Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1196

Datum uitspraak2006-10-15
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/2405
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag om subsidie voor extra reïntegratiekosten werkgevers ex art. 16 Wet Rea, omdat onderhavige voorzieningen zijn aan te merken als algemeen gebruikelijk in de zin van art. 2, eerste lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (overgangsrecht). Beroep ongegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 06/2405 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser] h.o.d.n. [naam kappersbedrijf], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. K. Boekhorst, en de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 24 maart 2006. 2. Procesverloop Bij besluit van 1 maart 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een meerkostensubsidie ingevolge de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea), voor een aantal voorzieningen ten behoeve van een arbeidsgehandicapte werkneemster, afgewezen. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 4 september 2006. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Ruiter, kantoorgenoot van mr. Boekhorst voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. van der Bent. 3. Overwegingen Verweerder heeft, zich baserend op en onder verwijzing naar het rapport van de bezwaar-arbeidsdeskundige van 23 maart 2006, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, dat de airco, de zonwering en de geluidsarme föhns en droogkappen, waarvoor eiser subsidie heeft aangevraagd, algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn, zodat ingevolge het bepaalde in (artikel 2 van) het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea (hierna: het Besluit) ten aanzien daarvan geen recht op subsidie bestaat. Met betrekking tot de aangepaste werkplek stelt verweerder zich op het standpunt dat geen recht op subsidie bestaat, omdat met de realisering van de overige voorzieningen de noodzaak voor die voorziening ontbreekt. Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Op zijn stellingen zal de rechtbank in het navolgende, voor zover nodig, nader ingaan. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken. Eiser exploiteert een kapsalon, waarvan de voorpui, met grote hoge ramen, op het zuiden is gelegen. Eén van eisers werknemers, [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster), is als gevolg van epilepsie gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard. Bij beschikking van 7 januari 2004 is het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 15 % vastgesteld. In het kader van de beoordeling arbeidsongeschiktheid van de werkneemster heeft de verzekeringsarts A.F. Damee in zijn rapportage van 20 november 2003 als beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid vastgesteld, het werken in/met fel licht, harde en zoemende geluiden en een drukke werkomgeving. Op 9 december 2004 heeft eiser een meerkostensubsidie aangevraagd voor voorzieningen die hij (tot een totaalbedrag van circa € 9.000,00) ten behoeve van de werkneemster heeft getroffen. Het betreft de aanschaf van airconditioning, zonwerende gordijnen, geluidsarme föhns en geluidsarme droogkappen. Voorts heeft eiser ten behoeve van werkneemster een aangepaste werkplek ingericht. Bij besluit van 1 maart 2005 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat de voorzieningen waarvoor de subsidie is aangevraagd als algemeen gebruikelijk worden gezien. Naar aanleiding van het door eiser hiertegen ingediende bezwaarschrift heeft verweerder een (nader) arbeidskundig onderzoek laten verrichten, onder meer bestaande uit een werkplekonderzoek. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in de Rapportage arbeidsdeskundige van F. Mulder van 31 augustus 2005. De conclusie luidt dat er, op preventieve gronden, voldoende aanleiding is te veronderstellen dat er een noodzaak is om het geluidsniveau in de kapsalon omlaag te brengen tot een voor de werkneemster comfortabel niveau en de hoeveelheid invallend licht te beperken. De zonwerende gordijnen, de aangepaste werkplek, en de geluidsarme droogkappen en föhns zijn daarvoor de goedkoopste adequate voorzieningen. Er is geen medische noodzaak voor de aanschaf van een airconditioning, aldus de rapporteur. Tevens heeft verweerder naar aanleiding van het bezwaar een verzekeringsgeneeskundig onderzoek laten verrichten door de bezwaarverzekeringsarts, S.M. Lustenhouwer. Het advies van de arts is neergelegd in de medische rapportage in de bezwaarschriftenprocedure van 28 februari 2006. Hoewel onduidelijk is, of de blootstelling van de werkneemster aan warmte en eentonige harde geluiden werkelijk tot epileptische insulten zal leiden, concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat ervan moet worden uitgegaan dat de werkneemster niet geschikt is voor werkzaamheden waarbij zij in het zonlicht moet werken, of in een omgeving waar veel continu aanwezige, eentonige achtergrondgeluiden zijn dan wel onverwachte, harde geluiden -waarbij het niet mogelijk is een grenswaarde aan te geven-, of in een ruimte die warmer is dan ongeveer 25 graden Celsius. De conclusie luidt dat er op medische gronden voorwaarden te stellen zijn aan de werkplek van werkneemster. Verweerder heeft vervolgens aanleiding gezien een nader advies in te winnen bij de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen, wiens bevindingen zijn neergelegd in de Rapportage arbeidsdeskundige van 23 maart 2006. Hierin wordt onder meer gerapporteerd dat de airco en de zonwering algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn. Met het oog op de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat werkneemster niet geschikt is om in zonlicht te werken, rapporteert de bezwaararbeidsdeskundige voorts dat zijns inziens een toereikende oplossing wordt gecreëerd, indien voornoemde zonwering wordt gerealiseerd. Een speciale werkplek achter in de zaak is dan niet strikt noodzakelijk. Met betrekking tot het geluidsaspect rapporteert de bezwaararbeidsdeskundige dat het op de weg van de werkgever ligt om betere geluidsomstandigheden te creëren en dat de werkgever verplicht is passende gehoorbeschermers beschikbaar te stellen. In dit kader ligt vergoeding van te vervangen föhns en droogkappen niet in de rede, aldus de rapporteur. De conclusie luidt, dat de vergoeding van de gevraagde voorzieningen dient te worden afgewezen. Met betrekking tot het toepasselijke recht overweegt de rechtbank allereerst dat artikel 16 van de Wet Rea is gewijzigd bij de Wet vereenvoudiging socialeverzekeringswetten van 23 december 2004 (gepubliceerd in Stb. 2004, 728). Het overgangsrecht is geregeld in artikel 87e, tweede lid, van de Wet Rea. Ingevolge deze bepaling blijft artikel 16, eerste lid, onderdeel a (oud), zoals dat luidde tot en met 31 december 2004, van toepassing op aanvragen voor subsidie voor extra reïntegratiekosten, die voor 1 januari 2005 zijn ingediend, zoals de onderhavige. Op 29 december 2005 is de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van 10 november 2005 (gepubliceerd in Stb. 2005, 572) in werking getreden. Bij die gelegenheid en per die datum is de Wet Rea in zijn geheel ingetrokken. Dit is geregeld in, onder meer, artikel 2.10 van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen van 10 november 2005 (gepubliceerd in Stb. 2005, 573). Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, voor zover hier van belang, blijven de artikelen van de Wet Rea en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze op grond van artikel 2.10 vervallen, van toepassing op de persoon, instelling of organisatie die een aanvraag tot een instrument op grond van die wet heeft ingediend, zolang dat instrument in dezelfde vorm wordt verstrekt. Artikel 36 van de Wet WIA bevat een regeling voor werkgeverssubsidie, die inhoudelijk overeenstemt met de subsidieregeling van (artikel 16 van) de Wet Rea. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat artikel 16 van de Wet Rea -zoals deze bepaling luidde tot en met 31 december 2004- en de daarop rustende bepalingen, waaronder artikel 2 van het Besluit, op de onderhavige aanvraag van toepassing blijven, zodat verweerder de juiste wettelijke bepalingen heeft toegepast. Ingevolge artikel 16 van de Wet Rea, voor zover hier van belang en zoals deze bepaling luidde tot en met 31 december 2004, kan het Uwv op aanvraag van de werkgever subsidie verstrekken voor meerkosten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder het totaal van de kosten, bedoeld in het eerste lid, verstaan het totaal van de kosten ten behoeve van een arbeidsgehandicapte werknemer en verband houdende met kosten die voortvloeien uit de noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, alsmede met de kosten die voortvloeien uit de aanpassing van de inrichting van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van de arbeidsgehandicapte werknemer aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf. Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Deze nadere regels zijn opgenomen in de artikelen 2 tot en met 5d van het Besluit. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat een subsidie als bedoeld in artikel 16 van de Wet Rea niet wordt verstrekt indien kosten zijn gemaakt ten behoeve van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is. De rechtbank overweegt voorts als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkneemster is aan te merken als arbeidsgehandicapte, in de zin van artikel 2 van de Wet Rea, en dat er een (medische) noodzaak bestaat voor de door eiser aangeschafte airco, zonwering, geluidsarme föhns en droogkappen. Het geding tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de hiervoor genoemde voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit. Vooreerst is de rechtbank van oordeel dat de stelling van eiser, dat verweerder bij zijn besluit tevens het advies van de arbeidsdeskundige van 31 augustus 2005 had moeten laten meewegen, geen doel treft. De rechtbank merkt in dit verband op dat geen sprake is van met elkaar tegenstrijdige adviezen, doch veeleer van elkaar aanvullende adviezen. Waar het advies van 31 augustus 2005 slechts ziet op de - hier niet in geding zijnde - noodzaak voor het treffen van vorenbedoelde voorzieningen, gaat het advies van 23 maart 2006 immers (overwegend) in op de wel in geding zijnde vraag, of die voorzieningen al dan niet algemeen gebruikelijk zijn. Verweerder mocht bij het bestreden besluit, ter motivering van zijn standpunt terzake van laatstbedoelde vraag, in redelijkheid dan ook uitsluitend van dat laatste advies uitgaan. Voor de vraag of een voorziening als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt, acht de rechtbank onder meer van belang, hetgeen in de memorie van toelichting op artikel 2 van het Besluit (Stb. 1998, 293, blz. 12) is vermeld. Blijkens deze toelichting ligt aan die bepaling ten grondslag, dat het niet de bedoeling is dat kosten of diensten worden vergoed die door de meeste mensen (in een bepaalde bedrijfstak) plegen te worden aangeschaft of gebruikt, ook al hangt de aanschaf of het gebruik samen met een ziekte of gebrek. De rechtbank leidt uit de toevoeging “(in een bepaalde bedrijfstak)” af, dat bij de beoordeling in de onderhavige zaak onder meer een rol dient te spelen, in hoeverre de desbetreffende voorzieningen in de kappersbranche gebruikelijk zijn. In dat verband heeft eiser verwezen naar de ter zitting overgelegde ‘Kapperscode’ - die de standaard vormt in de branche voor kwaliteit, hygiënisch werken, arbeidsomstandigheden en milieu - en de (op 30 november 2004 in de Staatscourant gepubliceerde) ‘arbobeleidsregels kappers’. Hoewel beide stukken aanknopingspunten bieden voor wat binnen de kappersbranche als algemeen gebruikelijk (op het gebied van arbeidsomstandighedenbeleid) wordt beschouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden aangenomen dat met deze regels wordt beoogd een uitputtende regeling te geven ten aanzien van de hierboven vermelde aspecten. Anders dan eiser stelt, rechtvaardigt het enkele gegeven, dat de voorzieningen waarvoor door eiser een Rea-subsidie is aangevraagd in de toepasselijke beleidsregels niet met zoveel woorden zijn genoemd, dan ook niet de conclusie dat die voorzieningen niet zijn aan te merken als algemeen gebruikelijk. Daarbij overweegt de rechtbank, dat ten aanzien van voorzieningen als de onderhavige, die zien op de aanpassing van de inrichting van de arbeidsplaats respectievelijk de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, de verplichtingen waaraan eiser in zijn hoedanigheid van werkgever in het algemeen - dus ongeacht de aanwezigheid van een arbeidsgehandicapte werkneemster - heeft te voldoen, mede in ogenschouw dienen te worden genomen. In dit verband speelt de toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden een belangrijke rol. In het licht van het voorgaande onderschrijft de rechtbank de stelling van verweerder, dat van eiser uit hoofde van goed werkgeverschap, en rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de kapsalon, in redelijkheid verwacht mag worden dat hij passende maatregelen treft teneinde een goed werkklimaat te creëren voor al zijn werknemers en niet alleen in het bijzonder voor de werkneemster. Ten aanzien van de door eiser aangebrachte zonwering in het bijzonder, overweegt de rechtbank dat blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van 31 augustus 2005 de ligging en bouw van de kapsalon zodanig is, dat zonder zonwering de zon gedurende een groot deel van de dag rechtstreeks naar binnen schijnt. Ingevolge artikel 6.5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit is eiser als werkgever gehouden om te voorzien in de mogelijkheid dit rechtstreeks invallend zonlicht in de kapsalon te weren. Gelet hierop is de door eiser aangebrachte zonwering naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een algemeen gebruikelijke voorziening. Dat eiser speciale lichtfilterende zonneschermen heeft aangeschaft, doet hier niet aan af, gelet op zijn verklaring ter zitting, dat niet kon worden volstaan met normale zonwering, omdat de mate van verduistering daarvan in de weg zou staan aan een goede haarverfbehandeling in de zaak. Deze verklaring bevestigt slechts dat (juist) deze voorziening binnen de kappersbranche als algemeen gebruikelijk is te beschouwen. Immers, andere kapsalons zullen hetzelfde euvel ondervinden bij gebruikmaking van gewone zonwering en zullen derhalve eveneens aangepaste zonwering plegen aan te schaffen. Gezien de arbotechnische norm, dat het klimaat op de arbeidsplaats zo behaaglijk en gelijkmatig als redelijkerwijs mogelijk dient te zijn, en rekening houdend met de specifieke omstandigheden betreffende de lichtinval en ligging (op de zonkant) van de kapsalon, alsmede de intensiviteit van de aldaar te verrichten werkzaamheden, behoort ook een airconditioning naar het oordeel van de rechtbank tot de door eiser in redelijkheid te treffen maatregelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser blijkens de arbeidsdeskundige rapportage van 31 augustus 2005 ten tijde van het werkplekonderzoek zelf heeft verklaard, dat het in de kapsalon behoorlijk warm kan worden en voorts dat volgens de arbeidsdeskundige een betere klimaatbeheersing alleen mogelijk is door het aanbrengen van een airconditioning. Daarbij is airconditioning, gelet op de grootschalige toepassing ervan binnen diverse bedrijfstakken, naar het oordeel van de rechtbank vandaag de dag niet anders te beschouwen dan als een algemeen gebruikelijk middel tot klimaatbeheersing. Met betrekking tot de door eiser aangeschafte geluidsarme droogkappen en föhns overweegt de rechtbank als volgt. Volgens de arbeidsdeskundige rapportage van 31 augustus 2005 is tijdens het werkplekonderzoek geconstateerd, dat de kapsalon door zijn bouw en het ontbreken van geluidsisolerende middelen zeer gehorig/lawaaiig is. Zonder nader onderzoek kon daarbij vastgesteld worden dat er gedurende de werkdag langdurig ruimschoots boven de grens van 80 Db gewerkt wordt. Voorts blijkt uit die rapportage dat het binnen de kapsalon geproduceerde geluid, op een normale werkdag en met een normale bezetting, van dien aard is, dat een gesprek voeren op een afstand van een halve meter of minder slechts moeizaam lukt. Dit levert niet alleen voor de desbetreffende werkneemster een probleem op, maar ook voor alle andere werknemers in de salon, aldus de arbeidsdeskundige. Ingevolge het bepaalde in artikel 6.8 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient een werkgever ter voorkoming of beperking van de blootstelling aan lawaai op de werkplek zodanige technische of organisatorische maatregelen te nemen, dat de risico’s van blootstelling worden weggenomen aan de bron of tot een minimum worden beperkt. Gelet op het voorgaande was eiser naar het oordeel van de rechtbank ook zonder de arbeidshandicap van de werkneemster gehouden (ten behoeve van al zijn werknemers) geluidsbeperkende voorzieningen te realiseren. Hoewel geluidsbeheersing van föhns en droogkappen volgens de stelling van eiser niet geldt als een algemeen gebruikelijke norm binnen de kappersbranche, zijn geluidsarme föhns en droogkappen naar het oordeel van de rechtbank in het licht van vorenbedoelde verplichting wel degelijk aan te merken als algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit klemt temeer, nu uit de toepasselijke arbotechnische regelgeving tevens volgt, dat bij het voorkomen of beperken van de blootstelling aan lawaai in ieder geval rekening dient te worden gehouden met de keuze van de arbeidsmiddelen die zo min mogelijk lawaai maken. De stelling van eiser, dat hij voornoemde voorzieningen niet zou hebben aangeschaft als de werkneemster geen epileptische klachten had gehad, doet aan de voorgaande overwegingen niet af. Gelet op de toelichting op artikel 2 van het Besluit, doet het er immers niet toe dat de aanschaf of het gebruik samenhangt met een ziekte of gebrek, indien - zoals hier - is vastgesteld dat van algemeen gebruikelijke voorzieningen sprake is. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat door eiser niet aannemelijk is gemaakt, dat met de realisering van de lichtreflecterende zonwering niet reeds een toereikende oplossing voorhanden was voor de beperking van de werkneemster, niet in het zonlicht te kunnen werken. Dit brengt mee dat van de noodzaak, in de zin van artikel 16, tweede lid, van de Wet Rea, voor de door eiser gerealiseerde, aangepaste werkplek niet genoegzaam is gebleken, zodat verweerder terecht heeft besloten geen subsidie te verstrekken voor de met die voorziening gemoeide kosten. Het door eiser gedane beroep op het vertrouwensbeginsel gaat reeds niet op, nu blijkens het verhandelde ter zitting geen sprake is van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging van de zijde van verweerder, dat de aangevraagde subsidie voor de onderhavige voorzieningen zou worden verstrekt. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Kooij, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2006. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Verzonden op: