Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1227

Datum uitspraak2006-09-25
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/030869-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en eenmaal aan een poging daartoe. Twee van deze incidenten werden vergezeld of gevolgd van geweld, waarbij verdachte winkelpersoneel bij de keel heeft gegrepen, heeft geknepen en geslagen en hen dingen naar het hoofd heeft gegooid. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die de gedupeerden veel schade en overlast bezorgen. Door het gebruik van geweld bij of na de diefstallen, wordt de slachtoffers pijn toegebracht en wordt het gevoel van veiligheid in de maatschappij sterk aangetast. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de Brijder verslavingszorg noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Parketnummer: [parketnummer] Uitspraakdatum: 25 september 2006 Tegenspraak VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv) Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 september 2006 in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats]. 1. Tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd wat in de dagvaarding is omschreven in dier voege dat (...) 2. Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot: - bewezenverklaring van de onder 1, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde feiten, en bewezenverklaring van feit 2 voor zover dit de goederen bij [winkel A] betreft; - vrijspraak van feit 5; - oplegging van een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar onder de bijzondere voorwaarden beschreven in het rapport van de Brijder verslavingszorg; - oplegging van een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis - onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen slagwapen en mes. 4. Bewijs 4.1 Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder 2, 4 en 5 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot vrijspraak van feit 2 omdat niet is vast komen te staan dat verdachte op of omstreeks de datum, genoemd in de tenlastelegging, in de winkel [winkel A] is geweest; aangeefster noch de getuige herkennen verdachte immers aan de hand van een aan hen getoonde foto. Voorts is ten aanzien van feit 4 uit het gebruikte wapen, een klein formaat metalen buis, niet af te leiden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op grond daarvan concludeert de rechtbank tot vrijspraak van dat feit. 4.2 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan in dier voege dat 1. zij op 25 oktober 2004 te Beverwijk op de openbare weg, de [A-straat], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje aftershave (merk Gant Soho), toebehorende aan [winkel B], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat, toen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] haar, verdachte, wilden aanspreken en in haar tas wilden kijken en haar wilden tegenhouden, zij, verdachte, die [slachtoffer 2] bij de keel heeft gegrepen en die [slachtoffer 3] in de arm heeft geknepen; 3. zij op 9 juli 2004 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid schoonmaakartikelen, aan [winkel C], voornoemde schoonmaakartikelen uit een schap heeft gepakt en in een tas heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestonden dat zij, verdachte met kracht tegen de schouder van die [slachtoffer 4] heeft geduwd en twee maal in de nek heeft geslagen en een fles Glassex tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] heeft gegooid en die [slachtoffer 4] dreigend de woorden heeft toegevoegd: “ik pak je wel” en “ik weet waar je werkt”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking; 6. (parketnummer [parketnummer]) zij op 19 juli 2005 te Heemskerk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen cakes, toebehorende aan [winkel D]; 7. (parketnummer [parketnummer]) zij op 17 januari 2006 te Beverwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een dekbedovertrekset, toebehorende aan [winkel E]. Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging. Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 5. Strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: 1. diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; 3. diefstal vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren; 6. diefstal; 7. diefstal. 6. Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 7. Motivering van de sancties en van overige beslissingen 7.1 Hoofdstraf Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Brijder verslavingszorg uitgebrachte rapport van 26 april 2006 is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en eenmaal aan een poging daartoe. Twee van deze incidenten werden vergezeld of gevolgd van geweld, waarbij verdachte winkelpersoneel bij de keel heeft gegrepen, heeft geknepen en geslagen en hen dingen naar het hoofd heeft gegooid. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die de gedupeerden veel schade en overlast bezorgen. Door het gebruik van geweld bij of na de diefstallen, wordt de slachtoffers pijn toegebracht en wordt het gevoel van veiligheid in de maatschappij sterk aangetast. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de Brijder verslavingszorg noodzakelijk. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. 7.2 Onttrekking aan het verkeer De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een slagwapen en een mes, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze goederen behoren de verdachte toe. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat deze voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan verdachte werd verdacht zijn aangetroffen, van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en kunnen dienen tot het plegen van soortgelijke feiten als waarvoor verdachte thans wordt veroordeeld. Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank er tevens rekening mee gehouden, dat verdachte heeft erkend zich te hebben schuldig gemaakt aan de strafbare feiten, opgenomen op de dagvaarding in de ter informatie bij het dossier gevoegde zaken met het parketnummer [parketnummer]. De rechtbank gaat er vanuit dat de officier van justitie verdachte hiervoor niet meer zal vervolgen. 8. Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: Wetboek van Strafrecht: 36b, 36c, 36d, 45, 57, 310, 312. 9. Beslissing De rechtbank: Spreekt verdachte vrij van de haar onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde feiten. Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4. vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 89 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar. Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien: – verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt; – verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat zij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Brijder verslavingszorg, thans in de persoon van [persoon], ook als zulks inhoudt dat: * verdachte het door de verslavingsreclassering nader geïndiceerde hulpaanbod zal accepteren en zich er actief voor zal inzetten; * verdachte deelneemt aan verdere behandeling binnen de verslavingszorg. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door 30 dagen hechtenis. Verklaart onttrokken aan het verkeer: – 1.00 stk slagwapen, kl: donkergrijs ongeveer 30 cm lang, lijkt op stofzuigerslang; – 1.00 stk mes, kl: zwart betreft een kartelmes. 9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. Kingma, voorzitter, mrs. Greuter en Minderhoud, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Alexander, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 september 2006. Mrs. Greuter en Minderhoud zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.