Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1142

Datum uitspraak2006-01-26
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers50898 KG 06-3
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Overeenkomst. Partijen hebben een overeenkomst gesloten. Gedaagde heeft zich hiermee verbonden, tegen betaling door eiser, tot het geven van een theorie- en praktijkopleiding ''categorie B'', inclusief het afleggen van het theorie- en praktijkexamen, met als doel het behalen door Girgis van een rijbewijs. Eiser vordert primair om gedaagde te veroordelen zijn verplichtingen voorvloeiend uit de overeenkomst van partijen na te komen ofwel gedaagde te veroordelen [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis werkelijk één of meerdere rijlessen te geven en vervolgens theorie- en praktijkexamens af te laten leggen tot het moment dat [eiser] zijn rijbewijs heeft behaald. Gedaagde beroept zich op artikel 6 lid 3 van de op de lesovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Volgens gedaagde is er sprake van een dringende reden die beeindiging van de overeenkomst rechtvaardigt. Gedaagde stelt dat eiser niet over de benodigde capaciteiten beschikt voor het behalen van een rijbewijs. Vordering wordt afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG Sector civiel recht, voorzieningenrechter Vonnis van 26 januari 2006 in de zaak van: Kort gedingnr.: 3/2006 [[eiser], wonende te Middelburg, eiser, procureur: mr. M.J.F. Sul; tegen: [ged[gedaagde] h.o.d.n. Verkeersschool [gedaagde], wonende, gevestigd en kantoorhoudende te [adres] Middelburg aan de [adres], gedaagde, in persoon. 1. Het verloop van het geding Partijen worden verder aangeduid als [eiser] en [gedaagde]. Het dossier bevat de volgende processtukken: - Dagvaarding met produkties; - akte houdende vermeerdering van eis; - produktie zijdens [gedaagde]. De zaak is behandeld ter terechtzitting van donderdag 19 januari 2006, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. 2. De feiten 2.1. Partijen hebben op 15 augustus 2005 een lesovereenkomst gesloten. Bij deze overeenkomst heeft [gedaagde] zich verbonden, tegen betaling door [eiser] van een bedrag van € 2.100,--, tot het geven van een theorie- en praktijkopleiding “categorie B”, inclusief het afleggen van het theorie- en praktijkexamen, met als doel het behalen door [eiser] van een rijbewijs. [eiser] heeft aan zijn verplichting uit de overeenkomst tot betaling van een bedrag van € 500,-- op 15 augustus 2005, betaling van een bedrag van € 1.100,-- ongeveer vier weken daarna voldaan. 2.2. [gedaagde] heeft [eiser] ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst 18 “bloklessen” gegeven, hetgeen overeenkomt met 36 lessen van 50 minuten per les. [gedaagde] heeft vervolgens de overeenkomst beëindigd onder terugbetaling aan [eiser] van een bedrag van € 332,--, welk bedrag resteerde van de door [eiser] betaalde € 1.600,-- na aftrek van het lesgeld verschuldigd voor 36 lessen, en de ter zake van het afleggen van het theorie-examen en inschrijfkosten verschuldigde bedragen. 2.3. Door [eiser] is éénmaal het theorie-examen afgelegd waarvoor hij is gezakt en door hem is geen praktijk-examen afgelegd. 3. Het geschil 3.1. [eiser] vordert, na ter zitting zijn eis vermeerderd te hebben, primair om [gedaagde] te veroordelen zijn verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomst van partijen na te komen ofwel gedaagde te veroordelen [eiser] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis werkelijk één of meerdere rijlessen te geven en vervolgens theorie- en praktijkexamens af te laten leggen tot het moment dat [eiser] zijn rijbewijs heeft behaald, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor ieder week waarin [gedaagde] deze verplichting niet nakomt, vakantieweken van [gedaagde] uitgesloten. Subsidiair vordert [eiser] om, voor het geval [gedaagde] ter terechtzitting aangeeft pertinent te weigeren om [eiser] nog rijles te geven, de overeenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om [eiser] de schade te vergoeden bestaande in het verschil tussen het bedrag dat [eiser] in dat geval in totaal dient te betalen voor het volgen van lessen en het afleggen van examens tot het behalen van het rijbewijs, en het door partijen overeengekomen totaalbedrag, onder overlegging door [eiser] van bewijzen van diens totale kosten. [eiser] stelt daartoe het navolgende. 3.2. Volgens [eiser] komt [gedaagde] tekort in de nakoming van de overeenkomst door te weigeren [eiser] nog langer lessen te geven terwijl hij zijn rijbewijs nog niet heeft behaald. De omstandigheid dat [eiser] kennelijk minder aanleg heeft voor autorijden dan de gemiddelde leerling is een omstandigheid die voor risico van [gedaagde] dient te blijven. Immers, overeengekomen is het halen van het rijbewijs tegen het, vooraf afgesproken, bedrag van € 2.100,--, zonder dat daaraan door [gedaagde] nadere voorwaarden zijn verbonden. Aangezien [gedaagde], gelet op de kwaliteiten van [eiser], al rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat [eiser] meer lessen nodig zou hebben dan de gemiddelde leerling kan hij zich niet beroepen op artikel 6 lid 3 van de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. 3.3. De omstandigheid dat in de Algemene Voorwaarden een Bemiddelings- en Geschillenregeling is opgenomen staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de voorzieningenrechter om van het geschil in kort geding kennis te nemen. Het staat de leerling vrij om al dan niet een beroep op deze regeling te doen. 3.4. [gedaagde] stelt de overeenkomst rechtmatig beëindigd te hebben. [gedaagde] beroept zich op artikel 6 lid 3 van de op de lesovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Volgens [gedaagde] is er sprake van een dringende reden die beëindiging van de overeenkomst rechtvaardigt. [gedaagde] stelt daartoe dat het gebrek aan vorderingen van [eiser] na 18 bloklessen, overeenkomend met 36 autorijlessen van 50 minuten, de conclusie rechtvaardigt dat [eiser] niet over de benodigde capaciteiten beschikt voor het behalen van een rijbewijs. [gedaagde] wijst, ter nadere ondersteuning van zijn stelling, ter terechtzitting op de leskaart waarop hij de vorderingen van [eiser] heeft bijgehouden en waaruit blijkt dat na 36 autorijlessen [eiser] nog geen enkele van de ongeveer 20 aan te leren verrichtingen zodanig onder de knie heeft dat met het herhalen daarvan kan worden begonnen, dat geldt zelfs voor het op- en terugschakelen. Met het aanleren van het kijken in de spiegels was slechts een aanvang gemaakt. Volgens [gedaagde] had [eiser] zich met betrekking tot het geschil tot het bemiddelingsbureau van de BOVAG kunnen wenden. In dat geval had een op dit terrein deskundige instantie zich daarover kunnen buigen. 4. De beoordeling 4.1. De voorzieningenrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen. De in de op de overeenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden opgenomen Bemiddelings- en Geschillenregeling staat daaraan niet in de weg. 4.2. Ingevolge artikel 6 lid 3 van de op de lesovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden kan de verkeersschool de lesovereenkomst beëindigen om dusdanig dringende redenen, dat van de verkeersschool redelijkerwijs niet verwacht kan worden deze te continueren, onder de terugbetaling aan de leerling van die (les)gelden, waarvoor de verkeersschool nog niet heeft gepresteerd. 4.3. Door [eiser] is niet bestreden dat hij, na het volgen van 18 bloklessen, overeenkomend met 36 rijlessen van 50 minuten, nog geen enkele van de voor het rijexamen aan te leren verrichtingen, waaronder het op- en terugschakelen, voldoende beheerste. Voorshands is dan ook aannemelijk dat, zoals [gedaagde] stelt, [eiser] niet beschikt over kwaliteiten benodigd voor het behalen van het rijexamen. Dit levert een dringende reden op zoals bedoeld in artikel 6 lid 3 van de op de lesovereenkomst van toepassing zijnde algemene voorwaarden. Gelet op het vorenstaande moet er dan ook vanuit worden gegaan dat door [gedaagde] de lesovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd. De vorderingen van [eiser] zullen dus worden afgwezen. 4.3. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op een bedrag van € 244,-- ter zake van griffierecht. 5. De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst de vorderingen af; - veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op een bedrag van € 244,-- ter zake van griffierecht. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 26 januari 2006 in aanwezigheid van de griffier. MdB