
Jurisprudentie
BC0012
Datum uitspraak2007-11-20
Datum gepubliceerd2007-12-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers221324 \cv expl 07-3475
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2007-12-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers221324 \cv expl 07-3475
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
Kennelijk onredelijk ontslag. De wijze waarop de werkgever vorm heeft gegeven aan disciplinaire maatregelen zijn mede gelet op het lange dienstverband niet passend. Voorts is aan werknemer mondeling noch schriftelijk de precieze beweegredenen voor schorsing medegedeeld. Het feit dat de werknemer na het einde van de arbeidsovereenkomst nog arbeidsongeschiktheid is kan niet aan de werkgever worden verweten gelet op de psychische predispositie van de werknemer.
Uitspraak
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector kanton
Locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer: 221324 CV EXPL 07-3475
vonnis van de kantonrechter d.d. 20 november 2007
inzake
[eiser],
hierna te noemen: [eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. N.E.A. Runtuwene, werkzaam bij Abvakabo/FNV te Groningen,
tegen
de naamloze vennootschap
Koninklijke KPN N.V.,
hierna te noemen: KPN,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.S.C. Liebrand-Bos, advocaat te Zwolle.
Het verdere procesverloop
1. Ingevolge het tussenvonnis van 17 juli 2007 heeft op 18 oktober 2007 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Van het verhandelde ter comparitie is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is toegezonden. Hierna is wederom vonnis bepaald op de stukken van het geding, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
Motivering
De feiten
2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.
2.1. [eiser], geboren op [datum], is met ingang van 1 september 1979 in dienst getreden bij KPN. Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van medewerker backoffice intake te Leeuwarden. Het laatstelijk verdiende (voltijds) salaris bedraagt € 2.109,36 bruto exclusief 8% vakantietoeslag (€ 1.430,80 bruto tijdens arbeidsongeschiktheid).
2.2. [eiser] is van eind 2001 tot juni 2002 arbeidsongeschikt geweest in verband met psychische klachten. Na een reïntegratietraject is [eiser] op 3 juni 2002 weer volledig aan het werk gegaan. [eiser] heeft op 5 december 2002 een schriftelijke berisping van KPN gekregen in verband met een niet-correcte wijze van ziekmelden.
2.3. [eiser]'s vrouwelijke collega's [x] en [y] hebben in augustus 2003 in voortgangsgesprekken met afdelingsmanager [c] te kennen gegeven dat zij last hadden van sexuele intimidatie van de zijde van [eiser]. [y] had hierover twee maanden eerder reeds haar beklag gedaan bij supervisor [a].
2.4. [eiser] heeft zich tijdens de ziekte van supervisor [b] negatief uitgelaten over haar functioneren. Zijn leidinggevende [c] was van mening dat de door [eiser] gedane uitlatingen niet toelaatbaar waren, en heeft daarom op 13 augustus 2003 een werkoverleg gepland, waarbij over dit incident en de sfeer op de afdeling is gesproken. Toen bleek dat [eiser] geen medestanders had voor zijn visie, is hij kwaad geworden en heeft hij de kamer waar het overleg plaatsvond verlaten.
2.5. Op 14 augustus 2003 heeft [eiser] zich -in strijd met de verzuimvoorschriften van KPN- door zijn partner ziek laten melden bij [c] met de mededeling dat hij erg aangedaan was door het gesprek van de dag ervoor. [c] heeft vervolgens aangegeven dat hij dit geen reden voor ziekteverzuim vond en heeft aan supervisor [a] gevraagd om een brief op het huisadres van [eiser] af te leveren, met daarin het verzoek aan [eiser] om zich om 10.30 uur bij de bedrijfsarts te melden. Nadat de brief aan [eiser] overhandigd was, heeft hij zich bij de bedrijfsarts gemeld en diezelfde middag om 13.30 uur bij [c], die hem een mondelinge waarschuwing gaf. De bedrijfsarts van KPN heeft [eiser] (enkel) op 14 augustus 2003 arbeidsongeschikt geacht, en met ingang van de daaropvolgende dag weer arbeidsgeschikt. [eiser] diende zijn werkzaamheden dan ook per 15 augustus 2003 te hervatten.
2.6. Feitelijke werkhervatting door [eiser] heeft niet plaatsgevonden, aangezien KPN [eiser], toen hij op 15 augustus 2003 op zijn werk verscheen, een brief overhandigde met de volgende inhoud:
'Op basis van ernstige feiten ziet het er naar uit dat het handhaven in de functie niet meer tot de mogelijkheden behoort. De voorliggende feiten schaden het vertrouwen ernstig. In afwachting van nader onderzoek bent u met onmiddellijke ingang geschorst. U dient zich voor de komende periode thuis beschikbaar te houden. U zult zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gebracht van de mogelijke consequenties. Daarbij is ontslag niet uitgesloten.'
De werkplek van [eiser] was op dat moment al leeggeruimd, hij diende zijn toegangspasje in te leveren en het gebouw van KPN te verlaten.
2.7. Bij brief van 20 augustus 2003 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] bij KPN geprotesteerd tegen de schorsing. Bij brief van 21 augustus 2003 heeft KPN aan [eiser] medegedeeld dat er een intern onderzoek was gestart, waarvoor [eiser] zou worden opgeroepen. In het kader van dit onderzoek is [eiser] vervolgens ook gehoord, evenals [c], [a] en [b]. Op 10 september 2003 is het rapport betreffende het intern onderzoek uitgebracht.
In dit rapport staat onder meer opgenomen:
'De onrust die is veroorzaakt door de handelswijze/gedrag van werknemer [eiser] kan worden bestempeld, als niet te tolereren. [eiser] probeert ten koste van alles zijn gelijk te krijgen. [eiser] is zich er kennelijk niet van bewust dat hij degene is die het vuurtje heeft doen ontstaan en aangewakkerd. Onderling op de afdeling/werkvloer is men bang dat vanuit de hoek [eiser] repressailes zullen komen. Het is onverantwoord om de situatie op de werkvloer te laten bestaan zoals die was voor het incident, maw [eiser] dient in het belang van de rust/sfeer op de werkvloer niet terug te keren naar zijn oude afdeling.'
2.8. KPN heeft [eiser] bij brief van 8 september 2003 medegedeeld dat de schorsing per 3 september 2003 wordt beëindigd en dat hij gezien de verstoorde werksfeer met de collega's op de werkvloer naar Zwolle wordt overgeplaatst, bij de afdeling Monteursingang. Nadat [eiser] in Zwolle zijn werkzaamheden had hervat, wist men daar niet wat men 'met hem aan moest'. [eiser] heeft zich hierna per 15 september 2003 ziek gemeld.
2.9. De bedrijfsarts van KPN heeft bij brief aan KPN van 14 oktober 2003 onder meer gemeld:
'Ik heb de dag nadat betrokkene bij mij geweest is, een kortdurend telefonisch onderhoud met [d], waarin ik aangegeven heb dat ik de heer H. [eiser] momenteel arbeidsongeschikt acht, dat ik vind dat dat tijdelijk is, en secundair aan het arbeidsconflict dat onmiskenbaar bestaat.
Ik heb mede n.a.v. het eerder genoemd mailtje, vandaag nog eens telefonisch overleg met [d], en bovenstaande onderstreept. Dus aangegeven dat er primair sprake is van een arbeidsconflict, maar dat daartoe het aan te bevelen is een conflictbemiddeling aan te gaan. Deze bemiddeling moet tenminste gericht zijn op het herstel van vertrouwen tussen KPN en betrokkene (wederzijds), waarna afgesproken kan worden aan welke voorwaarden de werkrelatie moet voldoen.'
2.10. Op 22 oktober 2003 heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat [eiser] als gevolg van een geagiteerde stemmingsstoornis niet in staat is om te werken. Evenmin is [eiser] volgens de bedrijfsarts redelijkerwijs in staat om aan conflictbemiddeling te werken, voordat de agitatie en de stemmingsstoornis onder controle zijn. Op 12 november 2003 heeft de bedrijfsarts medegedeeld dat de heer [psycholoog], een psycholoog bij wie [eiser] onder behandeling is, zal aangeven wanneer [eiser] in staat is mee te werken aan conflictbemiddeling.
2.11. Behandelend psycholoog [psycholoog] heeft de bedrijfsarts bij brief van 8 juni 2004 bericht:
'De heer [eiser] lijdt aan een al jaren bestaande recidiverende depressieve stoornis, met angst en paniekklachten, die in remissie was toen hij werd geconfronteerd met de problemen op zijn werk en toen opnieuw in volle ernst optrad. Hij ervoer de behandeling door zijn manager als een enorme vernedering en de woede daarover kon hij niet integreren met als gevolg suïcidale neigingen en een paranoïde instelling t.o.v. alles wat met K.P.N. te maken had. Daarnaast namen de angst- en paniekklachten in ernstige mate toe zich uitend o.a. in fobische reacties en ernstige concentratiestoornissen. Naast dit alles trad ook nog een vaatstoornis in de vorm van een TIA op die zijn mogelijkheden tot integratie verminderden. Als gevolg van dit alles begon de heer [eiser] periodiek grote hoeveelheden alcohol te consumeren als een vorm van zelfsedatie. De premorbide persoonlijkheid van de heer [eiser] is te kenschetsen als narcistisch kwetsbaar als gevolg van een jeugd met affectieve tekorten als gevolg waarvan hij een façade van de alles kunnende vlotte jongen aannam. (…)De prognose lijkt mij niet gunstig als aan de situatie die nu bestaat niet snel een einde wordt gemaakt en een oplossing wordt gevonden die op bevredigende wijze een einde maakt aan de relatie van de heer [eiser] met KPN.'
2.12. [eiser] heeft in juni 2004 een herkeuring in het kader van de WAO aangevraagd bij het UWV. Het UWV heeft KPN in dat kader verzocht om een plan van aanpak toe te zenden. KPN heeft hieraan niet kunnen voldoen, nu het opstellen van een plan van aanpak niet mogelijk was doordat [eiser] niet in staat was om contact met KPN te hebben.
2.13. Op 1 oktober 2005 was [eiser] twee jaar onafgebroken arbeidsongeschikt en is de loondoorbetalingsverplichting voor KPN geëindigd. KPN heeft vervolgens op 2 januari 2006 aan het CWI verzocht om een ontslagvergunning voor [eiser] af te geven. Bij beslissing van 2 februari 2006 heeft KPN de ontslagvergunning verleend. KPN heeft hierna de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 1 augustus 2006.
2.14. [eiser] ontvangt thans een WAO-uitkering. Uitgaande van voortdurende arbeidsongeschiktheid ontvangt hij van KPN tot zijn 65e maandelijks een suppletie op zijn WAO-uitkering tot 70% van zijn laatstverdiende loon. Daarnaast betaalt KPN de pensioenpremie ten behoeve van [eiser] door tot zijn 65e.
2.15. De behandelend psycholoog van [eiser] heeft de gemachtigde van [eiser] bij brief van 11 oktober 2007 gemeld:
'De heer [eiser] kwam in 2001 voor burn-out klachten bij mij in behandeling. Hij was op dat moment 21 jaar in dienst bij KPN en was in die periode twee keer eerder behandeld voor deze klachten. Deze eerdere behandelingen resulteerden erin dat hij weer in staat was zijn werk op te pakken tot kennelijke tevredenheid van zijn werkgever. Ook in 2001 leidde de behandeling ertoe dat hij zijn werk weer kon hervatten nadat hij enige tijd op therapeutische basis had gewerkt en alle medewerking kreeg om in zijn eigen tempo te reïntegreren. De werkgever was dus zeer goed op de hoogte van de kwetsbare kanten van de heer [eiser]. Desondanks zijn in het jaar 2003 door het toenmalige management op ruwe wijze maatregelen tegen mijn cliënt genomen die hebben geleid tot situatieve arbeidsongeschiktheid. Ik heb geconstateerd dat de werkgever niets heeft gedaan om mijn cliënt zorgvuldig te begeleiden in deze situatie waardoor deze steeds verder afgleed naar arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zoals ik in mijn brief van 8 juni 2004 aan de bedrijfarts van Arboned noord-oost Nederland heb geschreven.'
Het standpunt van [eiser]
3.1. [eiser] stelt dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in de zin van artikel 7:681 BW. De arbeidsongeschiktheid van [eiser] is veroorzaakt door een arbeidsconflict met KPN, dat door KPN niet is opgepakt. KPN heeft haar reïntegratieverplichtingen jegens [eiser] verzaakt, zoals de mogelijkheid van externe reïntegratie. [eiser] is dan ook arbeidsongeschikt geworden en gebleven door het handelen van KPN. KPN heeft bovendien onvoldoende financiële voorzieningen getroffen ter gelegenheid van het ontslag van [eiser]. Er bestaat weliswaar een kleine financiële voorziening, maar [eiser] is als gevolg van het ontslag geconfronteerd met een inkomensachteruitgang van liefst 30%. Hij heeft hierdoor zijn woon- en leefsituatie moeten aanpassen en hij is verhuisd naar een goedkope huurwoning. Ook heeft [eiser] naar eigen zeggen altijd goed gefunctioneerd gedurende zijn dienstverband.
3.2. [eiser] vordert van KPN in verband met de kennelijke onredelijkheid van het ontslag een bedrag van (afgerond) € 120.000,- bruto. De hoogte van dit bedrag is gebaseerd op de kantonrechtersformule met als correctiefactor c = 1,75, gelet op de verwijtbaarheid aan de zijde van KPN.
Het standpunt van KPN
4.1. KPN betwist dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] werkgerelateerd is. Uit de verklaringen van de bedrijfsarts kan niet worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheid wordt veroorzaakt door een arbeidsconflict met KPN. De arbeidsongeschiktheid van [eiser] heeft te maken met zijn persoonlijkheidsstructuur en andere niet-werkgerelateerde oorzaken. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de behandelend psycholoog en de rapportages van de bedrijfsarts. Bovendien bleef [eiser] ook na de beëindiging van het dienstverband arbeidsongeschikt. Voorts kan KPN geen verwijt worden gemaakt dat zij haar reïntegratieverplichtingen jegens [eiser] niet is nagekomen. De behandelend psycholoog zou aangeven op welk moment [eiser] zich in staat achtte om aan conflictbemiddeling te werken. Een dergelijke mededeling heeft de behandelend psycholoog nimmer gedaan. Hij heeft daarentegen geadviseerd dat partijen uit elkaar moesten gaan.
4.2. Het ontstane arbeidsconflict is volgens KPN geheel aan [eiser] te wijten, althans heeft hij hier in ernstige mate aan bijgedragen. [eiser] heeft continu de confrontatie opgezocht en daarmee de samenwerkingsrelatie met zijn leidinggevende en zijn collega's onder druk gezet. Dat dit uiteindelijk tot een conflict heeft geleid, kan niet aan KPN worden verweten. Als er te dezen al een verwijt aan KPN kan worden gemaakt, dan is dit niet zodanig ernstig dat het ontslag alleen daarom al kennelijk onredelijk is.
4.3. KPN stelt voorts er wel degelijk een financiële voorziening bestaat ter gelegenheid van het ontslag van [eiser], en wel zoals hiervoor onder 2.14. omschreven.
Ten tijde van het ontslag was [eiser] al bijna drie jaar onafgebroken arbeidsongeschikt, en was reïntegratie binnen een redelijke termijn niet in zicht. KPN had dan ook een belang bij het ontslag van [eiser]. De inkomensachteruitgang van [eiser] zou ook bij in dienst blijven zijn opgetreden, nu krachtens de CAO de verplichting tot doorbetaling van loon bij ziekte na twee jaar eindigt.
4.4. Gezien het voorgaande stelt KPN dat het gegeven ontslag niet kennelijk onredelijk is. Indien de kantonrechter het ontslag nochtans als kennelijk onredelijk zou aanmerken, dan is KPN van mening dat bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding voor [eiser] de kantonrechtersformule niet als leidraad kan worden genomen.
4.5. Ten slotte betwist KPN de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.
De beoordeling van het geschil
5.1. De kantonrechter stelt het navolgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of het in het onderhavige geval gegeven ontslag als kennelijk onredelijk dient te worden aangemerkt, heeft als uitgangspunt te gelden dat aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang, beoordeeld moet worden of, mede in aanmerking de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging (zie HR 3 december 2004, NJ 2005, 119). Algemene omstandigheden zijn de duur van het dienstverband, de leeftijd van de betrokken werknemer en de kansen van de werknemer op het vinden van ander werk. Specifieke omstandigheden bij arbeidsongeschiktheid zijn (1) de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk, (2) de mate waarin de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van de arbeidsongeschiktheid, (3) de manier waarop de werkgever is omgegaan met de arbeidsongeschiktheid, met name ten aanzien van zijn reïntegratieverplichtingen en (4) de financiële compensatie tijdens de arbeidsongeschiktheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van de kennelijke onredelijkheid van een ontslag rusten op de werknemer (zie HR 17 december 1999, JAR 2000/29).
5.2. Het enkele feit dat er geen vergoeding is aangeboden, maakt een gegeven ontslag nog niet kennelijk onredelijk, ook niet indien het een ontslag wegens arbeidsongeschiktheid betreft van een werknemer met een lang dienstverband. Voor het aannemen van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag zijn in een dergelijk geval bijkomende omstandigheden nodig die van dien aard zijn dat de werkgever in redelijkheid niet tot ontslag had kunnen en mogen overgaan. Daarnaast merkt de kantonrechter nog op dat, indien een ontslag als kennelijk onredelijk dient te worden beschouwd, bij de bepaling van de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding niet naar analogie de kantonrechtersformule als maatstaf dient te worden gehanteerd, zoals door [eiser] is bepleit. De kantonrechtersformule maakt deel uit van een aantal aanbevelingen dat door de Kring van Kantonrechters is opgesteld voor procedures ex artikel 7:685 BW. Deze aanbevelingen zijn derhalve niet geschreven voor de vaststelling van een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ex artikel 7:681 BW. De kantonrechter acht in dit verband in het bijzonder van belang dat bij toewijzing van een ontbindingsverzoek de arbeidsovereenkomst reeds kort na indiening van het verzoek eindigt; in het geval van een procedure bij de CWI is de behandelingsduur in de regel langer en moet de werkgever bovendien na de verlening van de ontslagvergunning nog een opzegtermijn in acht nemen; verder kan bij een ontbindingsprocedure het verzoek worden ingetrokken als de werkgever de vergoeding te hoog vindt.
5.3. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] zijn vordering heeft gegrond op de stelling dat hij geheel door toedoen van KPN arbeidsongeschikt is geworden en gebleven.
Gelet op de psychische predispositie van [eiser] -met name blijkend uit de brieven van zijn behandelend psycholoog van 8 juni 2004 en 11 oktober 2007- acht de kantonrechter dit niet op voorhand aannemelijk. De kantonrechter wil echter wel aannemen dat de gang van zaken rondom de schorsing van [eiser] in augustus 2003 in enigerlei mate heeft bijgedragen aan de ziekmelding van [eiser] per 15 september 2003. Daartoe overweegt zij het volgende.
De kantonrechter meent dat KPN voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat omstreeks augustus 2003 de houding en het gedrag van [eiser] op het gebied van ziekmelding, alsmede de bejegening van leidinggevenden en (vrouwelijke) collega's zodanig waren, dat het nemen van disciplinaire maatregelen jegens [eiser] noodzakelijk was om aan deze situatie een einde te maken.
De wijze waarop KPN vervolgens vorm heeft gegeven aan deze disciplinaire maatregelen, dient naar het oordeel van de kantonrechter evenwel als niet-passend te worden aangemerkt. Mede gelet op het langdurige dienstverband van [eiser], had KPN [eiser] 's morgens vroeg bij aankomst op zijn werk niet moeten confronteren met een schorsingsbrief, een reeds leeggeruimde werkplek en met een verbod het gebouw van KPN te betreden.
Van KPN had als professioneel werkgever verwacht mogen worden dat zij [eiser] van tevoren had uitgenodigd voor een gesprek omtrent zijn functioneren, in welk gesprek zij dan het voornemen c.q. de mededeling tot schorsing aan de orde had kunnen stellen. Nu heeft KPN in feite een 'overvaltactiek' gehanteerd, waarvan mag worden aangenomen dat deze een aanzienlijke psychische impact op [eiser] heeft gehad. Ook de wijze waarop KPN de gronden voor de schorsing aan [eiser] heeft medegedeeld, verdient geen schoonheidsprijs. Niet gebleken is dat aan hem op 15 augustus 2003 mondeling de precieze beweegredenen voor de schorsing zijn medegedeeld, terwijl de brief waarin KPN de schorsing heeft medegedeeld, niet anders dan als vaag kan worden bestempeld. In deze brief zijn de precieze redenen voor de schorsing immers niet terug te vinden. KPN had wellicht ook kunnen volstaan met een minder zwaar middel dan een schorsing, in afwachting van de resultaten van het nog uit te voeren onderzoek, en daarna disciplinaire maatregelen jegens [eiser] kunnen nemen.
5.4. Hoewel er van uit wordt gegaan dat de bovenomschreven, aan KPN toe te rekenen, handelwijze heeft bijgedragen aan de ziekmelding van [eiser] op 15 september 2003, acht de kantonrechter anderzijds, gelet op de hiervoor genoemde psychische predispositie van [eiser], niet aannemelijk dat het voortduren van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] ook als gevolg van de eerdergenoemde handelwijze van KPN moet worden aangemerkt.
De kantonrechter is met KPN van oordeel dat de oorzaak van het voortduren van de arbeidsongeschiktheid van [eiser] moet worden gezocht in de persoonlijkheidsstructuur van [eiser], ten gevolge waarvan hij psychisch niet met de ontstane situatie heeft kunnen omgaan. Dit is echter een omstandigheid die, hoe vervelend ook voor [eiser], in zijn eigen risicosfeer ligt. De kantonrechter verwerpt voorts het betoog van [eiser] dat KPN haar reïntegratieverplichtingen jegens hem heeft verzaakt. KPN heeft onweersproken gesteld dat de behandelend psycholoog van [eiser] zou aangeven wanneer [eiser] zich in staat voelde om aan conflictbemiddeling deel te nemen, als onderdeel van zijn reïntegratie. Vast staat dat een zodanige mededeling nimmer is gedaan door de behandelend psycholoog. Integendeel, reeds in juni 2004 heeft laatstgenoemde aangegeven dat het uiteengaan van partijen de beste oplossing voor het conflict zou zijn. In dat licht bezien acht de kantonrechter de conclusie van de behandelend psycholoog -in zijn brief van 11 oktober 2007- dat KPN zich niet om de reïntegratie van [eiser] zou hebben bekommerd, niet begrijpelijk. Voorts heeft [eiser] niet onderbouwd welke mogelijkheden voor externe reïntegratie er waren, nog daargelaten of hij psychisch daartoe wel in staat zou zijn geweest. Ten slotte stelt de kantonrechter vast dat niet gebleken is dat KPN haar financiële verplichtingen tijdens de arbeidsongeschiktheid van [eiser] niet op behoorlijke wijze is nagekomen.
5.5. Gelet op al het vorenstaande wordt geoordeeld dat KPN, gezien het haar te maken verwijt ten aanzien van de schorsing, in redelijkheid niet had kunnen en mogen overgaan tot het ontslag zoals zij dat heeft gedaan. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat er sprake was van een lang dienstverband en dat, gelet op de leeftijd van [eiser], zijn arbeidsmarktkansen niet al te hoog moeten worden ingeschat. Het ontslag van [eiser] moet dan ook als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Dit rechtvaardigt de toekenning van een schadevergoeding aan [eiser]. Daarbij wordt er echter wel rekening mee gehouden dat KPN twee jaar lang het loon van [eiser] heeft doorbetaald zonder dat daar een concrete arbeidsprestatie zijnerzijds tegenover heeft gestaan en dat er een financiële voorziening ter gelegenheid van het ontslag is getroffen, hierin bestaande dat KPN een suppletie op de WAO-uitkering van [eiser] betaalt alsmede zijn pensioenpremie. Alles afwegende, acht de kantonrechter een schadevergoeding ten bedrage van € 15.000,- bruto redelijk. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
5.6. [eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. Niet gebleken is echter dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De kantonrechter zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.
5.7. KPN zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.
Beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt KPN tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ten bedrage van € 15.000,- bruto (zegge: vijftienduizend Euro);
veroordeelt KPN in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 600,00 wegens salaris en op € 283,31 wegens verschotten;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mr. G.H. Varekamp-Vos, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.
c 119