Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1205

Datum uitspraak2006-10-27
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 06/3043 VV en 06/2592
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Het beroep voor zover het betrekking heeft op het eervol ontslag met ingang van 1 maart 2005 is gegrond verklaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de tussen partijen vaststaande feiten niet zal kunnen worden gesproken van een verzoek om eervol ontslag en dat een bezwaarprocedure in zoverre niet tot een andere uitkomst zal leiden. Om die reden wordt aanleiding gezien zelf te voorzien in de zaak en wordt het primaire besluit van 9 november 2005 herroepen en wordt bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep voor zover gericht tegen het opleggen van het disciplinair ontslag slaagt niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat eiseres met het niet melden van haar nevenwerkzaamheden zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zodat verweerder bevoegd was haar een disciplinaire straf op te leggen. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 06/3043 VV en SBR 06/2952 uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2006 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak. inzake [verzoekster], wonende te [woonplaats], eiseres, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [verweerder], verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 20 juni 2006, waarbij verweerder de besluiten van 9 en 24 november 2005 heeft gehandhaafd. Bij besluit van 9 november 2005 heeft verweerder aan eiseres eervol ontslag verleend met ingang van 1 maart 2005. Bij besluit van 24 november 2005 heeft verweerder aan eiseres subsidiair - in het geval het besluit van 9 november 2005 geen stand houdt - met onmiddellijke ingang de disciplinaire maatregel van ongevraagd ontslag opgelegd. 1.2 Het verzoek is op 13 oktober 2006 ter zitting behandeld, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.C.C. Balke, advocaat bij Capra te Zwolle. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.W.H. Buiting, werkzaam te Boskoop, en [gemachtigde], werkzaam bij de gemeente [verweerder]. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van het beroep: 2.3 Voor wat betreft de voorgeschiedenis van deze zaak verwijst de voorzieningenrechter kortheidshalve naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 februari 2006 (SBR 05/3974VV en SBR 05/3975VV). 2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet om ontslag heeft verzocht en dat ook uit haar handelen en de omstandigheden geen ontslag op verzoek kon worden afgeleid en zeker niet - gelet op de parttime betrekking in [plaats] - voor de volledige omvang van de betrekking. Eiseres stelt dat zij steeds heeft aangegeven dat ze binnen de gemeente [verweerder] het werk wilde hervatten. Uit het feit dat de brieven daarover ook van na de datum van indiensttreding bij de gemeente [plaats] (1 maart 2005) dateren, kan volgens eiseres niet worden afgeleid dat haar stellingen onjuist zouden zijn. Verder heeft eiseres aangevoerd dat een ontslag met terugwerkende kracht in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres erkent dat zij wellicht niet juist heeft gehandeld door verweerder niet te melden dat zij een parttime dienstbetrekking elders had gevonden. Zij bestrijdt echter dat dit gedrag een disciplinair ontslag zou rechtvaardigen, met name nu zij daarmee onevenredig in haar belangen wordt geschaad. 2.5 De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot verweerders besluit van 9 november 2005 waarbij eiseres ontslag is verleend, het volgende. Vast staat dat een schriftelijk verzoek van eiseres om haar eervol ontslag te verlenen ontbreekt. Onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 februari 2006 neemt ook deze voorzieningenrechter in aanmerking dat, gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), één van de voorwaarden voor het bestaan van een ontslagverzoek is dat het tot een eigen en in vrijheid genomen beslissing van de ambtenaar kan worden herleid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijke beslissing van eiseres niet traceerbaar is. Uit de in dit geding voorhanden zijnde gegevens blijkt niet van een onmiskenbare en ondubbelzinnige wilsuiting van eiseres ter zake van een ontslag. Eiseres heeft meermalen te kennen gegeven bij de gemeente werkzaam te willen blijven. Dat eiseres met verweerder daarover ook na haar indiensttreding bij de gemeente [plaats] heeft gecorrespondeerd en zij volgens verweerder vanaf die datum feitelijk niet meer in staat zou zijn invulling te geven aan haar dienstverband bij de gemeente [verweerder], doet daar niet aan af. Zo heeft eiseres bijvoorbeeld op 7 september 2005 nog schriftelijk uitdrukkelijk geopteerd voor behoud van haar functie binnen de gemeente [verweerder]. Verweerder heeft ten onrechte niet onderkend dat het voor eiseres ook mogelijk was geweest haar dienstbetrekking in [plaats] te beëindigen zodra zij haar werkzaamheden voor de gemeente [verweerder] weer had mogen hervatten. Derhalve zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om het aanvaarden van een parttime baan in [plaats] aan te merken als een ontslag op eigen verzoek. 2.6 Het bovenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit van 20 juni 2006, voor zover daarbij het besluit van 9 november 2005 is gehandhaafd, niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op de tussen partijen vaststaande feiten, niet zal kunnen worden gesproken van een verzoek om eervol ontslag en dat een bezwaarprocedure in zoverre niet tot een andere uitkomst zal kunnen leiden. De voorzieningenrechter ziet om die reden aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf te voorzien in de zaak en zal het primaire besluit van 9 november 2005 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 2.7 Gelet op de herroeping van het besluit van 9 november 2005 tot eervol ontslag, is de voorzieningenrechter van oordeel dat eiseres op 24 november 2005 ten tijde van het verlenen van het disciplinair ontslag moet worden geacht nog in dienst te zijn geweest. Verweerder was dan ook op dat moment bevoegd een besluit tot ontslag te nemen. Voor zover verweerder het besluit van 24 november 2005 heeft gehandhaafd, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. 2.8 Ingevolge artikel 15:1:6, eerste lid, van de CAR/UWO is de ambtenaar verplicht aan burgemeester en wethouders op een door dit orgaan te bepalen wijze opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken. Ingevolge het derde lid van dit artikel is het de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede vervulling van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Ingevolge artikel 16:1:1, eerste lid, van de CAR/UWO kan de ambtenaar die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag worden verleend. 2.9 Eiseres betwist niet dat zij het aanvaarden van een functie in [plaats] bij verweerder niet heeft gemeld. Eveneens kan eiseres zich erin vinden dat verweerder dit heeft aangemerkt als plichtsverzuim. Zij bestrijdt echter dat dit plichtsverzuim een disciplinair ontslag rechtvaardigt. 2.10 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden zich op het standpunt gesteld dat eiseres met het niet melden van haar nevenwerkzaamheden in [plaats] zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zodat verweerder bevoegd was haar een disciplinaire straf op te leggen. De omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat een disciplinair ontslag niet evenredig is, vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtvaardiging voor haar handelwijze. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet melden van een parttime functie bij een andere werkgever - ook in de omstandigheden waarin eiseres verkeerde - een zodanig ernstig plichtsverzuim dat de opgelegde straf van ontslag met onmiddellijke ingang daaraan evenredig is te achten. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen dat eiseres op 1 maart 2005 nog een volledig dienstverband had bij de gemeente [verweerder] waarvoor zij, ondanks dat zij haar werkzaamheden niet kon en mocht verrichten, steeds haar volledige bezoldiging heeft ontvangen. Naast deze volledige bezoldiging heeft eiseres sinds 1 maart 2005 haar bezoldiging van de gemeente [plaats] ontvangen. Eveneens mag daarbij in aanmerking worden genomen dat eiseres een leidinggevende functie bij verweerder had en van een leidinggevende mag worden verwacht dat zij de gevolgen van haar met de regels strijdige handelwijze heeft overzien. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat verweerder met eiseres in gesprek was over de voortzetting van haar dienstbetrekking en eiseres verweerder de mogelijkheid heeft ontnomen om bijvoorbeeld te onderzoeken of een detachering bij de gemeente [plaats] mogelijk zou zijn. De voorzieningenrechter is onvoldoende gebleken op grond waarvan eiseres niet in staat zou zijn geweest voorafgaand met verweerder in overleg te treden over haar mogelijkheid om een parttime baan te aanvaarden in [plaats]. Het beroep voor zover gericht tegen het opleggen van het disciplinair ontslag slaagt derhalve niet. 2.11 Aangezien het beroep voor zover het betrekking heeft op het eervol ontslag met ingang van 1 maart 2005 gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Aangezien eiseres in haar bezwaarschrift ook heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten in bezwaar, worden die proceskosten, nu het primaire besluit van 9 november 2005 wordt herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, hierbij in aanmerking genomen. De proceskosten worden met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb begroot op € 644,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting) en op €644,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) wegens verleende rechtsbijstand. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening: 2.12 Gelet op de beslissing in de hoofdzaak, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin wordt aanleiding gezien om verweerder in de proceskosten met betrekking tot het verzoek te veroordelen. Beslissing De voorzieningenrechter: Ten aanzien van het beroep: 3.1 verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op het besluit van 9 november 2005 waarbij aan eiseres eervol ontslag is verleend; 3.2 vernietigt het bestreden besluit van 20 juni 2006 in zoverre; 3.3 herroept het besluit van 9 november 2005; 3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; 3.5 verklaart het beroep voor het overige ongegrond; 3.6 veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en in beroep ten bedrage van (in totaal) € 1288,-; 3.7 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 141,- aan haar vergoedt; 3.8 wijst de gemeente [verweerder] aan als de rechtspersoon die de onder 3.6 en 3.7 genoemde bedragen dient te betalen. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening: 3.9 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2006. De griffier: De voorzieningenrechter: mr. M.S.D. de Weerd mr. R.P. den Otter Afschrift verzonden op: Tegen de beslissing op het beroep kan op grond van artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet door belanghebbende beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De beroepstermijn bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na bekendmaking van deze uitspraak. Zaaknummer: SBR 06/3043 VV en SBR 06/2952 blad 5 uitspraak