
Jurisprudentie
AZ1214
Datum uitspraak2006-08-31
Datum gepubliceerd2006-11-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1399/04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1399/04
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen aanvulling pensioenverzekering ‘omgekeerde grensarbeider’. Bindend advies is slechts te bestrijden als gebondenheid in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST
in de zaak van:
de stichting STICHTING FINANCIERING VOORTZETTING PENSIOENVERZEKERING,
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
procureur: mr. G.W. Kernkamp,
t e g e n
[X],
wonend te [...],
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna FVP en [X] genoemd.
Bij dagvaarding van 16 juli 2004 is FVP in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 18 mei 2004, onder rolnummer CV 03-22366 gewezen tussen [X] als eiser en FVP als gedaagde.
Bij memorie van grieven heeft FVP drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd als in die memorie verwoord.
Bij memorie van antwoord heeft [X] de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd als in die memorie vermeld.
Vervolgens hebben partijen de zaak ter terechtzitting van het hof op 15 februari 2005 doen bepleiten, FVP door mrs. E. Steyger en L.M.A. van Wijngaarden-Gooijer, advocaten te Den Haag), [X] door mr. M.M.J.P. Penners, advocaat te Geleen, allen aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.
2. Grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.
3. Feiten
3.1 De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep onder 1 (1.1 t/m 1.7) een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daarover bestaat geen geschil, zodat die feiten ook het hof tot uitgangspunt dienen.
4. Beoordeling
4.1 Als enerzijds gesteld, anderzijds niet (langer) voldoende gemotiveerd weersproken dan wel gestaafd door de in zoverre niet bestreden inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat in deze zaak het navolgende vast.
(i) FVP is in haar huidige privaatrechtelijke vorm in 1998 in het leven geroepen bij de Wet privatisering FVP (Stb. 1998, 457). Haar activiteiten zijn vastgelegd in het op 1 januari 1999 in werking getreden Reglement bijdrage voortzetting pensioenopbouw bij werkloosheid 1999 (hierna: Bijdragereglement 1999). Tot deze activiteiten behoort het beheren van het vermogen waaruit bijdragen worden betaald voor aanvulling van de pensioenverzekering aan werklozen in de zin van de Werkloosheidswet van 40 jaar en ouder.
(ii) [X] is laatstelijk in dienst geweest van de Duitse onderneming [...] te [...] (Duitsland). Zijn pensioen was verzekerd bij het Duitse pensioenfonds Landesversicherungsanstalt Rheinprovinz. Op 31 maart 2000 is hij werkloos geworden.
(iii) Op 31 augustus 2000 heeft [X] bij FVP een aanvraag ingediend voor een FVP-bijdrage ten behoeve van de voortzetting van zijn pensioenopbouw gedurende zijn werkloosheid. FVP heeft deze aanvraag bij brief van 15 september 2000 afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [X] bij brief van een gemachtigde van 10 oktober 2000 bezwaar aangetekend, welk bezwaar vervolgens bij brief van 8 november 2000 is onderbouwd. Bij brief van 29 november 2000 heeft FVP laten weten geen aanleiding te zien op haar beslissing de FVP-bijdrage te weigeren terug te komen.
(iv) Bij brief van 9 januari 2001 heeft [X] zich ter zake van deze beslissing gewend tot de Geschillencommissie die het bestuur van FVP heeft ingesteld bij het zogenaamde Reglement van Geschillen en Klachten (hierna: het reglement).
(v) Bij vonnis van 3 januari 2001 heeft de kantonrechter te Amsterdam in een soortgelijke zaak als die thans voorligt, welke tegen FVP aanhangig was gemaakt door een zekere [Y], beslist dat FVP de aanvraag van een FVP-bijdrage had dienen te honoreren. Tegen deze beslissing (en het in die zaak gewezen tussenvonnis van 4 oktober 2000) heeft FVP hoger beroep ingesteld.
(vi) Bij brief van 27 februari 2001 heeft het secretariaat van de Geschillencommissie onder meer het volgende aan de raadsman van [X] geschreven:
“Het door u aangekaarte onderwerp (wonen in Nederland, aanvullende pensioenopbouw in buitenland) is momenteel inzet van een gerechtelijke procedure. Het secretariaat zal de Geschillencommissie in overweging geven haar oordeel aan te houden totdat in de genoemde procedure onherroepelijk is beslist.”
(vii) Bij brief van 16 juli 2001 heeft het secretariaat van de Geschillencommissie de raadsman van [X] bericht dat daartoe daadwerkelijk was beslist en daarbij laten weten:
“Zodra in bedoelde gerechtelijke procedure onherroepelijk is besloten en de geschillencommissie de behandeling van het geschil van de heer [X] weer ter hand neemt, ontvangt u van ons bericht.”
(viii) Bij brief van 15 maart 2002 heeft de raadsman van [X] de beslissing van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak [Y] onder de aandacht van de Geschillencommissie gebracht met – voor zover van belang – de volgende tekst:
“Kliënt stelde mij de bijgevoegde uitspraak van d.d. 3 januari 2001 van het Kantongerecht te Amsterdam ter hand. Kliënt doet eveneens een beroep op de inhoud van deze zaak en beschouwt deze als volledig herhaald en ingelast in de onderhavige procedure. Ik moge u dan ook verzoeken deze stukken aan uw dossier toe te voegen, waarvoor mijn dank.”
(ix) Naar aanleiding hiervan heeft het secretariaat van de Geschillencommissie de raadsman van [X] bij brief van 19 maart 2002 het volgende laten weten:
“Ik heb uw twee faxen van 15 maart jongstleden in goede orde ontvangen en voeg deze toe aan het dossier van de heer [X]. Op moment dat er definitief uitspraak is in een lopende procedure over dit onderwerp (omgekeerde grensarbeider) worden de door u bij de geschillencommissie aangekaarte beslissingen van de Stichting FVP opnieuw beoordeeld.”
(x) Bij vonnis in hoger beroep van 13 november 2002 heeft de rechtbank te Amsterdam in de zaak [Y] het vonnis van de kantonrechter van 3 januari 2001 vernietigd en de vordering van [Y] alsnog afgewezen.
(xi) Op 14 maart 2003 - nadat dat vonnis van de rechtbank Amsterdam in kracht van gewijsde was gegaan - heeft de Geschillencommissie in de zaak van [X] het bezwaar tegen de beslissing van FVP van 29 november 2000 ongegrond verklaard. Ter onderbouwing van deze beslissing heeft zij het volgende overwogen:
“Voorwaarde voor het recht op FVP-bijdrage is dat in de laatste dienstbetrekking voorafgaand aan de werkloosheid sprake was van een pensioenvoorziening. Die pensioenvoorziening dient conform artikel 1, onderdeel 1 jo. artikel 1, onderdeel c, Bijdrage-reglement 1999 te worden uitgevoerd door een onder toezicht van de Nederlandse Pensioen- & Verzekeringskamer staande pensioenuitvoerder.
De heer [X] was ten tijde van zijn aanvraag om een werkloosheidsuitkering woonachtig in Nederland. Voorafgaand aan de werkloosheid werkte hij in Duitsland (en was via die dienstbetrekking voor pensioen verzekerd bij een Duits pensioenfonds.
De commissie is van mening dat de heer [X] niet voldoet aan de voorwaarden voor het recht op FVP-bijdrage en ziet zich daarin bevestigd door de Arrondissementsrechtbank Amsterdam d.d. 13 november 2002, nr. H. 01.1306. De uitspraak betreft het hoger beroep op de door u bij brief van 15 maart 2002 overgelegde uitspraak van de Kantonrechter te Amsterdam ([Y]-FVP, 3 januari 2001, nr. 00-4883). Nu een onherroepelijk uitspraak voorligt in een casus die materieel gelijk is aan de door u voorgelegde problematiek inzake de heer [X], verwijst de commissie voor de overwegingen die leiden tot de afwijzing van de aanvaag van de FVP-bijdrage naar de uitspraak van 13 november 2002. De overwegingen in de uitspraak van 13 november 2002 worden door de commissie overgenomen en hier herhaald en ingelast. De uitspraak is als bijlage bijgevoegd.”
Deze beslissing is 23 mei 2003 naar [X] gezonden.
4.2 In deze procedure vordert [X] – naar het hof begrijpt - vernietiging van de uitspraak van de Geschillencommissie en veroordeling van FVP tot het honoreren van zijn aanvraag FVP-bijdrage van 31 augustus 2000, [de desbetreffende bedragen] te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van FVP in de kosten van het geding. Bij de beslissing waarvan beroep heeft de kantonrechter FVP veroordeeld om binnen twee maanden nader op de aanvraag te besluiten “met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen”, het meer of anders gevorderde afgewezen en FVP veroordeeld in de kosten van het geding. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering richten zich de grieven.
4.3 Met grief 3 richt FVP zich tegen de beslissing van de kantonrechter in deze zaak een oordeel ten gronde te geven. Ter onderbouwing daarvan heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de kantonrechter bij de toetsing van het bindend advies (de beslissing van de Geschillencommissie) een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, namelijk zich heeft laten leiden door de enkele vraag of het bindend advies vanwege zijn inhoud of wijze van totstandkoming onaanvaardbaar is, en vervolgens op basis van toetsing aan die onjuiste maatstaf tot een onjuiste beslissing is gekomen. FVP meent dat het bindend advies noch vanwege zijn wijze van totstandkoming noch vanwege zijn inhoud van zijn bindende kracht kan worden beroofd. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
4.4 Op grond van artikel 7:904 BW kan een bij bindend advies in het ongelijk gestelde partij de bestrijding van de bindende kracht van het advies slechts hierop gronden dat gebondenheid aan het advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De civiele rechter komt hierbij derhalve slechts de bevoegdheid van marginale toetsing toe.
4.5 De wijze van totstandkoming van een beslissing kan die beslissing vernietigbaar maken wanneer niet beide partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt kenbaar te maken. In beginsel moeten partijen kennis hebben kunnen nemen van alle stukken die door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd en voldoende gelegenheid hebben gekregen om op die stukken te reageren. Dat uitgangspunt kan [X] in de onderhavige zaak echter geen uitkomst bieden. Behalve dat het stuk waarom het hier gaat een rechterlijke beslissing betreft, die een geschillenbeslechter ook zonder dat partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen, gaat het om de uitspraak in hoger beroep van een vonnis dat [X] zelf onder de aandacht van de Geschillencommissie heeft gebracht. Gesteld noch gebleken is dat [X] voordat of nadat deze beslissing in hoger beroep tot stand was gekomen, heeft verzocht zich nog over die beslissing uit te mogen laten. Dat had, anders dan de kantonrechter heeft aangenomen, wel op zijn weg gelegen. Bij gebreke aan een dergelijk verzoek kan dan ook niet worden gezegd dat de Geschillencommissie, die al – zonder gebleken verzet van de zijde van [X] – had beslist dat zij haar beslissing opschortte in afwachting van een rechterlijke beslissing in een andere zaak (naar later bleek: de zaak [Y]), [X] onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld zijn standpunt kenbaar te maken en dat gebondenheid aan het bindend advies uit hoofde van zijn wijze van totstandkoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Schending van fundamentele beginselen levert de handelwijze van de Geschillencommissie ook overigens niet op.
4.6 In eerste aanleg heeft [X] overigens betoogd dat hij door voorlegging van het geschil aan de Geschillencommissie wel het reglement heeft aanvaard, maar niet het bindend karakter van de uitspraak. Dat verweer gaat echter niet op nu het reglement (artikel 7) met zoveel woorden bepaalt dat het oordeel van de Geschillencommissie het karakter van een bindend advies heeft, terwijl [X] zich bovendien voor het nemen van de beslissing de Geschillencommissie te adiëren heeft gewend tot een rechtsgeleerd raadsman. Dat het reglement onder 8 bepaalt dat het geschil in volle omvang aan de rechter kan worden voorgelegd indien naar het oordeel van FVP sprake is van een beslissing met een principieel karakter, kan [X] evenmin baten nu gesteld noch gebleken is dat FVP het geschil aldus heeft aangemerkt, hetgeen overigens geen verwondering wekt nu FVP ten tijde van de uitspraak door de Geschillencommissie reeds over een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak in een soortgelijke zaak ([Y]) beschikte. Het enkele feit dat [X] de onderhavige zaak een principieel karakter toekent is onvoldoende om hierover anders te oordelen.
4.7 Ook als de inhoud van de beslissing in ogenschouw wordt genomen kan niet worden aangenomen dat gebondenheid van [X] aan de beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat uit de uitspraak van de Geschillencommissie niet blijkt dat de relevante Europeesrechtelijke regelgeving bij de beslissing in aanmerking is genomen, is voor het aannemen daarvan niet voldoende. De beslissing is wegens haar inhoud slechts dan aantastbaar als de Geschillencommissie, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot haar beslissing heeft kunnen komen. Zoals FVP met verwijzing naar de wetsgeschiedenis van artikel 7:904 BW heeft aangevoerd, is een beslissing onaantastbaar als de grenzen waarbinnen redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen, niet zijn overschreden (TM, p. 1146/7). Van overschrijding van die grenzen is naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval geen sprake. Mede gelet op artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat het vrije verkeer en het recht op gelijke behandeling van werknemers regelt, artikel 7 leden 1 en 2 van Verordening 1612/68, de door FVP ter toelichting op grief I aangehaalde jurisprudentie en de onder 13 van de memorie van antwoord vermelde brief van de Europese Commissie van 16 september 1998 (overgelegd als productie 7) kan niet gezegd worden dat een redelijk denkend mens niet tot het oordeel kan komen dat het discriminatieverbod zich richt op de behandeling van een werknemer onder het recht van het werkland en niet (ook) dat van het woonland.
4.8 Het voorgaande betekent dat grief 3 slaagt. Dat brengt met zich dat FVP bij de behandeling van haar overige grieven geen belang meer heeft.
4.9 [X] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
5. Slotsom
Grief 3 slaagt, zodat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering van [X] alsnog zal afwijzen. FVP heeft bij behandeling van haar overige grieven geen belang meer. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering af;
veroordeelt [X] in de kosten van beide instanties en begroot die kosten, voorzover tot op heden aan de zijde van FVP gevallen, in eerste aanleg op € 272,-- aan salaris procureur en in hoger beroep op € 3006,78, waarvan € 324,78 aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris procureur;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.O. van Manen, A.R. van de Veen en J.F.M.X. van Veggel en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2006 door de rolraadsheer.