Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1245

Datum uitspraak2006-11-01
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200603394/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 13 januari 2006 heeft verweerder zijn beslissing om op 12 december 2005 bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van appellante komen.


Uitspraak

200603394/1. Datum uitspraak: 1 november 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. 1.    Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2006 heeft verweerder zijn beslissing om op 12 december 2005 bestuursdwang toe te passen ter zake van het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft verweerder beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 59,00) voor rekening van appellante komen. Bij besluit van 28 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 mei 2006, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Bij brief van 11 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Çevik, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 4.2.12, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam (hierna: APV) kan verweerder regels stellen omtrent de wijzen waarop huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden via een inzamelvoorziening op wijkniveau. Ingevolge het vierde lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze via een inzamelvoorziening op wijkniveau ter inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald. 2.2.    De toepassing van bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos met papierrestanten die is aangetroffen op de Wolphaertsbocht, ter hoogte van nummer […], te Rotterdam. Volgens verweerder is deze doos afkomstig van appellante en heeft zij die in strijd met de APV ter inzameling aangeboden. Verweerder heeft appellante als overtreder aangemerkt omdat zich in de doos een poststuk afkomstig van Zilveren Kruis Achmea met naam en adresgegevens van appellante bevond. 2.3.    Appellante voert aan dat geen sprake is van een zodanige spoedeisendheid dat direct tot toepassing van bestuursdwang moest worden overgegaan. Zij betoogt in dit verband dat door papier geen ongedierte wordt aangetrokken. Verder heeft papier volgens appellante, anders dan verweerder betoogt, geen vuilaantrekkende werking. 2.3.1.    Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, samen met het vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht behoeft belanghebbenden bij de toepassing van bestuursdwang geen termijn te worden gegund voor het zelf nemen van maatregelen ter voorkoming van de bestuursdwang, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 29 juni 2005 in zaak no. 200501053/1 (AB 2005, 248) mag verweerder zich bij handhaving van voorschriften als hier aan de orde op het standpunt stellen dat in de regel de vereiste spoed zich verzet tegen het geven van een begunstigingstermijn, gezien de mogelijke overlast en vervuiling door verspreiding van op straat geplaatste afvalstoffen als zwerfvuil. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om onverwijld over te gaan tot toepassing van bestuursdwang. 2.4.    Appellante betoogt dat zij geen overtreder is, zodat de kosten van bestuursdwang ten onrechte op haar worden verhaald. Zij voert daartoe aan dat zij een plastic tasje met papier naast de container heeft geplaatst, omdat de container vol was. Appellante stelt uit ervaring te weten dat een volle container snel geleegd wordt. Bovendien was binnen een straal van 75 meter geen andere papiercontainer aanwezig. Zij wijst in dit verband op door de gemeente gehanteerd beleid op grond waarvan, indien bovenvermelde omstandigheden zich voordoen, de kosten niet op de overtreder worden verhaald. De doos die is aangetroffen is, aldus appellante, niet door haar naast de container geplaatst. Het papier moet volgens appellante derhalve door derden in de doos zijn gedeponeerd. 2.4.1.    Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.    Naar vaste jurisprudentie is overtreder degene die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk schendt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 juni 2005 in zaak no. 200501068/1 (AB 2005, 247), zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet voor personen voor wie het op grond van door hen geleverd tegenbewijs niet aannemelijk is dat zij het te handhaven voorschrift daadwerkelijk hebben geschonden. 2.4.2.    Niet in geschil is dat appellante een plastic tasje met papier naast de container heeft geplaatst. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat de bewuste container vol was toen appellante haar plastic tasje met papier naast de container deponeerde en dat binnen een straal van 75 meter geen andere papiercontainer aanwezig was. Wat er van het betoog van appellante ook zij, de Afdeling vindt onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet bevoegd was om de kosten van de toepassing van bestuursdwang op appellante te verhalen. Verweerder heeft het tegen het besluit van 13 januari 2006 ingediende bezwaar daarom terecht ongegrond verklaard. 2.5.    Het beroep is ongegrond. 2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. TH.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen            w.g. Van der Zijpp Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006 262-415.