
Jurisprudentie
AZ1150
Datum uitspraak2006-09-14
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4641 BESLU
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/4641 BESLU
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking/weigering exploitatievergunning seksinrichtingen: beroep ongegrond
Verweerder heeft op grond van de vastgestelde feiten in redelijkheid de aanvraag om een exploitatievergunning kunnen weigeren en de verleende exploitatievergunningen kunnen intrekken op de grond dat ernstig gevaar bestond dat deze vergunningen mede zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, meervoudige kamer
Reg. nr. AWB 05/4641 BESLU
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid '[A] B.V.', gevestigd te [plaats], eiseres,
en
de burgemeester van Den Haag, verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Bij besluiten van 30 januari 2004 en 6 februari 2004 heeft verweerder aan eiseres vergunning als bedoeld in artikel 95h, eerste lid, van de Algemene Politieverordening voor [woonplaats] (hierna: de APV) verleend voor de exploitatie van seksinrichtingen in de [a-straat] 6-6a-8-8a en [b-straat] 116-126.
Op 25 maart 2004 heeft [Persoon A] namens eiseres vergunning aangevraagd voor de exploitatie van seksinrichtingen in de [a-straat] 11-21-25-27, 20a-22-22a, 26, 75-75a.
Bij brief van 25 mei 2004 is aan eiseres medegedeeld dat advies is gevraagd aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bureau BIBOB).
Op 13 augustus 2004 heeft het Bureau BIBOB advies uitgebracht.
Bij besluit van 25 oktober 2004 (kenmerk BSD/2004.3212) heeft verweerder de eerder verleende exploitatievergunningen ingetrokken (primair besluit 1).
Bij besluit van 25 oktober 2004 (kenmerk BSD/2004.2940) heeft verweerder de aangevraagde exploitatievergunningen geweigerd (primair besluit 2).
Op 2 november 2004 hebben toezichthouders van het Regiokorps Haaglanden geconstateerd dat in de onderhavige seksinrichtingen van eiseres zonder vergunning prostitutie werd bedreven.
Bij brief van 18 november 2004 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 25 oktober 2004 tot intrekking respectievelijk weigering van de exploitatievergunningen.
Bij besluit van 9 december 2004 heeft verweerder de sluiting van de seksinrichtingen in de [a-straat] 6-6a-8-8a, 11-21-25-27, 20a-22-22a, 26, 75-75a en de [b-straat] 116-126 bevolen met ingang van vrijdag 24 december 2004 om 09.00 uur (primair besluit 3).
Bij brief van 16 december 2004 heeft eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 21 maart 2005 (AWB 04/5373 BESLU) heeft de voorzieningenrechter een verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van de bezwaarprocedure afgewezen.
De sluiting is geëffectueerd per 19 april 2005
Bij besluit van 30 mei 2005 (het thans bestreden besluit), verzonden op gelijke datum, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften van 23 mei 2005, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 juli 2005, ingekomen bij de rechtbank op 7 juli 2005, beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 17 maart 2006 (AWB 06/1570 BESLU) heeft de voorzieningenrechter een verzoek van eiseres tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van de beroepsprocedure afgewezen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Daarbij heeft verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat de kennisneming van een aantal van die stukken tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De rechtbank heeft op 11 januari 2006 beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is.
Verweerder heeft deze stukken opnieuw overgelegd thans met weglakking van een aantal passages betrekking hebbend op privacygevoelige informatie met betrekking tot derden. Daarbij heeft verweerder met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb medegedeeld dat de kennisneming van de weggelakte passages tot de rechtbank beperkt dient te blijven. De rechtbank heeft op 10 april 2006 beslist dat de aldus verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
Bij brief van 23 juni 2006 heeft eiseres toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.
Het beroep is op 6 september 2006 ter zitting behandeld.
Namens eiseres is verschenen [Persoon A], bijgestaan door haar advocaat mr. A.R.M. van der Pluijm.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. den Hertog, drs. C.J.M. Hofmans en mr. E.J.A.H. Rouwenhorst.
Motivering
Ingevolge artikel 95h, eerste lid, van de APV is het verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.
In artikel 7, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet BIBOB) is bepaald dat een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting, door het gemeentebestuur, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting betreft, kan worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIBOB.
In artikel 4, aanhef en sub b, van het besluit BIBOB is als inrichting bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet BIBOB aangewezen:
'voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet seksuele handelingen worden verricht, seksuele diensten worden aangeboden of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden'.
Op grond van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BIBOB kan een bestuursorgaan weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet BIBOB wordt, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven;
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan;
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
Ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Wet BIBOB vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat het feit dat een eerste onderzoek door verweerder geen gronden opleverde om de aangevraagde exploitatievergunning op grond van het bepaalde in de APV te weigeren, niet meebrengt dat het aanvragen van een BIBOB-advies ten aanzien van eiseres in strijd komt met het beginsel van proportionaliteit. Verweerder zou integendeel in strijd handelen met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit door een BIBOB-advies in te winnen terwijl vaststaat dat reeds op andere gronden een vergunning zou kunnen worden geweigerd respectievelijk ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de feiten en aanwijzingen die zijn opgesomd in de aanvraag om een BIBOB-advies voldoende aanleiding boden om een BIBOB-advies aan te vragen.
Directeur/enig aandeelhouder van eiseres is [Persoon A]. Het Bureau BIBOB heeft in zijn advies geconcludeerd dat sprake is van ernstig gevaar dat de verleende c.q. aangevraagde vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Aan dit advies ligt een onderzoek van het Bureau BIBOB ten grondslag waaruit naar voren is gekomen dat een ernstig vermoeden bestaat dat zowel [Persoon A] in persoon als eiseres zich schuldig hebben gemaakt aan strafbare feiten. Onder meer is ten aanzien van eiseres door de Belastingdienst geconstateerd dat er ernstige vermoedens van overtreding van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) bestaan. Voorts is [Persoon A] aangehouden en vervolgd als verdachte op grond van medeplichtigheid aan witwaspraktijken.
Op grond hiervan heeft verweerder de aangevraagde vergunning geweigerd, de verleende vergunningen ingetrokken en in vervolg daarop besloten over te gaan tot handhaving door de sluiting van de seksinrichtingen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 mei 2006, LJN AX4420, met betrekking tot een vergunningaanvraag voor de exploitatie van een sexinrichting in de [a-straat] 79 te Den Haag door de ouders van [Persoon A], waarbij een zakelijk samenwerkingsverband met eiseres en [Persoon A] werd aangenomen. In deze uitspraak heeft de Afdeling ten aanzien van [Persoon A] onder meer overwogen dat onder verwijzing naar een brief van de Belastingdienst Haaglanden van 18 november 2005 is aangevoerd dat inmiddels een vermoeden van overtreding van de AWR niet meer aan de orde is. De Afdeling heeft vervolgens geoordeeld dat wat er verder zij van de redelijkheid van het vermoeden van overtreding van de AWR, vast staat dat [Persoon A] ten tijde van de besluitvorming werd vervolgd en inmiddels ook is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken en dat dit gegeven, gelet op de aard van het vastgestelde samenwerkingsverband met de onderneming van haar ouders, voldoende is voor de conclusie dat een ernstig gevaar bestond dat de aangevraagde vergunning zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Op grond van deze in hoogste instantie gewezen uitspraak staat thans vast dat het feit dat [Persoon A] ten tijde van de besluitvorming werd vervolgd en inmiddels is veroordeeld voor medeplichtigheid aan witwaspraktijken, de conclusie rechtvaardigt dat een ernstig gevaar bestaat dat de door eiseres aangevraagde respectievelijk aan haar verleende vergunningen mede zullen worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
De rechtbank voegt daaraan toe dat zij van oordeel is dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het verband als bedoeld in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet BIBOB tussen de verdenking van en veroordeling voor het (schuld)witwassen enerzijds en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd anderzijds hierin is gelegen dat een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting eiseres in staat zou stellen omzet te genereren die wordt witgewassen. Verweerder heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat witwassen geen activiteit is die specifiek is gerelateerd aan bepaalde (andere) bedrijfsactiviteiten.
De rechtbank acht de intrekking respectievelijk de weigering tot verlening van de exploitatievergunningen niet onevenredig, gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, waarvoor [Persoon A] werd vervolgd en inmiddels is veroordeeld, afgewogen tegen de betrokken financiële belangen van eiseres.
Verweerder heeft derhalve op grond van de vastgestelde feiten in redelijkheid de aanvraag om een exploitatievergunning kunnen weigeren en de verleende exploitatievergunningen kunnen intrekken op de grond dat ernstig gevaar bestond dat deze vergunningen mede zouden worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.
Verweerder is in beginsel gehouden handhavend op te treden tegen seksinrichtingen die zonder vergunning worden geëxploiteerd. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van sluiting van de illegaal geëxploiteerde seksinrichtingen.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Aldus gegeven door mr. C.C. Dedel-van Walbeek, mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. C.I. Blok-Bitter en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.A. Leijten.