
Jurisprudentie
AZ1163
Datum uitspraak2006-09-25
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers06-7976
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers06-7976
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Verzoekers bijstanduitkering is beëindigd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat aan het verzorgingscriterium wordt voldaan en dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Aan verzoeker, die slechts een zeer kleine kamer huurt, wordt de hele woning beschikbaar gesteld, terwijl gezamenlijk boodschappen wordt gedaan, welke boodschappen de verhuurder betaalt. Voorts is gebleken dat verzoeker en de verhuurder om de beurt voor elkaar koken en dat de maaltijden gezamenlijk worden gebruikt. Het bestaan van een commerciële relatie is onvoldoende vast komen te staan. Niet is aangetoond dat de overeengekomen huur ook daadwerkelijk wordt betaald.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 06 - 7976
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 september 2006
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A. Tekin Erdogan, advocaat te Zaandam,
tegen:
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Zaanstad,
verweerder,
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2006 heeft verweerder verzoekers uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 10 augustus 2006 beëindigd.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 6 september 2006 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 7 september 2006 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 september 2006. Verzoeker is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.P. Hofman, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.
2. Overwegingen
2.1 Gebleken is dat verzoeker sinds 28 oktober 2002 een bijstandsuitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande. Op 10 augustus 2006 werd door verweerder onderzoek gedaan naar de leefsituatie van verzoeker. Naar aanleiding van een aantal huisbezoeken hebben onderzoekers op 18 augustus 2006 een rapportage opgesteld. Op grond van deze rapportage heeft verweerder bij brief van 21 augustus 2006 besloten verzoekers uitkering te beëindigen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker geen recht heeft op een uitkering, omdat uit onderzoek is gebleken dat hij een gezamenlijke huishouding voert met [de heer A].
2.2 Verzoeker heeft bezwaar gemaakt. Verzoeker bestrijdt met klem dat hij een gezamenlijke huishouding voert. Er is sprake van een huurovereenkomst. Door verweerders beslissing is verzoeker in grote financiële problemen geraakt. Hierbij is met name van belang dat verzoeker de maandelijkse huurtermijnen niet aan zijn verhuurder kan voldoen. Verzoeker heeft een ernstige longaandoening, als gevolg waarvan voor hem een onmogelijke situatie zou ontstaan, indien hij dak- en thuisloos zou geraken. Derhalve is bij verzoeker sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker verzoekt dan ook om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hem met ingang van 10 augustus 2006 een uitkering op grond van de WWB wordt verstrekt tot het moment waarop in de bezwaarprocedure een onherroepelijke beslissing genomen zal zijn.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2.3 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.
2.4 Ingevolge artikel 3, derde lid, WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
2.5 Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat betrokkenen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De vraag of dat het geval is moet naar vaste rechtspraak worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker e[de heer A] in ieder geval sinds 10 augustus 2006 op hetzelfde adres woonachtig zijn. Aan het eerste criterium is dan ook voldaan.
2.6 Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van de wederzijdse verzorging. Ingevolge de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 18 april 2006 (LJN-nummer: AW5264) kan van wederzijdse verzorging blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.
2.7 Verweerder baseert zijn standpunt dat is voldaan aan het verzorgingscriterium op de rapportage van 18 augustus 2006. Hieruit komt het volgende naar voren:
Op 10 augustus 2006 hebben rapporteurs een huisbezoek gebracht bij verzoeker. Verzoeker was woonachtig op [adres 1] te [woonplaats]. Hij woonde in bij [naam vrouw]. Verzoeker gaf desgevraagd aan niet over een eigen slaapkamer te beschikken. Verzoeker sliep op de bank in de woonkamer. Rapporteurs hebben aan verzoeker aangegeven dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Later die dag heeft verzoeker telefonisch contact opgenomen en meegedeeld dat hij nieuwe woonruimte heeft gevonden op [adres 2] te [woonplaats]. De verhuurder is [de heer A]. De woning van [de heer A] heeft twee slaapkamers, waarvan verzoeker er één huurt. Verzoeker heeft later een handgeschreven huurovereenkomst overgelegd met ingang van 10 augustus 2006, welke is aangegaan voor de periode van één jaar. De huur bedraagt € 350,- per maand en de opzegtermijn is één maand.
Op 15 augustus 2006 brengen rapporteurs een huisbezoek aan de woning op [adres 2]. Verzoeker is niet aanwezig. [de heer A] is wel aanwezig. Hij deelt mee dat verzoeker gebruik mag maken van de woonkamer. De huur die verzoeker betaalt is inclusief alles, eten en wassen. Het eten gebeurt gezamenlijk.
Op 16 augustus 2006 hebben rapporteurs een gesprek met verzoeker. Verzoeker geeft aan op zoek te zijn naar een andere woning, doch hiervoor nog geen geld te hebben. Hij is al lange tijd bevriend met [de heer A]. Verzoeker geeft voorts aan dat hij samen met [de heer A] boodschappen doet. De boodschappen worden door [de heer A] betaald. Verzoeker en [de heer A] koken om de beurt en eten gezamenlijk. Verzoeker geeft aan van de hele woning gebruik te maken.
2.8 De voorzieningenrechter is van oordeel dat gelet op vooromschreven omstandigheden, verweerder vooralsnog heeft kunnen concluderen dat aan het verzorgingscriterium wordt voldaan en dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hierbij is van belang dat aan verzoeker, die slechts een zeer kleine kamer huurt, de hele woning beschikbaar wordt gesteld, terwijl verzoeker daarnaast samen met [de heer A] boodschappen doet, welke boodschappen [de heer A] dan betaalt. Voorts is gebleken dat verzoeker en [de heer A] om de beurt voor elkaar koken en dat de maaltijden gezamenlijk worden gebruikt. De voorzieningenrechter overweegt dat het bestaan van een commerciële relatie onvoldoende vast is komen te staan. In de handgeschreven huurovereenkomst staat vermeld dat de huur € 350 euro per maand bedraagt, terwijl niet door een betalingsbewijs of anderszins aannemelijk is gemaakt dat de huur ook daadwerkelijk wordt betaald. Daarnaast blijkt uit de huurovereenkomst evenmin dat het huur betreft inclusief maaltijden. Verzoeker heeft nog gesteld dat de gehuurde kamer te klein is en dat hij op zoek is naar een eigen woning, maar daar staat tegenover dat verzoeker zich nog altijd niet als woningzoekende heeft ingeschreven bij bijvoorbeeld Woningnet.
2.9 Gelet op alle feiten zoals door verweerder geconstateerd, zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de beslissing van verweerder in bezwaar stand kunnen houden. Het feit dat verzoeker ernstige medische klachten heeft doet hier niet aan af.
2.10 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.
2.11 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, en op 25 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van
mr. A. Buiskool, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.