
Jurisprudentie
AZ1195
Datum uitspraak2006-09-20
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/1295
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 06/1295
Statusgepubliceerd
Indicatie
Langdurige afhandelingstermijn van het bezwaarschrift is in strijd met artikel 6 van het EVRM. Toekenning van een immateriële schadevergoeding van €2000,-.
Uitspraak
RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 06/1295
Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[eisers],
wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. B.P.J.M.L. Vliexs,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groesbeek, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 17 januari 2006.
2. Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2003 heeft verweerder het recht van eisers op een bijstandsuitkering over de periode van 16 mei 2002 tot 1 juli . De over deze periode ten onrechte verstrekte bijstand ten bedrage van € 10.602,32 is van eisers teruggevorderd. Voorts is de aan [eiseres], over de periode van 4 augustus 2002 tot 1 november 2003, toegekende WAO-toeslag teruggevorderd.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 5 juli 2006. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. B.P.J.M.L. Vliexs. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer F. Heida, werkzaam bij verweerders gemeente.
3. Overwegingen
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers, in strijd met de op hun rustende inlichtingenplicht, niet hebben meegedeeld dat zij gedurende de periode van 16 mei 2002 tot 1 juli 2003 inkomsten hadden uit een WAO-uitkering en een invaliditeitspensioen, wat heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand ten bedrage van € 10.602,32. Het recht van eisers op bijstand is daarom herzien met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB terwijl op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB een bedrag van € 10.602,32 teruggevorderd. Aangezien eisers voorts in de periode vanaf 4 augustus 2002 tot 1 november 2003 konden beschikken over een uitkering ingevolge de Toeslagenwet is - naar de rechtsbank heeft begrepen - met toepassing van artikel 82, eerste lid, (lees: aanhef en onder a) van de Abw een bedrag van € 4.381,93 aan teveel verstrekte bijstand teruggevorderd.
Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. Verweerder heeft ten onrechte het terugvorderingsbedrag ad € 10.602,32 niet verminderd met een bedrag van € 4.381,93 aan uitgekeerde WAO-toeslagen. Gelet op de langdurige afhandelingstermijn van het bezwaarschrift met ruim twee jaar, is voorts sprake van strijd met artikel 6 van het (Europees) Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 december 2004 (LJN: AR 7273) wordt verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade ten bedrage van € 2000,-, of een ander redelijk te achten bedrag, dat in mindering moet worden gebracht op het terugvorderingsbedrag van € 10.602,32.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Abw ingetrokken. De hoofdregel is dat op besluiten genomen vanaf 1 januari 2004 de WWB van toepassing is, tenzij in specifieke bepalingen van overgangsrecht anders is bepaald. De CRvB heeft zich onder meer in haar uitspraak van 6 juni 2006 (USZ 2006, 208) uitgelaten over de vraag naar het toepasselijke recht bij het ontbreken van specifieke overgangsbepalingen ten aanzien van de situatie dat het primaire besluit voor 1 januari 2004 is genomen, terwijl daartegen na 31 december 2003 bezwaar is gemaakt. Aangezien dit niet is geregeld in artikel 21, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) oordeelt de CRvB dat de hoofdregel geldt, dat de bepalingen van de WWB onmiddellijke werking hebben. In het geval dat het besluit, zoals ook hier het geval is, gevolgen heeft die zien op de periode voor 1 januari 2004 zijn de materiële bepalingen van de Abw van toepassing.
Gezien het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 31 oktober 2005 begrijpt de rechtbank het bestreden besluit aldus dat de wettelijke grondslag zoals deze is opgenomen in het primaire besluit van 3 december 2003 in stand is gelaten. Verweerder heeft bij het bestreden besluit derhalve met betrekking tot de periode van 4 augustus 2002 tot 1 november 2003 de terugvordering gebaseerd op artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Gelet op het hiervoor vermelde toetsingskader ontleent verweerder echter zijn bevoegdheid tot deze terugvordering aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f ten eerste, van de WWB. Nu verweerder een onjuiste bevoegdheidsgrondslag heeft gehanteerd dient het bestreden besluit reeds hierom te worden vernietigd.
De rechtbank overweegt verder als volgt.
De rechtbank stelt vast dat eisers gedurende de periode van 16 mei 2002 tot 1 juli 2003 inkomsten hadden uit een WAO-uitkering en een invaliditeitspensioen. Over de periode van 4 augustus 2002 tot 1 november 2003 is aan eiseres een WAO-toeslag toegekend tot een bedrag van € 4.381,93. Dit bedrag is door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)op 12 januari 2004 rechtstreeks uitbetaald aan verweerder waarna deze tot verrekening is overgegaan met de door eisers teveel ontvangen bijstand.
Het geding spitst zich toe op de vraag of de door verweerder verrekende WAO-toeslag niet in mindering dient te worden gebracht op het teruggevorderde bedrag van € 10.602,31. Voor zover de uitgekeerde WAO-toeslag betrekking heeft op de periode van 16 mei 2002 tot 1 juli 2003 beantwoordt de rechtbank deze vraag ontkennend. Immers uit de door verweerder verstrekte specificatie van de verstrekte bijstand en de door eisers genoten inkomsten, volgt dat eisers in genoemde periode een bedrag van ruim € 15.000,- aan bijstand hebben ontvangen. Nu eisers, naast de door hen niet opgegeven WAO uitkering, nog een bedrag aan toeslag is toegekend, is verweerder bevoegd de bijstand voor zover deze het bedrag van € 10.602,31 overtreft, van eisers terug te vorderen.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder het gehele bedrag van de toeslag - zoals blijkt uit de verstrekte specificatie - ten onrechte heeft toegerekend aan de periode van 16 mei 2002 tot 1 juli 2003. Blijkens de gedingstukken heeft de toeslag betrekking op de periode van 4 augustus 2002 tot 1 november 2003 en valt derhalve gedeeltelijk buiten eerstgenoemde periode. Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de Abw worden de inkomsten in aanmerking genomen naar de periode waarin deze zijn verworven. Dit brengt mee dat het gedeelte van de toeslag dat betrekking heeft op de periode 1 juli 2003 tot 1 november 2003 niet in de terugvordering, voor zover deze ziet op de periode tot 1 juli 2003 kan worden betrokken. Het besluit dient derhalve ook om deze reden te worden vernietigd.
Eisers hebben verzocht om veroordeling van verweerder tot vergoeding van de immateriële schade die zij stellen te hebben geleden als gevolg van de trage behandeling van hun bezwaarschrift.
Ten aanzien hiervan zoekt de rechtbank aansluiting bij de jurisprudentie van de CRvB en van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) inzake de toekenning van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in de procedure. De rechtbank stelt voorop dat de grief van eiser over de lange duur van de procedure zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuursorgaan in dit geding. In het algemeen begint de termijn te lopen op het moment dat de belanghebbende bezwaar aantekent tegen het primaire besluit en eindigt op de datum waarop de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank stelt vast dat vanaf de indiening van het bezwaarschrift (13 januari 2004) tot aan de datum van de bestreden beslissing (17 januari 2006) 24 maanden zijn verstreken. Tussen de indieningsdatum van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak liggen bijna 32 maanden. De rechtbank is, onder verwijzing naar de standaarduitspraak van de CRvB van 8 december 2004, LJN AR7273, van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn is overschreden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van eisers een rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door de onaanvaardbaar lange termijn die hij heeft genomen om zijn besluitvorming af te ronden, eisers er tevens van heeft afgehouden om het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op berechting binnen een redelijke termijn te effectueren.
De rechtbank acht aannemelijk dat eisers als gevolg van de lange duur van de procedure en het grote financiële belang daadwerkelijk een bepaalde mate van spanning en frustratie heeft ondergaan. De rechtbank acht om die reden termen aanwezig om de gemeente Groesbeek te veroordelen tot vergoeding van de door eisers geleden immateriële schade.
In onder andere de uitspraak Apicella vs. Italië van 10 november 2004 (nr. 64890/01) heeft het EHRM uiteengezet aan de hand van welke criteria hij in geval van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM tot een standaardbedrag voor immateriële schade komt en welke feiten en omstandigheden aanleiding kunnen zijn om dit bedrag in een individueel geval te verhogen dan wel te verlagen. Volgens deze criteria moet worden gedacht aan een bedrag tussen de € 1000,- en € 1500,- per jaar dat de procedure heeft geduurd, waarbij de materiële uitkomst van de procedure er niet toe doet. Bij het daaruit voortvloeiende basisbedrag kan verder € 2000,- worden opgeteld wanneer het gaat om een zaak van aanzienlijk belang, zoals bijvoorbeeld aan de orde is in arbeidszaken, pensioenkwesties en zaken betreffende gezondheid of leven. Reductie van de basisvergoeding kan plaatsvinden wanneer bij de procedure veel rechterlijke instanties betrokken zijn. Andere redenen voor een dergelijke reductie kunnen zijn - onder andere - het gedrag van betrokkene, en “de belangen die in het geding zijn” bijvoorbeeld de financiële belangen van betrokkene, de levensstandaard in het betrokken land, hoe lang betrokkene zelf in de procedure betrokken is geweest, en of in een nationale procedure al een schending van artikel 6 EVRM is vastgesteld en daarvoor een schadevergoeding is toegekend.
Gelet op het hierboven vermelde toetsingskader acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 2000,- redelijk en stelt het bedrag van de schadevergoeding dan ook op dat bedrag vast.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Eisers hebben voorts verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over eerder genoemd bedrag van € 4.381,93. Nu er geen sprake is van te late betaling van een geldsom door verweerder, komt dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking.
De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eisers met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand hebben geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.
Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Groesbeek aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van het registratienummer AWB 06/1295;
bepaalt voorts dat de gemeente Groesbeek het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,- aan hen vergoedt;
wijst het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over € 4.381,93 af;
veroordeelt de gemeente Groesbeek tot vergoeding van immateriële schade aan eisers ten bedrage van € 2000,-.
Aldus gegeven door mr. E. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. R. Zijmers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2006.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Verzonden op: