
Jurisprudentie
AZ1201
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1070/2006 NOT
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers1070/2006 NOT
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Indicatie
Advisering notaris aan executeur-testamentair onzorgvuldig. Maatregel van schorsing.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Bij vervroeging
Beslissing van 19 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 1070/2006 NOT van:
MR. [X] ,
notaris te [plaats]
APPELLANT,
gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink
t e g e n
[Y],
wonende te [plaats]
GEÏNTIMEERDE.
1. Het geding in hoger beroep
Van de zijde van appellant, verder te noemen de notaris, is bij een op 10 juli 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met één bijlage - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te ‘s-Gravenhage, verder te noemen de kamer, van 14 juni 2006, waarbij de klacht van geïntimeerde, hierna te noemen klaagster, gegrond is verklaard en de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van een maand is opgelegd.
1.2. Van de zijde van de notaris op 3 augustus 2006 nog een aanvullend rekest – met drie bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.
1.3. Op 1 september 2006 is van de zijde van klaagster een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.
1.4. Op 7 september 2006 is van de zijde van de notaris bij faxbericht van zijn gemachtigde nog een productie in het geding gebracht.
1.5. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 september 2006. Klaagster, de notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnotitie.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.
4. Het standpunt van klaagster
4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij haar tijdens haar eerste onderhoud met hem op 10 juni 2004 ten onrechte heeft verteld dat zij geen verantwoording aan haar mede-erfgenamen behoefde af te leggen over de periode voorafgaande aan het overlijden van haar moeder, terwijl haar later bleek dat zij daartoe wel verplicht was. Dit heeft tot gevolg gehad dat de overige erfgenamen van klaagster inzage hebben geëist over de zeventien jaar waarin klaagster met haar moeder heeft samengewoond en haar administratie heeft verzorgd. Hoewel klaagster aan de erfgenamen inzage heeft verschaft over ruim acht jaren van die periode, volharden genoemde erfgenamen in hun eis om ook inzage te krijgen inzake de resterende periode. Dit heeft geleid tot grote onenigheid onder de erfgenamen, vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap en waarschijnlijk een civielrechtelijke procedure.
4.2. Klaagster verwijt de notaris verder dat hij zijn kandidaat-notaris onvoldoende instructies heeft gegeven. De kandidaat-notaris heeft klaagster verkeerd geadviseerd met betrekking tot de toelaatbaarheid van uitbetaling van voorschotten uit de boedel voor zover die binnen de marges van de te verwachten erfdelen zouden blijven.
Nadat klaagster hiernaar had gehandeld, is gebleken dat volgens haar huidige notaris deze handelwijze onjuist is.
4.3. Voorts wordt de notaris verweten dat op klaagsters verzoek aan de notaris om bemiddeling, haar door de secretaresse van de notaris te verstaan werd gegeven dat de notaris “zich liever niet begaf in erfeniszaken wanneer ze lastig werden”, dit terwijl het de afwikkeling van een nalatenschap betrof krachtens een testament uit het protocol van de notaris.
4.4. Ook verwijt klaagster de notaris dat hij zijn toezegging niet is nagekomen doordat hij niet per 1 september 2005 een brief naar alle erfgenamen heeft gestuurd om te trachten de impasse in de afwikkeling van de nalatenschap te doorbreken.
4.5. Ten slotte verwijt klaagster de notaris dat hij de financiële stukken van vóór en na het overlijden van haar moeder – die klaagster persoonlijk bij de notaris op zijn kantoor heeft afgegeven - niet in zijn dossier terug kan vinden, aangezien de notaris in zijn brief van 27 december 2005 aan haar te kennen geeft deze stukken
als niet in zijn bezit nog van haar nodig te hebben.
5. Het standpunt van de notaris
5.1. De notaris betwist de stellingen van klaagster niet. Hij heeft naar voren gebracht dat klaagster erfgename is en dat zij haar moeder als haar gemachtigde heeft bijgestaan. Aangezien klaagster tevens executeur-testamentair is kan dit met elkaar op gespannen voet komen te staan. Hieruit kunnen voor klaagster nadelige gevolgen voort vloeien. Dienaangaande had hij zijn kandidaat-notaris beter dienen te instrueren.
5.2. Ten aanzien van het verzoek om bemiddeling heeft de notaris naar voren gebracht dat hem onvoldoende gegevens werden aangeleverd. Bovendien had hij - achteraf - klaagster op een goed moment duidelijk dienen te maken dat hij niet bereid was om als tussenpersoon te fungeren.
6. De beoordeling
6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft naar het oordeel van het hof niet geleid tot vaststelling van andere feiten dan wel andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt, behoudens voor wat betreft de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van een maand. Ter zitting is gebleken dat de notaris het onjuiste van zijn handelen heeft ingezien. Dit is redengevend voor het hof om de beslissing van de kamer met betrekking tot eerder genoemde maatregel te vernietigen. In dit geval acht het hof de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie weken passend en geboden.
6.2. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.
6.3. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing voor wat betreft de door de kamer opgelegde maatregel en op dat punt opnieuw rechtdoende:
- legt aan de notaris de maatregel op van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de duur van drie weken, ingaande op 01 november 2006.
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 19 oktober 2006 door de rolraadsheer.
Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-Notarissen ’sGravenhage
Beslissing van 14 juni 2006 inzake de klacht onder nummer 06-07 van:
[Y],
hierna ook te noemen klaagster,
tegen
mr. [X],
notaris te [plaats],
hierna ook te noemen de notaris.
De procedure
De Kamer heeft kennisgenomen van:
? de klacht, ingekomen op 2 februari 2006, en aangevuld met de brief, met bijlagen, van 18 februari 2006;
? het antwoord van 14 maart 2006 van de notaris, met bijlagen;
? de repliek van 31 maart 2006 van klaagster;
? de dupliek van 25 april 2006 van de notaris.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Daarbij waren aanwezig klaagster en de notaris. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitnotitie van klaagster.
De feiten
Klaagster is bij testament van wijlen haar moeder [A] [overleden begin juni 2004], op 11 december 2001 verleden voor oudnotaris mr [B], benoemd tot executeur voor de verdeling van de nalatenschap van haar moeder. Notaris [X] is de opvolger van oudnotaris [B]. Bij brief van 23 september 2004 heeft de notaris via zijn kandidaatnotaris mevrouw mr [C] klaagster geïnformeerd naar aanleiding van haar vraag welke informatie zij aan de overige erfgenamen dient te verschaffen. Bij daarop aansluitende brief van 29 september 2004 heeft de kandidaatnotaris voor zover hier van belang een kopie gezonden van haar brief van dezelfde datum aan de overige erfgenamen. In die brief heeft de kandidaatnotaris de erfgenamen meegedeeld dat de taak van de executeur bestaat uit het beheren van de goederen van de nalatenschap en het voldoen van de schulden van de nalatenschap, die tijdens het beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
Toen in de loop van 2005 aan klaagster bleek dat de afwikkeling van de nalatenschap met de overige erfgenamen dreigde te stranden, heeft zij de notaris in juni 2005 benaderd voor diens bemiddeling.
Op 15 augustus 2005 heeft klaagster daarover een onderhoud gehad met de notaris op zijn kantoor, met name om hem opdracht te geven voor het opstellen van een plan voor de verdeling van de nalatenschap. De notaris zegde tijdens dit onderhoud toe per 1 september 2005 een brief naar de erfgenamen te sturen. Na meerdere telefonische herinneringen van klaagster aan het notariskantoor, waarbij zij de notaris niet te spreken kreeg, een onbeantwoord bericht van haar per email en enkele eveneens onbeantwoorde brieven [13 oktober 2005 en 30 november 2005] aan de notaris heeft klaagster op 22 december 2005 de notaris onaangekondigd op zijn kantoor bezocht. Nadat bij die gelegenheid aan klaagster was gebleken dat de notaris niet meer van plan was om haar op korte termijn bij te staan bij de afwikkeling van de nalatenschap, maar slechts bereid was tot een nader af te spreken onderhoud met haar in januari 2006, heeft klaagster in plaats daarvan het dossier drie werkdagen later bij het notariskantoor opgehaald. Vervolgens heeft klaagster een andere notaris ingeschakeld voor de afwikkeling van de nalatenschap.
In reactie op het onderhoud van 22 december 2005 heeft de notaris bij zijn brief van 27 december 2005 aan klaagster onder meer het volgende meegedeeld: “… had u mij opdracht gegeven uw familie mede te delen dat al hetgeen u tot nu toe in de nalatenschap als executeur hebt gedaan correct is verlopen en dat u nu recht heeft op uw executeursbeloning. Daar ik niet voldoende inzicht in de financiën had met betrekking tot voornoemde nalatenschap heb ik aan u opgave gevraagd. Hiervoor dien ik te beschikken over alle bankafschriften van alle bank/girorekeningen, beginnende zes maanden voor overlijden van de erflaatster tot en met vandaag met achterliggende stukken. Met wat u tot op heden heeft aangeleverd, kan ik onvoldoende controle uitoefenen, daar dit voornamelijk handgeschreven stukken van uzelf betreft.”
De klacht
Klaagster verwijt de notaris zakelijk weergegeven het volgende, waarbij klaagster, zonder bezwaar van de notaris, haar klacht ter zitting heeft aangevuld met de klachtonderdelen onder 1 en 2:
1. Tijdens haar eerste onderhoud met de notaris op 10 juni 2004 heeft de notaris aan klaagster verteld dat zij geen verantwoording aan haar medeerfgenamen behoefde af te leggen over de periode voorafgaande aan het overlijden van haar moeder, terwijl naar later bleek de overige erfgenamen van de notaris te horen kregen dat klaagster daartoe juist wel verplicht was. Dit heeft tot gevolg gehad dat de overige erfgenamen van klaagster hebben geëist om hun inzage te geven over de volle zeventien jaar waarin zij met haar moeder heeft samengewoond. Hoewel klaagster aan de erfgenamen inzage verschaft heeft over de ruim acht jaren van die periode waarin zij haar moeder met haar administratie heeft bijgestaan, volharden genoemde erfgenamen in hun eis om ook inzage te krijgen inzake de resterende periode. Dit heeft geleid tot grote onenigheid met de overige erfgenamen, vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap en waarschijnlijk een civielrechtelijke procedure.
2. Haar vraag aan kandidaatnotaris mr. [C] of het haar toegestaan was om voorschotten te betalen uit de boedel aan diegenen van de erfgenamen die dat nodig hadden en erom vroegen, werd positief beantwoord door de kandidaatnotaris met de toevoeging: “voor zover die binnen de marges van de te verwachten erfdelen zouden blijven”. Nadat klaagster hiernaar gehandeld had, bleek deze handelwijze volgens haar huidige notaris niet correct te zijn. Deze voorschotten worden nu teruggeëist door enkele andere erfgenamen. Ook dit heeft geleid tot grote onenigheid, vertraging en een mogelijke civielrechtelijke procedure als voormeld.
3. Op klaagsters eerste verzoek in de zomer van 2005 aan de notaris om bemiddeling werd haar door de secretaresse van de notaris te verstaan gegeven dat de notaris “zich liever niet begaf in erfeniszaken wanneer ze lastig werden”, zulks ofschoon het de afwikkeling van een nalatenschap betrof krachtens een testament uit het protocol van de notaris.
4. De notaris is zijn toezegging gedaan tijdens het onderhoud op 15 augustus 2005, dat uiteindelijk plaatsvond op aandringen van klaagster, niet nagekomen; hij heeft immers niet per 1 september 2005 een brief naar alle erfgenamen gestuurd teneinde de impasse in de afwikkeling van de nalatenschap te doorbreken.
5. Klaagster heeft op 15 augustus 2005 onderbouwde en uitgetypte financiële stukken van vóór en na het overlijden van haar moeder persoonlijk bij de notaris op zijn kantoor afgegeven aan een medewerker van dat kantoor, die vervolgens alles heeft gekopieerd. Het bevreemdt haar dat de notaris in zijn brief van 27 december 2005 aan haar te kennen geeft deze stukken als niet in zijn bezit nog van haar nodig te hebben. Klaagster vermoedt dan ook dat het notariskantoor deze stukken is kwijtgeraakt.
Het verweer
De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna voor zover nodig zal worden besproken.
De beoordeling van de klacht
Klachtonderdeel 1
De notaris, aan wie dit klachtonderdeel ter zitting is voorgelegd, betwist dit niet. Hij wist dat klaagster ook erfgename was en dat zij bij leven van haar moeder als haar gemachtigde was opgetreden.
Klachtonderdeel 2
De notaris, aan wie ook dit klachtonderdeel ter zitting is voorgelegd, acht het aannemelijk dat zijn kandidaatnotaris een dergelijk advies aan klaagster heeft gegeven. Zo’n advies is volgens de notaris alleszins redelijk, met de voorwaarde zoals door de kandidaatnotaris aan klaagster gesteld: “voor zover de door klaagster uit te betalen voorschotten binnen de marges van de te verwachten erfdelen zouden blijven”. Ter zitting verklaarde de notaris zich te realiseren dat klaagsters hoedanigheid van erfgename en haar functie van executeurtestamentair met elkaar zouden kunnen conflicteren, met mogelijk nadelige gevolgen voor haar.
Naar het oordeel van de Kamer komt de notaris te laat tot deze constatering en had hij zijn kandidaatnotaris beter moeten instrueren.
Klachtonderdelen 3 en 4
Ter zitting heeft de notaris toegegeven dat hij aan klaagster misschien na het onderhoud op 15 augustus 2005 een herinnering had moeten sturen voor het afgeven van de volgens hem nog vereiste stukken, teneinde vervolgens de door hem aan klaagster toegezegde brief per 1 september 2005 aan de erfgenamen te kunnen verzenden. In de schriftelijke fase van de klachtprocedure noch tijdens de zitting heeft hij echter een afdoende verklaring gegeven, waarom hij dit heeft nagelaten en waarom hij in het geheel niet in contact is getreden met klaagster.
Klachtonderdeel 5
Ter zitting heeft de notaris niet betwist dat klaagster de genoemde stukken op 15 augustus 2005 op zijn kantoor heeft afgegeven, dat die zijn gekopieerd en dat die mogelijke op zijn kantoor zijn zoekgeraakt.
Alle klachtonderdelen
De Kamer is van oordeel dat de klacht in alle onderdelen gegrond is.
Als niet door de notaris betwist staat immers vast dat de notaris tegenstrijdige mededelingen heeft gedaan aan enerzijds klaagster en anderzijds de medeerfgenamen, dat de kandidaatnotaris klaagster een onjuist advies heeft gegeven met betrekking tot het uitbetalen van voorschotten uit de boedel, dat de notaris zijn toezegging van 15 augustus 2005 niet is nagekomen en dat stukken zijn zoekgeraakt op het kantoor van de notaris.
De Kamer is bovendien van oordeel dat de notaris zich niet had mogen beperken tot de mededeling bij onder meer zijn brief van 23 september 2004 aan klaagster dat klaagster aan de overige erfgenamen rekening en verantwoording diende af te leggen van al hetgeen met de gelden van de nalatenschap is gebeurd en van de overige werkzaamheden die zij in dat kader heeft verricht, maar dat hij vanaf het moment juni respectievelijk augustus 2005 dat klaagster hem had gevraagd om zijn bemiddeling bij de afwikkeling van deze nalatenschap zelf ook als eindverantwoordelijke voor zijn personeel de regie in handen had moeten nemen om de gebleken impasse in de afwikkeling op een voor een notaris adequate wijze te doorbreken. Dit geldt temeer nu het een testament betrof dat tot zijn protocol behoort. Daar komt nog bij dat klaagster zoals de notaris op de zitting heeft toegegeven op 15 augustus 2005 de benodigde gegevens voor de verdere afwikkeling heeft aangeleverd.
De Kamer is gelet, op het voorgaande, van oordeel dat de notaris in meer dan één opzicht en in ruime mate is tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klaagster. Zijn opstelling ten aanzien van klaagster, zoals uit de processtukken naar voren gekomen en zoals ook tijdens de zitting gebleken, getuigt van een afwachtende en passieve houding die niet in overeenstemming is met hetgeen van een behoorlijk en zorgvuldig handelende notaris mag worden verwacht. Dit op opeenvolgende momenten zich manifesterende gebrek aan betrokkenheid en doortastendheid van de notaris is tuchtrechtelijk laakbaar.
De Kamer is van oordeel dat de aan de notaris verweten gedragingen onaanvaardbaar en dermate ernstig zijn dat de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt voor de hierna te vermelden duur op zijn plaats is. De Kamer neemt daarbij in aanmerking:
1. de hoge mate van desinteresse, slordigheid en onkunde die door de notaris in deze zaak is tentoongespreid;
2. dat de notaris in de schriftelijke fase van de procedure noch bij de behandeling ter zitting heeft getoond zich bewust te zijn van zijn falen in deze als notaris;
3. dat de Kamer de notaris in 2004 reeds tweemaal een berisping heeft opgelegd [onherroepelijk op 24 juni 2004 respectievelijk 20 juli 2004 en beide tenuitvoergelegd op 8 september 2004], in één van deze gevallen voor een soortgelijke nalatigheid.
De Kamer overweegt hierbij dat indien de notaris in de toekomst wederom soorgelijk tuchtrechtelijk laakbaar handelen of nalaten tentoonspreidt, niet te ontkomen valt aan een zwaardere maatregel dan nu zal worden opgelegd.
De beslissing
De Kamer voornoemd:
verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;
legt de notaris de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt op voor de duur van een maand;
bepaalt dat de secretaris, binnen een maand nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, aan de notaris bij aangetekende brief de datum zal mededelen waarop de opgelegde maatregel van kracht wordt.
Deze beslissing is gegeven door mrs. H.F.M. Hofhuis, voorzitter, R. van der Galiën, J.Z. Moree, M.G.L. den Os-Brand en N.P.C. van Wijk, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. A. Saab, in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2006.
Afschrift van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan de notaris en aan de klaagster gezonden.
Binnen dertig dagen na de dagtekening van de begeleidende brief kunnen de notaris en de klaagster van deze beslissing in hoger beroep komen bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.