Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1178

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6542 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen ontheffing arbeidsverplichting. Advies GGD. Medische beperkingen leiden niet noodzakelijkerwijs tot volledige arbeidsongeschiktheid.


Uitspraak

05/6542 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 oktober 2005, 05/559 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal (hierna: College) Datum uitspraak: 24 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2006. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Bekker, werkzaam bij de gemeente Veenendaal. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Bij besluit van 13 juli 2004 heeft het College appellante de arbeidsverplichtingen opgelegd als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), in die zin dat appellante arbeidsgeschikt wordt geacht voor tien uur per week. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 juli 2004 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 januari 2005 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, waarbij zij zich - samengevat - op het standpunt stelt dat zij als gevolg van de bij haar aanwezige medische beperkingen volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante enkele (medische) stukken ingebracht. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Met betrekking tot het voor deze zaak geldende wettelijk kader is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het College bij de besluiten van 13 juli 2004 en 25 januari 2005 diende te beslissen met toepassing van de artikelen 107 en 113 van de Abw. Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Abw zijn burgemeester en wethouders bevoegd de verplichtingen in hoofdstuk VIII van de Abw, en in het bijzonder de arbeids-verplichtingen neergelegd in artikel 113 van de Abw, niet op te leggen dan wel daarvan tijdelijk ontheffing te verlenen in de gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand. Het College heeft aan het besluit van 13 juli 2004 ten grondslag gelegd het advies van 9 juli 2004 van de GGD-arts S. Rutgers, volgens welk advies appellante, rekening houdende met de bij haar bestaande lichamelijke beperkingen, arbeidsgeschikt is voor tien uur per week. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden heeft besloten appellante niet (langer) te ontheffen van de arbeidsverplichtingen bedoeld in artikel 113 van de Abw. Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat het College zich voor het medische aspect kon en mocht baseren op het bij de GGD ingewonnen medisch advies, aangezien dit advies zowel wat de wijze van totstandkoming betreft als naar zijn inhoud deugdelijk is te achten. De door appellante nog ingebrachte (medische) stukken leiden de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad tekent hierbij nog aan dat de medische beperkingen van appellante op zichzelf niet noodzakelijker-wijs hoeven te leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid, maar dat van doorslag-gevende betekenis is of met inachtneming van die beperkingen nog enige arbeid mogelijk is. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III.BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006. (get.) Th.C. van Sloten. (get.) S.W.H. Peeters.