Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1237

Datum uitspraak2006-10-31
Datum gepubliceerd2006-11-02
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6396 WWB, 05/6397 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.


Uitspraak

05/6396 WWB, 05/6397 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 september 2005, 04/3444 en 04/2628 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s- Gravenhage (hierna: College). Datum uitspraak: 31 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen 03/6395, 05/6398 tot en met 05/6400, 06/2912 en 06/5117 plaatsgevonden, op 19 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand voornoemd. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 25 augustus 2003 is appellant meegedeeld dat de eerder aan hem toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 augustus 2003 is stopgezet op de grond dat hij het inlichtingenformulier (over de maand juli 2003) niet heeft ingeleverd. Bij datzelfde besluit is appellant meegedeeld dat hij tot uiterlijk de laatste dag van de maand augustus 2003 de gelegenheid had dit formulier in te dienen. Bij besluit van 1 september 2003 is de hersteltermijn nader bepaald op 14 dagen na dagtekening daarvan. Bij besluit van 16 september 2003 is de uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2003 ingetrokken. Onder verwijzing naar artikel 69, vierde lid, van de Abw is overwogen dat appellant de gegeven hersteltermijn ongebruikt heeft laten verstrijken en voorts dat van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw niet is gebleken. Het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2003 heeft het College bij besluit van 19 april 2004 ongegrond verklaard. Het door appellant tegen het besluit van 25 augustus 2003 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 8 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Appellant heeft tegen zowel het besluit van 19 april 2004 als tegen het besluit van8 juli 2004 beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beide beroepen ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het College op goede gronden het bezwaar tegen het opschortingbesluit niet-ontvankelijk heeft verklaard en of het bezwaar tegen het intrekkingbesluit terecht ongegrond is verklaard. De Raad komt aan de beantwoording van die vraag evenwel niet toe. Daartoe overweegt hij - ambtshalve - het volgende. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op 1 juni 2003 voor de duur van zes maanden voor 40 uur per week in dienst is getreden van [naam werkgever], te [vestigingsplaats]. Bij brief van 13 augustus 2003 heeft de werkgever dit dienstverband met ingang van 31 juli 2003 beëindigd. Appellant heeft zich tegen deze beëindiging verzet. Blijkens het proces-verbaal van minnelijke schikking van 18 december 2003 van de Kantonrechter te ’s-Gravenhage trekt de werkgever het ontslag op staande voet in en betaalt deze aan appellant alsnog het over de maanden augustus 2003 tot en met november 2003 verschuldigde salaris. Vaststaat voorts dat de werkgever het salaris over het genoemde tijdvak daadwerkelijk aan appellant heeft betaald. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat er sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Appellant beoogt met het hoger beroep te bewerkstelligen dat aan hem alsnog bijstand wordt toegekend over de periode van 1 augustus 2003 tot 1 december 2003. Dit resultaat kan evenwel niet worden bereikt met het onderhavige hoger beroep nu vaststaat dat appellant over dat tijdvak alsnog inkomsten heeft ontvangen, waarvan de hoogte ten minste de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm bedraagt. Het belang van het verkrijgen van een principiële uitspraak terzake van de door het College gevolgde handelwijze en de in dit geval daaraan door de rechtbank verbonden consequenties kan niet als een in rechte te honoreren belang worden aangemerkt. Nu ook anderzins niet is gebleken dat appellant belang heeft bij het namens hem ingestelde hoger beroep, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan een beoordeling van de beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraak komt de Raad dan ook niet toe. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) R.C. Visser.