
Jurisprudentie
AZ1216
Datum uitspraak2006-08-29
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRoermond
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/38733
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRoermond
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/38733
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bewaring / rechtmatigheid / onvolledige aanvraag.
De rechtbank acht de maatregel van bewaring onrechtmatig, omdat verweerder een aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning vanwege schrijnendheid nimmer in behandeling heeft genomen en zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake was van een aanvraag respectievelijk geen volledige aanvraag. De rechtbank acht wel een aanvraag aanwezig, zij het een onvolledige. Nu verweerder eiser nimmer in de gelegenheid heeft gesteld die aanvraag te completeren, wordt voortzetting van de bewaring na het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:5 Awb onrechtmatig geacht. Bij uitspraak 200606530/1 van 5 oktober 2006 heeft de Afdeling het tegen de uitspraak van de rechtbank door de minister ingestelde beroep gegrond geacht, omdat de rechtbank buiten de grenzen van het geding is getreden door artikel 4:5 Awb ambtshalve te toetsen. Voormelde bepaling behelst echter, aldus de Afdeling, geen voorschrift van openbare orde. Beroep gegrond, toewijzing schadevergoeding.
Uitspraak
RECHTBANK ’S GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Vreemdelingenkamer
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
Proc.nr. : AWB 06/38733
Inzake : [eiser],
volgens zijn verklaring geboren op [geboortedatum] 1966 en van Algerijnse nationaliteit, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg,
hierna te noemen: eiser,
gemachtigde mr. S.A.M. Fikken, advocaat te Made,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te
’s-Gravenhage, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Op 8 augustus 2006 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Bij beroepschrift van 10 augustus 2006, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, is namens eiser beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.
Bij fax van 22 augustus 2006 zijn door eiser nadere stukken overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2006 alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw G.I. Ramsaroep.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.
Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser geen onrechtmatig verblijf in Nederland kan worden verweten. Eiser heeft namelijk een aanvraag tot verblijf ingevolge artikel 14 van de Vw 2000 ingediend op 5 augustus 2005.
Op deze aanvraag is nog niet beslist. In afwachting van de beslissing heeft eiser rechtmatig verblijf, zoals ook is gesteld in de brief van mr. J.P.H. Thissen van 5 augustus 2005.
De aanvraag tot verblijf is reeds in augustus 2005 ingediend en niet pas nadat eiser in bewaring is gesteld. Een beroep op artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 gaat in deze dan niet op, aangezien de termijn waarin had moeten zijn beslist inmiddels is verlopen. Eiser verzoekt dan ook de bewaring op te heffen.
Verweerder heeft gesteld dat het verzoek door verweerder weliswaar is ontvangen in augustus 2005, maar dat er sprake is van een onvolledige aanvraag, die, zo begrijpt de rechtbank op grond van de jurisprudentie waarnaar verweerders gemachtigde ter zitting heeft verwezen, niet via het voorgeschreven formulier is ingediend. Verweerder heeft gesteld dat de aanvraag onvolledig is, en er dan ook geen sprake kan zijn van rechtmatig verblijf. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), gepubliceerd onder de nummers JV 2003/218, JV 2003/484 en de zaak met het kenmerk 200407890 (gepubliceerd in JV 2005, 51).
Mocht de rechtbank evenwel van oordeel zijn dat de aanvraag wel voldoet aan alle eisen, dan beroept verweerder zich op het bepaalde in artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vw 2000.
De rechtbank overweegt als volgt.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op 5 augustus 2005 een verzoek tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 vanwege klemmende redenen van humanitaire aard heeft ingediend. Tevens is in die brief een beroep gedaan op ‘’de speciale pardon regeling voor asielzoekers”.
De rechtbank is van oordeel dat het schrijven van 5 augustus 2005 van eisers toenmalige gemachtigde dient te worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Ingevolge de artikelen 23 en 36 van de Vw 2000, voorzover thans van belang, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in afwijking van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Uit de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 23 en 36 van de Vw 2000 blijkt dat de wetgever met deze bepalingen heeft beoogd af te wijken van het bepaalde bij artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Gelet hierop moet het bij deze bepalingen gestelde vereiste dat de aanvraag wordt ingediend door de vreemdeling of zijn wettelijke vertegenwoordiger, worden begrepen als vereiste dat ziet op de wijze van indiening. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2005 (JB 2005, 288). Derhalve merkt de rechtbank het schrijven van de toenmalige gemachtigde van eiser van 5 augustus 2005 aan als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 van de Awb nu in die brief uitdrukkelijk wordt gevraagd om verlening van een reguliere verblijfsvergunning aan eiser.
Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2003, JV 2003/484 is er echter eerst sprake van een aanvraag in de zin van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als aan alle formaliteiten van -onder meer artikel 3.99 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) is voldaan. Eerst als er een dergelijke complete aanvraag in de zin van de Vw 2000 ligt, gaat de termijn van het vierde lid van artikel 59 van de Vw 2000 lopen. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank ten opzichte van het bepaalde in - onder meer- artikel 8, eerste lid, aanhef en onder van de Vw 2000 en artikel 3.1 van het Vb 2000. Dit maakt dat een onvolledige aanvraag geen rechtmatig verblijf oplevert en dat aan de aanvraag geen schorsende werking toekomt alsmede dat de fatale termijn ex artikel 59, vierde lid, van de Vw 2000 geen aanvang neemt. Het vorenstaande betekent dat de bewaringsmaatregel op een juiste grondslag berust. Eiser heeft op basis van zijn onvolledige aanvraag geen rechtmatig verblijf.
Het vorenstaande laat evenwel onverlet dat verweerder eiser, voor zover de aanvraag niet voldeed aan de daaraan ingevolge de Vw 2000 en het Vb 2000 gestelde eisen, gelet op artikel 4:5 van de Awb en gezien de in acht te nemen voortvarendheid, binnen een redelijke termijn in de gelegenheid had moeten stellen eventuele verzuimen te herstellen.
De rechtbank is van oordeel dat de in acht te nemen redelijke termijn voor het laten herstellen van de verzuimen inmiddels zijn verstreken. Een belangenweging brengt naar dezerzijds oordeel met zich dat voortzetting van de bewaring na het verstrijken van de met toepassing van artikel 4:5 van de Awb als redelijk aan te merken termijn, nu verweerder geen bijzondere belangen daartegenover heeft gesteld, voor onrechtmatig dient te worden gehouden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat indien voor verweerder niet aldus op de hiervoor aangegeven wijze een gehoudenheid tot het laten aanvullen van een onvolledige aanvraag zou ontstaan, verweerder het in eigen hand zou hebben om een onvolledige aanvraag “te parkeren” tot na een eventuele uitzetting van de betrokkene, nu immers de bij wet geregelde fatale termijn van artikel 59, eerste lid onder b, juncto het vierde lid, van voormeld artikel van de Vw 2000 geen aanvang neemt. De in de hiervoor aangegeven zin als redelijk aan te merken termijn was naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de datum van voormelde aanvraag (5 augustus 2005) evident verstreken op de datum van de inbewaringstelling (8 augustus 2006).
Het ingestelde beroep is derhalve gegrond en de bewaring dient te worden opgeheven.
Nu het voorgaande reeds tot opheffing van de bewaring leidt en de onrechtmatigheid van de bewaring is geconstateerd op de vroegst mogelijke datum, behoeft hetgeen overigens door de gemachtigde van eiser is aangevoerd geen bespreking.
Eiser komt in beginsel over de periode van 8 augustus 2006 tot en met 28 augustus 2006 schadevergoeding toe.
Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,-- voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,-- voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.
In totaal bedraagt de schadevergoeding 2 x € 95,-- en 18 x € 70,-- is € 1450,--.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 644,-- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
* 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;
* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
* waarde per punt € 322,--;
* wegingsfactor 1.
Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 29 augustus 2006;
wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1450,--;
bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,--, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier.
Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels, in tegenwoordigheid van P. van Kaam-Wolfswinkel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2006.
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1450,-- (ZEGGE; EENDUIZENDVIERHONDERDENVIJFITG EURO)
Aldus gedaan op 29 augustus 2006 door mr. F.H. Machiels.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
Hoger beroep vreemdelingenzaken
Postbus 16113
2500 BC ’s-Gravenhage
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.
Afschrift verzonden: 29 augustus 2006