgebracht en de constructieve en positieve ontwikkeling die zich thans in het leven van verdachte lijkt te hebben voorgedaan. Door de raadsman is aangevoerd dat het voorwaardelijk deel van de door de officier van justitie voorgestelde straf van te lange duur is. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft rond het middernachtelijke uur een deken op de bank in haar woning in brand gestoken. Door ingrijpen van de politie, naar aanleiding van een melding van de buurman van verdachte, is erger kunnen worden voorkomen. Met het in brand steken liepen ook de woningen aan weerzijden van de woning van verdachte en de personen die hier op dat moment in sliepen gevaar. Het gaat hier om een ernstig strafbar feit. Het gaat om een gevaarzettend delict, met als beschermd belang de algemene veiligheid van personen en goederen. Het wettelijk strafmaximum voor brandstichting waarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is bedraagt dan ook vijftien jaren gevangenisstraf. Uit het advies van het NIFP van 22 november 2007, opgemaakt door de psychiater Verhoef, dat over verdachte is opgemaakt, blijkt dat verdachte een zwakbegaafde vrouw met een borderline persoonlijkheidsstoornis is. Ten tijde van het plegen van de brandstichting was verdachte erg boos en gefrustreerd over haar behandeling en zeer recente opname en ontslag bij GGNet. Na april 2007 is verdachte - die al jaren binnen de geestelijke gezondheidszorg bekend is - uit haar evenwicht geraakt en in een neergaande spiraal terecht gekomen. Op advies van het NIFP om de kans op herhaling zoveel mogelijk te reduceren heeft de rechtbank op advies van de FPD op 2 oktober 2007 de voorlopige hechtenis geschorst ten behoeve van een opname in afdeling de Boog van GGNet in Warnsveld. Door het NIFP is geadviseerd verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde controle en toezicht door de reclassering, ook als dit inhoudt - in navolging van de opname in Warnsveld - een intensieve ambulante behandeling. De reclassering heeft zich geconformeerd aan dit advies. Ter zitting heeft verdachte aangegeven, dat het in de bedoeling ligt dat zij medio januari 2008 weer terug naar huis gaat en dat er in dat kader een dagprogramma voor haar is geregeld. In het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om verdachte een straf op te leggen zoals door de officier van justitie gevorderd, waarbij het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank heeft het voorarrest, anders dan de officier van justitie, becijferd op in totaal vijfenzeventig dagen. De rechtbank acht een aanmerkelijk voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, met name gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit en de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte. De rechtbank hoopt dat daar een preventieve werking vanuit gaat, temeer nu verdachte ter zitting heeft aangegeven dat zij het verblijf in voorarrest als verschrikkelijk heeft ervaren. De rechtbank volgt derhalve de door de officier van justitie geformuleerde strafeis, behoudens ten aanzien van de gevraagde proeftijd. Gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad (LJN BB3999) van 30 oktober 2007, zal de rechtbank de proeftijd voor de bijzondere voorwaarde eveneens bepalen op twee jaren. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank beslist als volgt. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 290 (tweehonderdnegentig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Zutphen, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde een ambulante behandeling zal ondergaan. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die haar door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven. Geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen. Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge¬bracht, te weten 75 (vijfenzeventig) dagen, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht. Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis. Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Van Harreveld en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 december 2007. (Eindnoot 1) een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2007 (pag. 25/26) {Eindnoot 2} een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2007 (pag. 27) (Eindnoot 3) een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 20 augustus 2007 (pag. 33/34)