Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1187

Datum uitspraak2006-09-28
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers351512 / KG 06-1608 SR
Statusgepubliceerd


Indicatie

JG Entertainment is (in reconventie) veroordeeld tot het betalen van een bedrag van ruim € 133.000,- aan BNN. Dat is 60% van de winst die behaald is met de tweede compilatie DVD van het televisieprogramma De Lama’s, die JGE en BNN gezamenlijk hebben uitgebracht. Dat is de uitkomst van het kort geding dat JGE tegen BNN had aangespannen. Of BNN ook de derde compilatie DVD samen met JGE moet exploiteren is een vraag die zich niet leent voor beantwoording in kort geding.


Uitspraak

SR/MB vonnis 28 september 2006 RECHTBANK IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM VOORZIENINGENRECHTER IN KORT GEDING VONNIS i n d e z a a k m e t n u m m e r s 351512 / KG 06-1608 SR v a n : de besloten vennootschap JG ENTERTAINMENT B.V., gevestigd te Hoofddorp, e i s e r e s in conventie bij dagvaarding van 12 september 2006, v e r w e e r s t e r in reconventie, procureur mr. Ch.E. Koster, t e g e n : de vereniging BART’S NEVERENDING NETWORK, gevestigd te Hilversum, g e d a a g d e in conventie, e i s e r e s in reconventie, procureur mr. M.C.S. de Boer. VERLOOP VAN DE PROCEDURE Ter terechtzitting van 14 september 2006 heeft eiseres in conventie, verder te noemen JGE, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij de vordering heeft beperkt tot opheffing van het beslag onder de Rabobank, aangezien de overige beslagen geen doel hebben getroffen en daarom reeds opgeheven zijn. Gedaagde, verder te noemen BNN, heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en vervolgens in reconventie gevorderd overeenkomstig de eveneens in fotokopie aan dit vonnis gehechte akte. JGE heeft de vordering in reconventie bestreden. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. GRONDEN VAN DE BESLISSING In conventie en in reconventie : 1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten. a. JGE houdt zich bezig met de productie en marketing van mediaproducten zoals compilatie-DVD’s van succesvolle televisieprogramma’s. Directeur van JGE is [persoon1]. b. BNN is een omroepvereniging die zich onder meer ten doel stelt het verzorgen en uitzenden van televisieprogramma’s. Eén van die programma’s is “De Lama’s.”. c. Partijen zijn in de loop van 2005 een samenwerking aangegaan, met onder meer als onderwerp het exploiteren van een compilatie DVD van “De Lama’s”. d. In een door JGE overgelegde “Samenvatting afspraken BNN en JGE”, gedateerd 27 september 2005 staat onder meer: “JGE heeft exclusieve licentie op de DVD titel “De Lama’s Spugen Er Op Los!” BNN verleent JGE het 1e optierecht op toekomstige DVD-releases van De Lama’s.” e. Bij brief van 3 oktober 2005 heeft [persoon2] namens JGE aan BNN een contract toegezonden, betrekking hebbend op de onder c genoemde samenwerking, met het verzoek dit te ondertekenen. Het contract bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen: “Artikel 1. Definities In het kader van de Overeenkomst wordt verstaan onder: Opnamen: reeds bestaande en toekomstige audiovisuele opnamen van en gebaseerd op de TV-serie “De Lama’s” zoals BNN deze heeft opgenomen en deels op televisie heeft uitgezonden en/of vertoond (...). (...) Artikel 3. Duur en verlenging van Overeenkomst: 3.1. De Overeenkomst gaat in bij ondertekening daarvan en eindigt van rechtswege (...) op 1 september 2010. (...) Artikel 6. Financiële afspraken (...) 6.2 Partijen komen overeen dat zij respectievelijk BNN 60% en JG Entertainment 40% zullen bijdragen in ieder eventueel verlies gemoeid met de exploitatie van de reproducties en de exploitatie van daarvan afgeleide producten en diensten, terwijl aan elk van Partijen respectievelijk BNN 60% en JG Entertainment 40% van de netto-opbrengst en daarvan afgeleide producten en diensten zal toekomen.” BNN heeft dit contract niet ondertekend. f. Partijen hebben in 2005 gezamenlijk de compilatie-DVD “De Lama’s spugen erop los” geëxploiteerd. Dit was de tweede compilatie-DVD die van het programma “de Lama’s” is verschenen. De eerste is geproduceerd door BNN in samenwerking met [persoon3], de voormalige werkgever van[persoon1]] g. Bij e-mail van 21 december 2005 heeft [persoon4], de bedrijfsjurist van BNN intern aan marketing coördinator [persoon5] een ander conceptvoorstel toegezonden, naar aanleiding van het door JGE bij 1 e genoemde concept. Dit is toen niet aan JGE doorgestuurd. h. Bij e-mail van 31 januari 2006 heeft [persoon5] van BNN aan [persoon1] van JGE onder meer het volgende bericht: “Ik begreep (...) dat jullie de overeenkomst nog niet van ons terug hebben ontvangen. Ik ben aan het uitzoeken waar dit uithangt. Omdat (...) niet aanwezig is blijft dit nu even hangen. Dit komt goed alleen moet ik even op (...) wachten.” i. Bij brief van 30 maart 2006 heeft JGE aan BNN het “winstdelingsstatement” over 2005 toegezonden. In de brief staat: “Aangezien het desbetreffende contract echter niet getekend is, kunnen aan deze overzichten vooralsnog geen rechten ontleend worden. Wanneer het conceptcontract zoals dat nu voorligt getekend wordt, kunt u ons factureren voor respectievelijk EUR 99.936,58 en EUR 12.398,97, vermeerderd met BTW.” Op 27 april 2006 heeft BNN aan JGE een factuur gestuurd voor deze bedragen (in totaal inclusief BTW € 133. 679,30). j. Bij e-mail van 4 mei 2006 heeft [persoon1] namens JGE aan BNN (in de persoon van onder anderen [persoon5]) voorgesteld om “snel rond de tafel te gaan zitten om de inhoud van en de timing voor de 3e DVD concreet te maken.” k. Bij e-mail van 15 mei 2006 heeft [persoon5] namens BNN aan [persoon1] een aangepaste overeenkomst doen toekomen en voorgesteld een afspraak te maken om “verder van gedachten te wisselen over de totstandkoming van de nieuwe Lama dvd tbv ledenwerving.” De aangepaste overeenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “In aanmerking nemende dat: ? BNN de rechten heeft om de door haar uitgezonden tweede reeks van de televisieserie “De Lama’s” te (doen) exploiteren op DVD en video (...) en deze rechten (...) tezamen met JG Entertainment wenst te benutten op de wijze zoals in deze overeenkomst beschreven. (...) Artikel 1 Definities In het kader van de Overeenkomst wordt verstaan onder: - Opnamen: de audiovisuele opnamen van het tweede seizoen van de televisieserie “De Lama’s” zoals BNN deze heeft opgenomen en op televisie heeft uitgezonden (...). (...) Artikel 3 Duur en verlenging van de Overeenkomst 3.1 De Overeenkomst gaat in per 20 september 2005 en eindigt van rechtswege en derhalve zonder dat enige opzegging vereist is op 1 september 2008.” Ook dit concept is nimmer ondertekend. l. In zowel het concept van JGE als in dat van BNN is opgenomen dat BNN 60% en JGE 40% van de winst of het verlies zal ontvangen, respectievelijk dragen. Verder is in beide teksten vermeld dat JGE telkens binnen drie maanden na afloop van ieder kalender halfjaar een gespecificeerde afrekening doen toekomen van de netto-opbrengst, respectievelijk het verlies, voortvloeiend uit de exploitatie van de DVD. m. Bij brief van 27 juni 2006 heeft BNN aan JGE het volgende meegedeeld: “Zoals al geruime tijd bij je bekend zal BNN de derde dvd van De Lama’s in gaan zetten ten behoeve van de ledenwerving. (...) Vooralsnog zal deze dvd niet in de reguliere handel worden uitgebracht. In het kader van kostenbeheersing zal BNN deze dvd volledig in eigen beheer samenstellen, produceren, verkopen en distribueren. Ik ga er van uit dat je begrip hebt voor onze beslissing. Als BNN op een later moment besluit om deze nieuwe dvd alsnog in de handel uit te brengen dan zullen we jullie, vanzelfsprekend, in de gelegenheid stellen om voor de distributie en sales van deze dvd een offerte uit te brengen. Onze samenwerking rond de dvd De Lama’s spugen erop los! blijft van kracht en wij vertrouwen op een prettige voortzetting van deze samenwerking.” n. Bij fax van 5 juli 2006 heeft [persoon1] aan [persoon6] onder meer het volgende meegedeeld: “Vorig jaar hebben wij samen heldere afspraken gemaakt en omdat BNN’s jurist op dit moment druk was heb je mij gevraagd (..) onze samenwerkingsovereenkomst op te stellen. (...) Als je het niet eens was met de door mij geformuleerde afspraken (wat ik mij niet kan voorstellen omdat ze er één-voor-één in opgenomen zijn), had je natuurlijk in september 2005 aan de bel moeten trekken. (...) Dat je eenzijdig het besluit neemt om de eerstvolgende DVD van “De Lama’s” - tenminste vooralsnog - uitsluitend aan nieuwe leden wilt aanbieden, getuigt niet van respect voor onze meerjarenafspraak en raakt mijn business rechtstreeks in het hart. En dat je bovendien nu ineens zegt niet van plan te zijn JGE bij deze release te betrekken, staat eveneens haaks op onze samenwerkingsovereenkomst. (...) o. Bij brief van 14 juli 2006 heeft [persoon4] aan JGE meegedeeld dat BNN niet met de door JGE opgestelde conceptovereenkomst heeft ingestemd en dat de afspraken tussen partijen alleen de DVD van het tweede seizoen betroffen. Verder heeft (de jurist van) BNN JGE in deze brief gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 112.335,55 (exclusief BTW, zie onder 1 i) te voldoen. p. Op 3 augustus 2006 heeft BNN de onder o genoemde sommatie herhaald. q. Bij fax van 7 augustus 2006 heeft [persoon1] namens JGE aan BNN meegedeeld dat het verbreken van de meerjarenafspraak leidt tot schadeplichtigheid van BNN en heeft hij (het management van) BNN uitgenodigd voor een gesprek. r. In augustus 2006 heeft nog meer correspondentie plaatsgevonden tussen partijen. Deze heeft niet geleid tot oplossing van hun geschil. s. BNN heeft, na daartoe op 9 augustus 2006 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, op 11 augustus 2006 ten laste van JGE conservatoir derdenbeslag gelegd onder meer onder de Rabobank, waarbij de vordering van BNN is begroot op € 140.000,-. t. Op 25 augustus 2006 heeft BNN JGE gedagvaard in een bodemprocedure, terzake van de onder s vermelde vordering. u. Op 6 september 2006 heeft de raadsvrouw van JGE haar een (gespecificeerde) declaratie gezonden voor haar werkzaamheden, ter hoogte van € 5.281,27 (exclusief BTW). v. Volgens een gespecificeerd overzicht van JGE bedraagt de inkomstenderving van JGE voor het niet mee-exploiteren van “De Lama’s”-DVD deel 3 en 4 naar schatting € 136.077,00. w. Partijen hebben over en weer verklaringen (uit augustus en september 2006) in het geding gebracht van medewerkers van BNN en JGE over de aard en inhoud van de samenwerking. 2. JGE vordert thans in conventie, kort gezegd, opheffing van het onder 1 s vermelde beslag, onder bekendmaking daarvan aan de betrokken derde, met veroordeling van BNN tot betaling van een bedrag van € 5.281,27 (exclusief BTW) aan buitengerechtelijke kosten (als vermeld onder 1 u) en tot betaling van de proceskosten. 3. JGE heeft haar vordering in conventie, samengevat, als volgt toegelicht. Partijen zijn een meerjarige samenwerking aangegaan voor de exploitatie van de DVD’s van de Lama’s. JGE heeft de mondeling gemaakte afspraken op papier gezet en op 3 oktober 2005 aan BNN toegezonden. BNN heeft de overeenkomst, ondanks toezeggingen, niet getekend, maar partijen hebben er wel uitvoering aan gegeven. BNN heeft nimmer kenbaar gemaakt het met de weergegeven afspraken niet eens te zijn. Voor zover de afspraken al niet definitief zouden zijn, heeft BNN in elk geval bij JGE het vertrouwen gewekt dat de samenwerking ook voor volgende DVD’s zou gelden. Pas in mei 2006 kwam BNN ineens met een ander concept en betoogde zij plots dat de samenwerking slechts één DVD betrof. De exploitatie van de DVD verloopt uiterst succesvol, met name dankzij de marketing inspanningen en investeringen van JGE, die voornamelijk lange termijn investeringen zijn. BNN heeft in strijd met de afspraken besloten om JGE bij de exploitatie van de derde DVD buitenspel te zetten. JGE lijdt daardoor schade. BNN heeft geen grond om van JGE de volledige vergoeding te vorderen voortvloeiend uit de exploitatie van “De Lama’s spugen er op los”, aangezien de verdeelsleutel van 60/40 gebaseerd was op een lange termijn samenwerking. Bovendien heeft JGE een tegenvordering die de vordering van BNN overtreft. De vordering van BNN is dan ook summierlijk ondeugdelijk. Daarnaast heeft JGE voldoende zekerheid aangeboden aan BNN voor verhaal van haar vordering, door middel van een depot ter hoogte van de vordering, bij de raadsvrouw van JGE, onder de gebruikelijke en redelijke voorwaarden. Er is dus alle reden om de gelegde beslagen op te heffen. Verder heeft JGE recht op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, nu zij middels haar advocaat alles heeft gedaan om tot een schikking en opheffing van de beslagen te komen. JGE wordt door de beslagen gehinderd in de uitoefening van haar bedrijf en heeft dus een spoedeisend belang bij de opheffing. 4. BNN heeft tegen de vordering in conventie verweer gevoerd en in reconventie veroordeling gevorderd van JGE tot betaling aan BNN van een bedrag van € 133.679,30 (inclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, tot betaling van een bedrag van € 2.450,- aan buitengerechtelijke incassokosten en tot afgifte van de winstdeling- en royaltystatements voor de verkopen van de DVD “De Lama’s Spugen Er Op Los” over het eerste half jaar van 2006, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert BNN veroordeling van JGE tot betaling aan BNN van het bedrag dat JGE op grond van die statements verschuldigd is, alsmede veroordeling van JGE in de proceskosten, inclusief de beslagkosten. 5. BNN heeft haar verweer tegen de vordering in conventie, alsmede haar vordering in reconventie, samengevat, als volgt toegelicht. Partijen hebben alleen afspraken gemaakt over de exploitatie van de tweede DVD van de Lama’s. De afspraken stonden nog niet op papier, dat zou in een later stadium nog gebeuren. Uiteindelijk is men het over de tekst niet eens geworden. Bij de eerste DVD die is gemaakt samen met het bedrijf [persoon3], is helemaal niets op papier gezet. BNN erkent dat partijen een meerjarenovereenkomst zijn aangegaan (ten aanzien van de tweede DVD), hoewel het exacte aantal jaren nog niet vast lag. Verder was men het eens over de verdeelsleutel van winst en verlies. JGE is het door BNN gevorderde bedrag, zijnde 60% van de netto-winst, dan ook zonder meer aan BNN verschuldigd. Het staat BNN vrij om de derde DVD alleen in te zetten voor ledenwerving. Er is geen sprake van een ondeugdelijke vordering en de door JGE geboden zekerheid biedt minder garanties dan het beslag. Er is dan ook geen grond voor opheffing daarvan. JGE heeft geen schade geleden, de marketing was puur gericht op de exploitatie van de tweede DVD. En zelfs al zou JGE wel het recht hebben om schade te claimen, dan is deze veel te hoog gesteld. BNN heeft een spoedeisend belang bij toewijzing van de geldvordering. Overigens is BNN nog steeds bereid de samenwerking met JGE met betrekking tot de DVD “De Lama’s Spugen Er Op Los!” voort te zetten. 6. JGE heeft, met verwijzing naar haar toelichting op haar vordering in conventie, tegen de vordering in reconventie verweer gevoerd. JGE heeft voorts aangevoerd tot afgifte van de “winststatements” niet gehouden te zijn, alleen al niet omdat de in beide overeenkomsten opgenomen periode van drie maanden waarbinnen dat zou moeten, nog niet voorbij is. Beoordeling van het geschil In conventie en in reconventie. 7. Allereerst zal worden ingegaan op de vordering in reconventie van BNN, welke vordering immers ook de grondslag vormt van het beslag waarvan JGE thans in conventie opheffing vraagt. 8. De vordering van BNN op JGE is gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen, over de precieze inhoud waarvan zij van mening verschillen. Het door JGE aan BNN op 3 oktober 2005 toegezonden concept is niet ondertekend, zodat niet zonder meer van de inhoud daarvan kan worden uitgegaan. Vast staat dat de overeenkomst in elk geval betrekking had op de gezamenlijke exploitatie van de DVD “de Lama’s Spugen erop los!” en dat afgesproken was dat BNN 60% en JGE 40% van de eventuele winst zouden ontvangen. Vast staat ook dat 60% van de winst over 2005 correspondeert met een bedrag van € 133.679,30. JGE heeft de vordering in zoverre ook erkend, zij het dat zij zich beroept op verrekening en daarnaast heeft aangevoerd dat zij een dergelijke verdeelsleutel niet zou hebben afgesproken als het hier slechts om de exploitatie van één DVD ging. Voor wat betreft de verrekening stelt JGE een tegenvordering te hebben op BNN, bestaande uit de schadevergoeding die BNN zou moeten voldoen, omdat zij zich niet houdt aan de bestaande meerjarenovereenkomst, aangezien die volgens JGE ook betrekking heeft op toekomstige DVD’s van de Lama’s. De schade bestaat uit gederfde inkomsten en investeringskosten, aldus JGE. 9. De enkele omstandigheid dat BNN, na de intern in december 2005 geuite bedenkingen, pas in mei 2006 jegens JGE heeft gereageerd op de conceptovereenkomst van 3 oktober 2005, en daarvóór niet heeft meegedeeld het niet (geheel) met de tekst eens te zijn, betekent niet dat er vanuit mag worden gegaan dat BNN zonder meer instemde met alle daarin weergegeven afspraken. JGE heeft vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen zij in het concept van 3 oktober 2005 heeft vastgelegd slechts een weerslag was van hetgeen reeds mondeling was overeengekomen. Dit strookt bijvoorbeeld niet met het onder 1 d vermelde “1e optierecht” ten behoeve van een derde DVD, in de door JGE zelf overgelegde samenvatting van de afspraken. Een optierecht is immers iets anders dan een vaste afspraak. Aannemelijk is wel dat sprake zou zijn van een overeenkomst voor meerdere jaren, - BNN heeft dat zelf ook in haar concept opgenomen - maar dat impliceert niet dat de overeenkomst ook alle toekomstige DVD’s van de Lama’s zou omvatten. De exploitatie van de tweede DVD beperkt zich immers ook niet tot één kalenderjaar. 10. Evenmin heeft JGE voldoende aannemelijk kunnen maken dat BNN bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat JGE ook de toekomstige DVD’s van De Lama’s zou kunnen (mee-) exploiteren. Uit de correspondentie valt dat niet af te leiden. De mededeling “Dit komt goed” van [persoon5] is daartoe in elk geval onvoldoende. Duidelijk is wel dat JGE hoopte en er mogelijk zelfs vanuit ging dat de samenwerking zich zou uitstrekken over toekomstige DVD’s, maar deze veronderstelling dient op basis van de thans bekende feiten en omstandigheden vooralsnog voor haar rekening te komen. 11. Zowel JGE als BNN zijn het er over eens dat JGE 60% van de netto opbrengst van de DVD dient af te dragen aan BNN. JGE stelt daar alleen een vordering tegenover die door BNN wordt betwist en die nader onderzoek vereist waarvoor het kort geding zich niet leent. Bij deze stand van zaken doet zich de situatie voor van artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en is aannemelijk dat de bodemrechter de vordering van BNN zal toewijzen. Voor zover JGE heeft willen stellen dat zij een beroep op opschorting doet, wordt vooralsnog geoordeeld dat tegenover de onbetwiste vordering van BNN de vordering van JGE zo weinig aannemelijk is gemaakt dat een opschorting niet gerechtvaardigd wordt geacht. Voor zover JGE zich op een wilsgebrek heeft willen beroepen – zij zou de verdeelsleutel nooit geaccepteerd hebben wanneer zij had geweten dat de samenwerking maar één DVD betrof – geldt dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat voldaan is aan de vereisten van artikel 6:228 BW. In conventie voorts. 12. Uit het voorgaande volgt dat het beslag in elk geval niet behoeft te worden opgeheven wegens het summierlijk ondeugdelijk zijn van de daaraan ten grondslag liggende vordering. 13. JGE heeft verder nog betoogd dat het beslag moet worden opgeheven, omdat voldoende zekerheid is aangeboden. De zekerheid die volgens de dagvaarding is geboden, een depot bij de raadsvrouw van JGE onder de “gebruikelijke en redelijke voorwaarden”, kan echter, nu die voorwaarden niet nader zijn omschreven en BNN deze niet acceptabel achtte, niet zonder meer afdoende worden geacht. De omstandigheid dat JGE de aangeboden voorwaarden voor de zekerheidsstelling ter zitting nader heeft geconcretiseerd biedt evenmin aanleiding tot opheffing van het beslag, mede gelet op hetgeen hierna in reconventie nog zal worden overwogen. 14. Aangezien het voorgaande betekent dat de vordering van JGE wordt afgewezen, bestaat evenmin enige grond voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten. 15. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt JGE veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. In reconventie voorts. 16. Zoals hiervoor reeds werd overwogen is voldoende aannemelijk dat de vordering van BNN in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen en bestaat er vooralsnog geen grond om het beroep op verrekening, althans opschorting van BNN te honoreren. JGE heeft verder onvoldoende gesteld om aan te nemen dat BNN niet in staat zou zijn het ontvangen bedrag terug te betalen, indien zij in een nadere gerechtelijke procedure alsnog in het ongelijk zou worden gesteld. Ook een eventueel restitutierisico biedt dus, anders dan JGE heeft aangevoerd, geen grond voor afwijzing van de vordering in reconventie. Nu BNN een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het gevorderde bedrag, gelegen in haar bedrijfsbelang, is de slotsom dat de vordering van BNN zal worden toegewezen. Het conservatoire beslag wordt daarmee een executoriaal beslag, zodat BNN met zekerheidstelling geen genoegen behoeft te nemen. Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat het JGE vrij staat voor de door haar gestelde vorderingen zekerheden te verlangen dan wel verlof voor het treffen van conservatoire maatregelen te vragen. 17. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat de verrichtingen van (de raadsman van) BNN niet meer betreffen dan de verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering reeds een vergoeding plegen in te houden. De wettelijke handelsrente zal worden toegewezen, nu JGE tegen dat onderdeel van de vordering, behoudens het verweer tegen de vordering van de hoofdsom, geen verweer heeft gevoerd, en aannemelijk is dat hier sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119A lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. 18. Het bedrag tot voldoening waarvan JGE zal worden veroordeeld, geldt als voor-schot op en ter nadere verrekening met hetgeen zij ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn. 19. Voor toewijzing van de vordering tot afgifte van “winstdelings- en royaltystatements” over het eerste halfjaar van 2006 en tot het op basis daarvan aan BNN verschuldigde bedrag, bestaat thans geen grond omdat, zoals JGE terecht heeft betoogd, de periode waarbinnen dat volgens de conceptovereenkomst van beide partijen zou moeten, op dit moment nog niet verstreken is. 20. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal JGE worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie, die, vanwege de samenhang met het geding in conventie, zullen worden beperkt tot de beslagkosten, voor zover nader gespecificeerd en het salaris procureur, voor de indiening van het beslagrekest. BESLISSING IN KORT GEDING: De voorzieningenrechter: In conventie : 1. Weigert de gevraagde voorziening. 2. Veroordeelt JGE in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van BNN begroot op: - € 248,= aan vastrecht en - € 816,= aan salaris procureur. In reconventie : 3. Veroordeelt JGE tot voldoening aan BNN van een bedrag van € 133.679,30 (honderd drieëndertigduizend zeshonderd negenenzeventig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 12 mei 2006 tot aan de dag der voldoening. 4. Veroordeelt JGE in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van BNN begroot op € 215,58 aan beslagkosten en op € 383,- aan het met het beslag samenhangende salaris procureur. 5. Wijst het meer of anders gevorderde af. In conventie en in reconventie : 6. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Gewezen door de vice-president mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter in kort geding in de rechtbank te Amsterdam, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 28 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier. Coll.