
Jurisprudentie
AZ1154
Datum uitspraak2006-09-12
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01583/06 H
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-07-19
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01583/06 H
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening.
Uitspraak
12 september 2006
Strafkamer
nr. 01583/06 H
MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 16 april 1996, nummer 10/010302-96, ingediend door mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, namens:
[aanvrager], alias [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, zonder woon- of verblijfplaats hier ten lande.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van 1. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" en 2. "opzettelijk niet voldoen aan een bevel gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager niet in de gelegenheid is gesteld zich te verdedigen en niet tijdig de daartoe juiste rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden omdat de aanvrager niet op de hoogte is gesteld van "de verlening van zijn voorarrest", terwijl hem bovendien nimmer de dagvaarding is uitgereikt en de aanvrager voorts niet op de hoogte is gesteld van de uitspraak.
3.3. De in de aanvrage genoemde omstandigheden hadden, indien juist noch afzonderlijk noch in samenhang beschouwd kunnen leiden tot een van de hiervoor onder 3.1 genoemde beslissingen. Daarom is de aanvrage niet-ontvankelijk.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 september 2006.