
Jurisprudentie
AZ1234
Datum uitspraak2006-10-30
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/4890
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/4890
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vrijstelling en de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb; onverschoonbaar niet indienen zienswijzen. Artikel 49, lid 5, van de Woningwet laat onverlet dat uit 6:13 van de Awb dwingend volgt dat door een dergelijke belanghebbende geen (bezwaar en) beroep kan worden ingesteld tegen een vrijstellingsbesluit. Artikel 49, lid 5, van de Woningwet kan sedert de invoering van de u.o.v. kennelijk dan ook geen verdere strekking hebben dan dat (uitsluitend) degene die tijdig zienswijzen tegen een ontwerp-vrijstellingsbesluit heeft ingediend, tegen het daarop volgende definitieve besluit (opnieuw) bezwaren kan indienen en wel gelijktijdig met de eveneens aan te vechten bouwvergunning waarop de vrijstelling betrekking heeft.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 06/4890
Uitspraak van de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, verweerder,
alsmede
[A], partij ex artikel 8:26 van de Awb, te [woonplaats] (verder: vergunninghouder).
1. Procesverloop
Verweerder heeft bij besluit van 20 juni 2006, onder verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan vergunninghouder een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een dubbele garage nabij de Scherpe Hoek te Doornenburg, kadastraal bekend gemeente Doornenburg, sectie A, nummer 3013 (ged.).
Tegen dit besluit heeft verzoeker op 10 juli 2006 bezwaar gemaakt. Op 26 september 2006 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 17 oktober 2006 een verweerschrift ingezonden.
Vergunninghouder heeft op 23 oktober 2006 nadere stukken in het geding gebracht.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 oktober 2006. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. T. Akkermans, ambtenaar der gemeente. Vergunninghouder is eveneens in persoon verschenen.
2. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ter plaatse van het bouwplan vigeert het bestemmingsplan “De Kamp 1980” (verder: het bestemmingsplan). De gronden waarop de vergunde bouw betrekking heeft hebben de bestemming “Boxengarage”. Het bouwplan ziet op het realiseren van twee aaneengebouwde garages met een lengte van (elk) 7 meter en een breedte 3,50 meter. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een deel van de garages met een diepte van ca. 1 meter is gesitueerd op gronden met de bestemming “Bermen, openbaar groen of plantsoen”.
Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend ex artikel 19, derde lid, van de WRO jo. artikel 20, eerste lid onder a ten derde, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro). Hiertoe is overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb, zoals deze afdeling in werking is getreden met ingang van 1 juli 2005, op 29 maart 2006 het ontwerp-besluit tot vrijstellingverlening gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd, waarvan in het blad "het Gemeente Nieuws" in week 18 van 2006 mededeling is gedaan. Nadat hierop geen zienswijzen zijn ingekomen heeft verweerder het thans bestreden besluit tot vrijstelling en bouwvergunning genomen.
Verzoeker heeft tegen de verleende bouwvergunning op 10 juli 2006 een bezwaarschrift ingediend. Zijn bezwaren betreffen:
- de korte afstand van de geplande garages tot de bestaande bebouwing;
- de situering van de geplande garages ten opzichte van de erfafscheiding;
- de te ontstane beperking van de lichtinval in zijn bedrijfspand;
- het voorgenomen herstel van de bereikbaarheid van zijn bedrijfspand.
Tijdens de behandeling van het bezwaarschrift op 11 september 2006 heeft verzoeker zich, blijkens zijn pleitaantekeningen, uitsluitend gericht tegen de verleende vrijstelling. Kort gezegd is verzoeker, kennelijk primair, van oordeel dat niet aan de vereisten voor een vrijstelling krachtens artikel 20 van het Bro is voldaan en, mocht zulks wel het geval zijn, dat daarbij onvoldoende met zijn belangen rekening is gehouden.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (u.o.v.) en verzoeker ter zake geen zienswijze heeft ingediend, verzoeker, gelet op artikel 6:13 van de Awb, niet in zijn bezwaar tegen het vrijstellingsbesluit ontvangen kan worden. Als gevolg hiervan bestaat voor de verlening van de bouwvergunning niet langer een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44 van de Woningwet, aldus verweerder.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Artikel 19a, lid 4, van de WRO bepaalt dat op de voorbereiding van een besluit omtrent een vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Deze afdeling regelt de u.o.v. en bepaalt in artikel 3:15 van de Awb de wijze waarop zienswijzen kunnen worden ingediend. Niet gesteld of gebleken is dat de voorbereiding van de onderhavige vrijstelling heeft plaatsgevonden in strijd met een of meer van de hiervoor bedoelde voorschriften.
Ingevolge artikel 7:1, lid 1 onder d, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.
Artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat geen beroep bij de administratieve rechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb naar voren heeft gebracht.
Ingevolge artikel 49, lid 5, van de Woningwet wordt de verlening van vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft. In het onderhavige geval is de vrijstelling wél, maar de bouwvergunning niet voorbereid overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb. Tegen de bouwvergunning dient derhalve eerst bezwaar te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld.
Vaststaat dat verzoeker geen zienswijzen tegen het ontwerp-besluit tot vrijstelling heeft ingediend, omdat hij, zoals ter zitting is gebleken, de betreffende publicatie heeft gemist. Naar dezerzijds oordeel dient dit voor risico van verzoeker te blijven, waardoor artikel 6:13 van de Awb op verzoeker van toepassing is geworden. Verzoeker heeft wel (tijdig) bezwaar gemaakt tegen de bouwvergunning - en daarmee, gelet op artikel 49, lid 5, van de Woningwet, eveneens tegen de vrijstelling - maar heeft hierbij slechts grieven geuit tegen het vrijstellingsbesluit, waarbij - naar eveneens vaststaat - geen inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het ontwerp-besluit zijn aangebracht. De primaire vraag die deze procedure beheerst is derhalve of verzoeker ontvankelijk kan worden geacht in zijn bezwaren gericht tegen het vrijstellingsbesluit.
Uit de Memorie van Toelichting (MvT) bij de "Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb" (TK 2003-2004, 29 421, nr. 3, pag. 5 ev.) komt naar voren dat de wetgever in het kader van de invoering van de u.o.v. welbewust ook artikel 6:13 van de Awb heeft gewijzigd, in die zin dat hieraan is toegevoegd dat een belanghebbende, aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb te hebben ingediend, geen beroep bij de rechter kan instellen. Uit de artikelen 8:1, eerste lid, en 7:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang bezien, volgt dat in zodanig geval ook geen bezwaarschrift kan worden ingediend.
Uit de MvT (pag. 85-86) volgt echter ook dat de wetgever artikel 49, lid 5, van de Woningwet uit doelmatigheidsoverwegingen ongewijzigd in stand heeft gelaten. Dit betekent derhalve dat de beroepsgang voor de bouwvergunning onveranderd als leidend wordt aangemerkt. In de MvT wordt in dit verband het volgende overwogen:
"Aangezien op een bouwvergunning (als regel) niet de u.o.v. van toepassing is, dient alvorens beroep in te kunnen stellen eerst een bezwaarschriftprocedure te worden gevolgd ingevolge artikel 7:1 Awb. Dit geldt ingevolge artikel 49, vijfde lid, ook voor vrijstellingen die betrekking hebben op een bouwvergunning, ook al is die vrijstelling wel voorbereid met toepassing van de u.o.v., waarbij normaliter ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onder d, de bezwaarschriftprocedure buiten toepassing zou blijven".
Uit het vorenstaande moet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden afgeleid dat de bezwarenprocedure, in afwijking van artikel 7:1, lid 1 onder d, van de Awb, ingeval van vrijstellingsbesluiten als hier aan de orde weliswaar is gehandhaafd, maar niet dat, in afwijking van het bij deze wet tevens aangepaste artikel 6:13 van de Awb, ook zou zijn beoogd het recht om een bezwaarschrift tegen een vrijstellingsbesluit in te dienen toe te kennen aan degene die onverschoonbaar verzuimd heeft zienswijzen in te dienen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter laat artikel 49, lid 5, van de Woningwet dan ook onverlet dat uit 6:13 van de Awb dwingend volgt dat door een dergelijke belanghebbende geen (bezwaar en) beroep kan worden ingesteld tegen een vrijstellingsbesluit. Artikel 49, lid 5, van de Woningwet kan sedert de invoering van de u.o.v. kennelijk dan ook geen verdere strekking hebben dan dat (uitsluitend) degene die tijdig zienswijzen tegen een ontwerp-vrijstellingsbesluit heeft ingediend, tegen het daarop volgende definitieve besluit (opnieuw) bezwaren kan indienen en wel gelijktijdig met de eveneens aan te vechten bouwvergunning waarop de vrijstelling betrekking heeft.
Op grond van het vorenoverwogene moet voorshands worden geoordeeld dat de bezwaren van verzoeker tegen het vrijstellingsbesluit niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De voorzieningenrechter komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verleende vrijstelling.
Nu door verzoeker tegen de bouwvergunning als zodanig geen zelfstandige bezwaren zijn aangevoerd, leidt het zogenoemde limitatief-imperatieve stelsel van artikel 44 van de Woningwet ertoe dat na de verleende vrijstelling niet langer een weigeringsgrond voor afgifte van de bouwvergunning bestond, zodat verweerder gehouden was deze te verlenen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek.
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter,
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2006.
De griffier, De voorzieningenrechter,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Verzonden op: