
Jurisprudentie
AZ1200
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers720/2006
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers720/2006
Statusgepubliceerd
SectorNotariskamer
Indicatie
Het hof is van oordeel dat het op de weg van de kandidaat-notaris had gelegen om klager zodanig voor te lichten met betrekking tot de aanvaarding van deze nalatenschap dat de gevolgen van het zuiver aanvaarden daarvan voor klager duidelijk waren.
Onweersproken is gebleven dat klager van zijn stuk was gebracht door de inhoud van het legaat en dat dit de kandidaat-notaris niet was ontgaan. In dat geval had de kandidaat-notaris klager uitvoerig dienen uit te leggen welke de mogelijkheden en de gevolgen waren met betrekking tot het zuiver dan wel beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. Het hof acht het daarbij van belang dat de kandidaat-notaris er aan is voorbij gegaan dat klager tijdens het tweede gesprek naar voren heeft gebracht - door middel van het tonen van de afschriften van de bankrekeningen van erflaatster - dat er wellicht onvoldoende baten in de boedel aanwezig waren om tot integrale uitkering van het legaat over te gaan.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
Bij vervroeging
Beslissing van 19 oktober 2006 in de zaak onder rekestnummer 720/2006 NOT van:
MR. [naam],
notaris te [plaats],
MR. [naam],
kandidaat-notaris te [plaats],
APPELLANTEN,
t e g e n
[naam],
wonende te [plaats],
GEÏNTIMEERDE.
1. Het geding in hoger beroep
Van de zijde van appellanten, verder te noemen de notaris en de kandidaat-notaris, is bij een op 9 mei 2006 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder te noemen de kamer, van 12 april 2006, waarbij de klacht van geïntimeerde, hierna te noemen klager, ten aanzien van de notaris ongegrond is verklaard en ten aanzien van de kandidaat-notaris gegrond is verklaard, zonder oplegging van een maatregel aan de kandidaat-notaris.
1.2. Op 30 mei 2006 is van de zijde van klager een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.
1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 14 september 2006. Klager, de notaris en de kandidaat-notaris zijn verschenen. Allen hebben het woord gevoerd.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
3.1. Op 25 december 2004 is de moeder van klager, mevrouw [naam], verder te noemen erflaatster, overleden. Klager heeft daarna contact opgenomen met zijn nicht, mevrouw [naam], verder te noemen [naam], om te vragen wat hij moest doen en op haar advies heeft klager contact opgenomen met het kantoor van de notaris. Op 29 december 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en de kandidaat-notaris over het testament van erflaatster. Op dat moment bleek aan klager dat in dit testament een legaat was opgenomen van Fl. 100.000,- ten gunste van de heer [naam] te [plaats], verder te noemen [naam]. Nadat dit klager was meegedeeld heeft hij het notariskantoor nagenoeg overstuur verlaten en heeft hij de kandidaat-notaris meegedeeld dat hij nog over het een en ander wilde nadenken.
3.2. Op 3 februari 2005 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen klager en de kandidaat-notaris, waarbij ook [naam], aanwezig was. Tijdens dit gesprek is aan de kandidaat-notaris verzocht een verklaring van erfrecht op te maken.
3.3. [naam] heeft klager daarna aangesproken tot betaling van het legaat.
4. Het standpunt van klager
4.1. Klager verwijt de notaris dat deze hem onvoldoende heeft geïnformeerd inzake de gevolgen van het aanvaarden van een nalatenschap en het in ontvangst nemen van een verklaring van erfrecht.
4.2. Klager verwijt de kandidaat-notaris dat hij hem onvoldoende gewezen heeft op de mogelijkheid om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Indien klager juist zou zijn geïnformeerd zou hij de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, aangezien klager niet zeker wist of er voldoende (financiële) middelen aanwezig waren om het legaat uit te keren.
4.3. Ten slotte wordt de notaris verweten dat hij klager - ondanks diens herhaald verzoek daartoe – niet zelf te woord heeft gestaan.
5. Het standpunt van de notaris en de kandidaat-notaris
5.1. De kandidaat-notaris heeft naar voren gebracht dat hij klager tijdens het eerste gesprek op 29 december 2004 er op heeft gewezen dat hij de nalatenschap het beste beneficiair kon aanvaarden en dat hij in dat geval geen aanvaardingshandelingen diende te verrichten. Ook heeft hij toen een volmacht opgesteld. Het was de kandidaat-notaris niet ontgaan dat klager aangeslagen was door de inhoud van het legaat, maar hieruit kon de kandidaat-notaris niet opmaken dat de mogelijkheid om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden niet tot klager was doorgedrongen. In dat verband heeft de kandidaat-notaris er op gewezen dat hij op 6 januari 2005 klager een brief heeft geschreven waarin hij de mogelijkheden met betrekking tot het aanvaarden van de nalatenschap heeft vermeld.
In het tweede gesprek dat op 3 februari 2005 heeft plaats gevonden en waarbij [naam] aanwezig was, is hem uitdrukkelijk verzocht om een verklaring van erfrecht op te maken. In dat verband wijst de kandidaat-notaris er op dat in dit gesprek naar voren kwam dat klager handelingen had verricht waaruit opgemaakt kon worden dat hij zich als erfgenaam had gedragen.
5.2. De notaris heeft aangegeven dat hem niet is gebleken dat de kandidaat-notaris niet in staat is geweest de behandeling van de nalatenschap op zich te nemen. De kandidaat-notaris heeft een staat van dienst van meer dan 28 jaar en het betrof de afwikkeling van een betrekkelijk eenvoudige zaak.
5.3. Ten slotte heeft de notaris er op gewezen dat hem niet ter kennis is gekomen dat klager hem persoonlijk wilde spreken.
6. De beoordeling
6.1. Met de kamer is het hof van oordeel dat het op de weg van de kandidaat-notaris had gelegen om klager zodanig voor te lichten met betrekking tot de aanvaarding van deze nalatenschap dat de gevolgen van het zuiver aanvaarden daarvan voor klager duidelijk waren.
Onweersproken is gebleven dat klager van zijn stuk was gebracht door de inhoud van het legaat en dat dit de kandidaat-notaris niet was ontgaan. In dat geval had de kandidaat-notaris klager uitvoerig dienen uit te leggen welke de mogelijkheden en de gevolgen waren met betrekking tot het zuiver dan wel beneficiair aanvaarden van de nalatenschap. Het hof acht het daarbij van belang dat de kandidaat-notaris er aan is voorbij gegaan dat klager tijdens het tweede gesprek naar voren heeft gebracht - door middel van het tonen van de afschriften van de bankrekeningen van erflaatster - dat er wellicht onvoldoende baten in de boedel aanwezig waren om tot integrale uitkering van het legaat over te gaan. Ook had de kandidaat-notaris niet mogen afgaan op de vermeende deskundigheid van [naam]. Het verweer van de kandidaat-notaris dat hij klager bij brief van 6 januari 2005 op de diverse mogelijkheden van aanvaarding heeft gewezen gaat niet op. De brief van 6 januari 2005, waarvan de inhoud voor zover van belang luidt:
“Vriendelijk verzoek ik u mij te laten weten of u de nalatenschap aanvaardt, verwerpt of beneficiair aanvaardt en of u in het eerste geval een verklaring van erfrecht wenst op te laten maken.”
acht het hof - mede gelet op de gemoedstoestand van klager - bepaald ontoereikend.
De klacht is terecht door klager voorgesteld en het hof acht de klacht gegrond. Het hof oordeelt het handelen van de kandidaat-notaris dermate klachtwaardig, dat – anders dan de kamer – een maatregel op zijn plaats is.
In het onderhavige geval acht het hof de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het hof zal de beslissing van de kamer op dit punt vernietigen en aan de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing opleggen.
6.2. De klacht gericht tegen de notaris acht het hof ongegrond nu onvoldoende is gebleken dat klager uitdrukkelijk om een gesprek met de notaris heeft verzocht en daarbij heeft aangegeven dat hij niet kon of wilde spreken met de kandidaat-notaris.
6.3. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.
6.4. Het vorenoverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing voor zover het betreft rechtsoverweging 4.4. in de bestreden beslissing zoals hiervoor reeds weergegeven in rechtsoverweging 6.1., doch slechts voor zover het betreft het dictum inzake de oplegging van een maatregel, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- legt aan de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing op;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en P.J.N. van Os en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 19 oktober 2006 door de rolraadsheer.
KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN
TE ARNHEM
Kenmerk: 07.831/2005/680
Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem
in de zaak van:
[naam],
wonende te [plaats],
klager,
tegen
MR. [naam], notaris te [plaats],
MR. [naam], kandidaat-notaris te [plaats],
verweerders.
1. Het verloop van de procedure.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- de brief van klager van 31 oktober 2005, waarbij een klacht is ingediend tegen notaris mr. [naam] en kandidaat-notaris mr. [naam];
- de brief met bijlage van kandidaat-notaris mr. [naam] van 29 november 2005 als antwoord op de klacht;
- de brief van notaris mr. [naam] van 7 december 2005 als antwoord op de klacht;
- de brief van klager van 19 december 2005;
- de brief van de notaris mr. [naam] en kandidaat-notaris mr. [naam] van 17 januari 2006.
De klacht is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de Kamer van 20 maart 2006. Bij die gelegenheid zijn verschenen klager, bijgestaan door mevrouw [naam], de notaris mr. [naam] en kandidaat-notaris mr. [naam].
2. De vaststaande feiten.
Op 25 december 2004 is de moeder van klager, mevrouw [naam]l overleden. Klager heeft daarna contact opgenomen met zijn nicht, mevrouw [naam], om te vragen wat hij moest doen en op haar advies heeft klager contact opgenomen met het kantoor van notaris mr. [naam]. Op 29 december 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klager en mr. [naam] over het testament van de moeder van klager. Op dat moment bleek aan klager dat in dit testament een legaat was opgenomen van Fl. 100.000,- ten gunste van de heer [naam] te [plaats]. Nadat dit klager was meegedeeld heeft hij het notariskantoor aangedaan verlaten en heeft hij mr. [naam] meegedeeld dat hij nog over het een en ander wilde nadenken.
Op 3 februari 2005 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen klager en mr. [naam], waarbij ook mevrouw [naam], aanwezig was. Tijdens dit gesprek is een verklaring van erfrecht opgemaakt.
Nadien heeft de legataris klager aangesproken tot betaling van het legaat. Omdat de nalatenschap ontoereikend was heeft klager het legaat grotendeels uit eigen middelen moeten voldoen.
3. De klacht en het verweer daartegen.
3.1. De klager verwijt de notaris dat hij hem onvoldoende heeft geïnformeerd over wat de gevolgen zijn van het aanvaarden van een nalatenschap en het in ontvangst nemen van een verklaring van erfrecht. Klager betoogt dat de kandidaat-notaris mr. [naam] hem onvoldoende heeft gewezen op mogelijkheid om de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Omdat klager niet wist dat hij beneficiair kon aanvaarden heeft hij dit niet gedaan. Klager stelt dan ook dat indien hij juist zou zijn geïnformeerd over de mogelijkheden omtrent het aanvaarden van een nalatenschap hij beneficiair had aanvaard, nu hij niet zeker wist of in de nalatenschap voldoende middelen aanwezig waren om het legaat volledig uit te keren. Klager acht het handelen van de kandidaat-notaris klachtwaardig.
Tevens acht klager het klachtwaardig dat hij ondanks herhaald verzoek daartoe, niet door mr. [naam] te woord is gestaan.
3.2. Mr. [naam] en mr. [naam] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Mr. [naam] betoogt dat hij tijdens het gesprek van 29 december 2004 klager er op heeft gewezen dat hij geen aanvaardingshandelingen mocht doen en dat hij de nalatenschap het beste beneficiair kon aanvaarden. Mr. [naam] stelt dat hij toen ter plekke een volmacht heeft gemaakt. Klager was weliswaar aangeslagen toen hij van het legaat in het testament kennis nam, maar niet is gebleken dat de mogelijkheid van het beneficiair aanvaarden niet tot klager door drong, aldus mr. [naam]. Voorts betoogt mr. [naam] dat hij op 6 januari 2005 klager een brief heeft gestuurd met daarin de mogelijkheden met betrekking tot het aanvaarden van de nalatenschap.
Vervolgens heeft op 3 februari 2005 wederom een gesprek plaatsgevonden met klager, waarbij ook de nicht van klager, mevrouw [naam] aanwezig was. Mr. [naam] stelt dat hem tijdens dit gesprek uitdrukkelijk is verzocht een verklaring van erfrecht op te maken ten behoeve van klager. Eveneens bleek tijdens dit gesprek dat klager in de daaraan voorafgaande maand handelingen had verricht waaruit afgeleid kon worden dat hij zich als erfgenaam had gedragen, aldus mr. [naam].
Mr. [naam] heeft betoogd dat niet is gebleken dat aanleiding bestond om te veronderstellen dat mr. [naam] de afwikkeling van de nalatenschap niet in behandeling zou kunnen nemen. Te meer nu mr. [naam] een staat van dienst heeft van ruim 28 jaar en het hier om een relatief eenvoudig dossier handelde. Voorts stelt mr. [naam] niet te hebben vernomen dat klager hem persoonlijk wilde spreken.
4. De overwegingen van de Kamer.
4.1. Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Wet op het notarisambt zijn notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen en kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris en / of kandidaat-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.2. De Kamer overweegt als volgt. Mr. [naam] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij tijdens het gesprek van 29 december 2004 klager er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat hij geen aanvaardingshandelingen mocht verrichten en dat klager de nalatenschap het beste beneficiair kon aanvaarden. Voorts stelt mr. [naam] dat hij klager op 6 januari 2005 een brief heeft gestuurd waarin hij de mogelijkheden omtrent de aanvaarding van de nalatenschap nogmaals uiteen heeft gezet. Klager heeft het voorgaande betwist en tevens gesteld dat hij de brief van 6 januari 2005 niet heeft ontvangen.
4.3. De Kamer is van oordeel dat ook indien uitgegaan dient te worden van hetgeen door mr. [naam] is gesteld over het gesprek op 29 december 2004 en de brief van 6 januari 2005, het nog immer op de weg van mr. [naam] had gelegen om klager tijdens het gesprek van 3 februari 2005 uitdrukkelijk op de mogelijkheid van beneficiair aanvaarden van de nalatenschap te wijzen. Immers, niet is gebleken dat de gevolgen van het zuiver aanvaarden op dat moment voor klager voldoende duidelijk waren. Daarbij acht de Kamer van belang dat klager tijdens het gesprek van 3 februari 2005 stukken aan mr. [naam] heeft getoond, waaruit afgeleid kon worden dat het vermogen van de moeder van klager wel eens onvoldoende zou kunnen zijn om haar testament, en in het bijzonder het legaat, volledig ten uitvoer te leggen. Hieruit had mr. [naam] af kunnen leiden dat voor klager door het zuiver aanvaarden van de nalatenschap een schuld zou kunnen ontstaan waarvoor klager aansprakelijk zou zijn. In dit licht bezien had van mr. [naam] verwacht mogen worden dat hij de mogelijkheden nog eens nadrukkelijk met klager had doorgenomen.
De stelling van mr. [naam] dat hij de mogelijkheid van beneficiair aanvaarden tijdens het gesprek van 3 februari 20005 niet meer met klager heeft besproken omdat duidelijk was dat klager een verklaring van erfrecht wilde en mevrouw [naam] terzake deskundig leek, doet aan het voorgaande niet af. De Kamer is van oordeel dat het in het onderhavige geval aan mr. [naam] was om klager uitdrukkelijk op zijn mogelijkheden en de gevolgen van zijn keuze te wijzen. Het had dan ook op de weg van mr. [naam] gelegen om het gesprek van 3 februari 2005 aan klager te bevestigen en de gevolgen van zijn keuze weer te geven alvorens de keuze van klager vast te leggen. Door dit na te laten heeft mr. [naam] zich er onvoldoende van vergewist of het klager duidelijk was wat de gevolgen van zijn handelen waren. Hieraan kan niet afdoen dat in de visie van mr. [naam], indien al juist, klager al aanvaardingshandelingen had verricht. De Kamer is van oordeel dat mr. [naam] door na te laten klager tijdens het gesprek van 3 februari 2005 uitdrukkelijk op zijn mogelijkheden te wijzen, in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die een behoorlijk kandidaat-notaris betaamt.
4.4. De klacht gericht tegen mr. [naam] is derhalve gegrond. De Kamer acht het aan mr. [naam] te maken verwijt echter niet zodanig ernstig dat hem daarvoor een tuchtrechtelijke maatregel moet worden opgelegd.
4.5. Voor zover klager zich beklaagt over de omstandigheid dat hij mr. [naam] ondanks herhaald verzoek niet te spreken heeft gekregen, is de Kamer van oordeel dat deze klacht ongegrond is. Daarbij acht de Kamer van belang dat onvoldoende is gebleken dat klager uitdrukkelijk om mr. [naam] heeft verzocht en klager niet met mr. [naam] kon of wilde spreken.
5. De beslissing.
De Kamer van Toezicht
verklaart de klacht tegen kandidaat-notaris mr. [naam] gegrond, maar acht geen termen aanwezig hem een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen;
verklaart de klacht tegen notaris mr. [naam] ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.P.M. Kester, plv. voorzitter, mr. J.H.H. Misdorp, lid, mr. D.G. Hoek, mr. R.F.M. Brugman en E. Bos plv. leden en in tegenwoordigheid van mr. W.E.M. van Erp, plv. secretaris, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2006.
De secretaris De voorzitter