Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1170

Datum uitspraak2006-08-03
Datum gepubliceerd2006-11-03
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers06/0467
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen naheffing vast recht, nu griffier beschikte over alle vereiste gegevens, die blijken uit de appeldagvaarding en het vonnis in eerste aanleg. Geen mededeling gedaan dat de heffing een voorlopig karakter droeg omdat nadere gegevens waren vereist.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER BESCHIKKING op het verzet op grond van art. 25 Wtbz van: 1. [X], wonend te [Y], 2. Loyens & Loeff N.V., namens welke optreedt mr. M. Das, kantoorhoudende te Amsterdam verzoekers. 1. De procedure Bij op 21 maart 2006 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met één productie, zijn verzoekers in verzet gekomen tegen de onder te noemen beslissing van de griffier van dit hof van 28 februari 2006. Het hof heeft beschikking bepaald op heden. 2. Bestreden beslissing 2.1. Bij beslissing van 28 februari 2006 heeft de griffier van dit hof in de zaak met rolnummer 05/764 een bedrag van € 4.449,-- aan vast recht nageheven, omdat uit het gefourneerde procesdossier is gebleken dat het in die zaak niet ging om een vordering van onbepaalde waarde (verklaring voor recht), maar om een (subsidiaire) vordering van € 158.000,--. Het vast recht dat verschuldigd is bij deze vordering bedraagt € 4.740,-- en niet het eerder in rekening gebrachte bedrag van € 291,--. De zaak heeft betrekking op vorderingen die primair strekken tot een verklaring voor recht van eigendom van [X] en de afgifte aan hem van een schilderij. 3. Verzoek 3.1. Verzoekers maken bezwaar tegen het alsnog in rekening brengen van het hogere vast recht onder meer stellende, met een beroep op de rechtszekerheid, dat de griffier niet het recht heeft vast recht na te heffen, terwijl er reeds een heffing van vast recht heeft plaatsgevonden nadat de griffier de beschikking had over de stukken waarin de aard van de vorderingen was geformuleerd. Verzoekers hebben gesteld dat de memorie van grieven, waarin de vorderingen van [X] zijn vermeld, op 19 mei 2005 is ingediend en de heffing van het vast recht van € 291,-- heeft plaatsgevonden bij nota van 27 juni 2005. Verzoekers mochten er derhalve op vertrouwen dat het juiste vast recht was geheven. Eerst na negen maanden heeft de griffier bij brief van 28 februari 2006 te kennen gegeven dat er vast recht moest worden nageheven, hetgeen aldus verzoekers ingaat tegen de rechtszekerheid. Zij verwijzen in dit verband naar een uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 1993 (NJ 1994,436). Gelet op het bovenstaande mochten verzoekers, zelfs indien er al een vast recht ter zake van betaling van een geldsom verschuldigd zou zijn, er op vertrouwen dat de oorspronkelijke heffing ad € 291,-- definitief was en kan de griffier hier niet ten nadele van verzoekers op terug komen, aldus verzoekers. Zij verzoeken derhalve: - het verzet gegrond te verklaren, - de beslissing van de griffier van 28 februari 2006 te vernietigen; - te gelasten dat de aldus ten onrechte in rekening-courant van Loyens & Loeff N.V. gedane boeking dienovereenkomstig ongedaan wordt gemaakt, en - het verschuldigde vast recht vast te stellen op het oorspronkelijk door de griffier geheven bedrag van € 291,--. 4. Beoordeling 4.1. Conform de uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 1993 (NJ 1994,436) is het hof met verzoekers van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel grenzen stelt aan de bevoegdheid van de griffier tot het naheffen van vast recht. Nu de griffier op het moment dat hij het vast recht hief, te weten op 28 april 2005, reeds beschikte over alle voor een juiste berekening daarvan vereiste gegevens, die immers blijken uit de appeldagvaarding d.d. 29 maart 2005 en het vonnis van de rechtbank Amsterdam in eerste aanleg van 9 februari 2005, mochten verzoekers deze heffing als definitief beschouwen en erop vertrouwen dat geen aanvullende heffing zou plaatsvinden. Verzoekers mochten mede hiervan uitgaan, nu de griffier de heffing niet vergezeld heeft doen gaan van de mededeling dat de heffing een voorlopig karakter draagt omdat hij nadere gegevens behoeft. 4.2. Het voorgaande leidt ertoe dat het bezwaar van verzoekers gegrond is en dat het aanvankelijke besluit van de griffier om een vast recht ten bedrage van € 291,-- te heffen, dient te worden gehandhaafd. 4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing. 5. Beslissing Het hof verklaart het verzet gegrond en gelast de griffier het in de zaak met zaaknummer 05/0764 te heffen vast recht vast te stellen op het oorspronkelijke bedrag van € 291,--. Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Steenbergen, W.J.J. Los, M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 augustus 2006.