Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1218

Datum uitspraak2006-08-31
Datum gepubliceerd2006-11-13
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers992/04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Dat neonreclame door natrekking eigendom zou zijn geworden van verhuurder betekent nog niet dat deze verrijkt is. Ontwikkelingen na het moment van de beweerdelijke verrijking kunnen daarbij een rol spelen. Evenmin ten koste van leverancier verrijkt door overheidssubsidie.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] LICHTRECLAME B.V. (tot aan akte wijziging van eis van 3 maart 2005 abusievelijk genoemd [X] B.V.), gevestigd te [...], APPELLANTE in het principaal hoger beroep, VERWEERSTER in het incidenteel hoger beroep, procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, t e g e n de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y] B.V., gevestigd te [...], GEÏNTIMEERDE in het principaal hoger beroep, APPELLANTE in het incidenteel hoger beroep, procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna (ook) [X] en [Y] genoemd. Bij dagvaarding van 10 maart 2004 is [X] in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank te Amsterdam van 7 mei 2003 (het tussenvonnis) en 28 januari 2004 (het eindvonnis), onder rolnummer 238819 / H 02.0475 gewezen tussen [X] als eiseres en [Y] als gedaagde. [X] heeft zes grieven voorgesteld en geconcludeerd als in de desbetreffende memorie weergegeven. Daarop heeft [Y] geantwoord en harerzijds – in incidenteel hoger beroep - eveneens appel ingesteld. Daarbij heeft zij vier grieven (genummerd respectievelijk 1, 2, 2 en 3) voorgesteld, een bewijsstuk in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd als in de desbetreffende memorie weergegeven. Vervolgens heeft [Y] in het incidenteel hoger beroep geantwoord, haar eis gewijzigd, bewijs aangeboden en geconcludeerd als in de desbetreffende memorie weergegeven. Daarop is - desverzocht – aan [Y] akte verleend van haar referte ten aanzien van de wijziging van eis. Ten slotte hebben partijen recht gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd. 2. Feiten De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 1. a tot en met h een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat tussen partijen geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 3. Beoordeling 3.1.1 [X] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens akte houdende wijziging van eis in principaal appel, gesteld dat zij tot dan toe op een onjuiste naam heeft geprocedeerd. Zij heeft verzocht de vonnissen waarvan beroep, waarin zij met een onjuiste benaming is aangeduid, te vernietigen en de daarin ten gunste van haar uitgesproken veroordelingen opnieuw uit te spreken, maar nu onder haar juiste naam. [Y] heeft zich te dien aanzien gerefereerd aan het oordeel van het hof. 3.1.2 Nu de wijziging van eis slechts tot onderwerp heeft de naam waarmee appellante is aangeduid, is strikt genomen geen sprake van een eiswijziging als bedoeld in artikel 130 Rv. Mede gezien de uitkomst van het onderhavige hoger beroep en de processuele opstelling van [Y] ten aanzien van de “eiswijziging”, zal het hof de stellingen van [X] begrijpen als een verzoek tot het herstellen van een kennelijke verschrijving in de naamgeving van [X]. Geen der partijen is hierdoor in enig rechtens te respecteren belang geschaad. 3.2.1 [Y] is eigenaresse van het pand [adres] (hierna: het pand). In 1996 had zij het pand verhuurd aan Planet Hollywood Amsterdam B.V. (hierna: Planet Hollywood). [X] heeft in 1996 voor een aanneemsom van ƒ 97.600 een neon lichtreclame en neon lichtlijnen voor op en aan het pand ontworpen en vervaardigd. Zij heeft de aanneemsom aan Planet Hollywood gefactureerd. Een gedeelte van de aanneemsom groot ƒ 31.512,83 is onbetaald gebleven. Op 2 november 1999 is Planet Hollywood failliet verklaard. 3.2.2 In deze procedure vordert [X] veroordeling van [Y] om voormeld restantbedrag, te vermeerderen met rente en kosten, aan haar te betalen. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat [Y] (naast Planet Hollywood) als (mede-)opdrachtgeefster heeft te gelden, subsidiair dat [Y] door de werkzaamheden ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [X]. Die verrijking heeft, aldus [X], erin bestaan dat [Y] voordeel heeft getrokken uit de vergrote naamsbekendheid en verhuurbaarheid van het pand ten gevolge van de lichtreclame, alsmede doordat [Y] overheidssubsidie heeft ontvangen voor het aanbrengen van de lichtobjecten. 3.2.3 De rechtbank heeft de primaire grondslag verworpen. Ook de stelling dat [Y] door het aanbrengen van de lichtobjecten is verrijkt heeft de rechtbank verworpen. Tegen deze overwegingen zijn de grieven in het principaal appel in hoofdzaak gericht. 3.2.4 De rechtbank heeft geoordeeld dat [Y] wel ongerechtvaardigd is verrijkt doordat zij in verband met het aanbrengen van de lichtobjecten subsidie heeft ontvangen. In zoverre heeft de rechtbank de vordering ook toegewezen. Tegen deze overwegingen en veroordeling zijn de grieven in het incidenteel appel in hoofdzaak gericht. Contractuele grondslag 3.3.1 Haar stelling in de eerste grief in het principaal appel dat [Y] als (mede-)opdrachtgeefster heeft te gelden en mitsdien contractueel gehouden is, [X] de restant-aanneemsom te voldoen, baseert zij op de navolgende feiten en omstandigheden: Bij alle bouwvergaderingen over de restauratie en verbouwingen was [Y] prominent aanwezig en gedroeg zij zich als opdrachtgever. [Y] staat als opdrachtgever aangemerkt in de notulen, de architect van [Y] had namens [Y] de leiding bij de bouwvergadering. [Y] besliste (mede) over de inhoud, vorm, prijs en timing van het door [X] te verrichten werk, de offerte moest worden uitgebracht aan (de architect van) [Y], de facturen moesten worden gestuurd aan het adres van de projectcoördinator van [Y], [Y] is eigenaresse van het pand. [Y] is eindverantwoordelijke ten opzichte van de gemeente Amsterdam en Monumentenzorg met betrekking tot het aangezicht van het pand en de daarop aangebrachte objecten, en [Y] erkent in de bouwvergaderingen de rol van opdrachtgever te hebben gespeeld, terwijl zij destijds niet aan [X] op wat voor manier dan ook te kennen heeft gegeven dat die rol van opdrachtgever niet ten opzichte van [X] zou hebben te gelden. 3.3.2 Deze feiten en omstandigheden zijn evenwel, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, ontoereikend om tot de conclusie te komen dat [Y] als opdrachtgeefster heeft te gelden. Daarbij is mede van belang dat niet in geschil is dat de opdracht schriftelijk aan [X] is verstrekt door de ondertekening van de desbetreffende offerte door de heer Colin Eastwick van Planet Hollywood en dat de lichtreclame ten doel had de naamsbekendheid van Planet Hollywood bij het publiek onder de aandacht te brengen. Dat [Y] en door haar ingeschakelde derden bij de verbouwing van het pand betrokken zijn geweest wordt voldoende verklaard door haar positie als eigenaresse van het pand en daaruit kan dan ook niet worden afgeleid dat zij, als (mede-)opdrachtgeefster, de verplichtingen die de overeenkomst met [X] voor Planet Hollywood meebracht, als eigen verplichtingen heeft willen aanvaarden. [X] heeft dit dan ook niet redelijkerwijs uit de verklaringen en gedragingen van [X] mogen afleiden en de grief faalt. Ongerechtvaardigde verrijking 3.4.1 Met de grieven twee tot en met vier in het principaal appel betoogt [X] met verschillende argumenten dat [Y] is verrijkt doordat “de waarde van de aangebrachte objecten in haar vermogen is gevloeid door natrekking”. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard. Dat de objecten (naar [X] stelt) door natrekking eigendom zijn geworden van [Y] betekent immers nog niet dat [Y] “verrijkt” is. Dat is in het bijzonder niet vanzelfsprekend in gevallen als het onderhavige, waarin het gaat om reclame-uitingen ten behoeve van de exploitant van een onderneming in het gebouw. Dat de reclame-uitingen ten behoeve van de naam “Planet Hollywood” voor [Y] enige rechtens relevante waarde hebben gehad, heeft [X] onvoldoende feitelijk onderbouwd. Dit geldt temeer in het licht van het verweer van [Y], dat het pand na het faillissement van Planet Hollywood geruime tijd heeft leeggestaan, dat ook een huurder, die in het pand een “Planet café” heeft geëxploiteerd, na betrekkelijk korte tijd is gefailleerd en dat zij de lichtobjecten van het pand heeft verwijderd. Weliswaar moet voor de vraag of [Y] is verrijkt worden uitgegaan van het moment van de beweerdelijke verrijking, maar bij de beantwoording van die vraag kunnen ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan een rol spelen. Opmerking verdient nog dat voormelde verweer van [Y] bij memorie van antwoord in principaal appel is ingenomen en dat [X] daarop dus in beginsel niet meer heeft kunnen reageren. Nu [X] echter de memorie van antwoord in incidenteel appel mede heeft benut voor uitgebreide bespiegelingen omtrent het principaal appel en daarbij de voormelde stellingen van [Y] niet heeft weersproken, zal het hof ze als tussen partijen vaststaand beschouwen. 3.4.2 Het vorengaande brengt mee dat de grieven twee tot en met vier in het principaal appel niet opgaan. 3.4.3 De grieven in incidenteel appel bestrijden het oordeel van de rechtbank dat [Y] ten koste van [X] door de subsidie, die zij van overheidswege heeft ontvangen wegens het aanbrengen van de lichtobjecten, is verrijkt. De grieven zijn in zoverre terecht voorgesteld. Tussen het leveren van de lichtobjecten door [X] aan Planet Hollywood en het ontvangen van de subsidie door [Y] bestaat immers onvoldoende verband. Deze is krachtens een eigen recht van [Y] aangevraagd en op de wet gebaseerd. [X] is door de subsidieverlening bovendien niet verarmd. 3.5 De vijfde grief in het principaal appel heeft betrekking op de proceskosten en, gezien het vorenoverwogene, geen zelfstandige betekenis. 3.6 Met grief zes in het principaal appel betoogt [X], kort weergegeven, dat [Y] de lichtobjecten aan haar had moeten retourneren op grond van het door [X] gemaakte eigendomsvoorbehoud. De grief strandt reeds op de eigen stelling van [X] dat [Y] door natrekking eigenaar is geworden van de lichtobjecten, hetgeen meebrengt dat het eigendomsvoorbehoud van [X], wat daar verder van zij, krachteloos is geworden. 3.7 [X] heeft bewijs aangeboden, maar nu dit aanbod niet is betrokken op voldoende concrete feitelijke stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, wordt het gepasseerd. 4. Slotsom Het principaal appel strandt, terwijl het incidenteel appel slaagt. Het eindvonnis zal worden vernietigd voor zover [Y] daarin is veroordeeld tot betaling aan [X] van enig bedrag. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij dient [X] de kosten van het principaal én incidenteel hoger beroep te dragen. 5. Beslissing Het hof: vernietigt het eindvonnis voor zover [Y] daarin is veroordeeld tot betaling aan [X] van € 558,63 met rente en doet in zoverre opnieuw recht: wijst de vordering van [X] alsnog af; bekrachtigt de bestreden vonnissen voor het overige; verwijst [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, zowel in principaal als in incidenteel appel, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 493,- aan verschotten en € 1.341,- aan salaris; verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. L.C. Heuveling van Beek, M.C.M. van Dijk en P.C. Römer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 augustus 2006.