Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1141

Datum uitspraak2006-09-07
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/3097 MAWKLU
Statusgepubliceerd


Indicatie

AMAR; Eiser, ten tijde van het bestreden besluit, kapitein bij de Koninklijke Luchtmacht en werkzaam als senior bedrijfskundig adviseur bedrijfsvoering en informatiemanagement op de Vliegbasis Soesterberg, heeft gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Bureau Bedrijfsvoering en Informatiemanagement op de Vliegbasis Soesterberg. (...) Van het besluit, waarbij verweerder de beslissing om de geambieerde functie niet aan eiser toe te wijzen heeft gehandhaafd, ka niet gezegd worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Beroep ongegrond, geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.


Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht derde afdeling, enkelvoudig Reg. nr. AWB 05/3097 MAWKLU UITSPRAAK als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) Uitspraak in het geding tussen [eiser], wonende te [woonplaats], en de Commandant der Luchtstrijdkrachten, verweerder. Ontstaan en loop van het geding 1. Eiser, ten tijde van het bestreden besluit, kapitein bij de Koninklijke Luchtmacht en werkzaam als senior bedrijfskundig adviseur bedrijfsvoering en informatiemanagement op de Vliegbasis Soesterberg, heeft gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Bureau Bedrijfsvoering en Informatiemanagement op de Vliegbasis Soesterberg (hierna: de geambieerde functie). 2. Bij besluit van 4 augustus 2004 is eiser medegedeeld dat deze functie, overeenkomstig het advies van de selectiecommissie, niet aan hem wordt toegewezen. 4. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 27 augustus 2004 bezwaar gemaakt. Eiser is op 9 december 2004 omtrent zijn bezwaren gehoord. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. 5. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 mei 2005 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. 6. Het beroep is op 24 augustus 2006 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.M. Groenhart. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.I. Biharie-Pronk. Motivering 1. In beroep heeft eiser - kort samengevat - aangevoerd dat hij de geambieerde functie gedurende anderhalf jaar naar alle tevredenheid heeft waargenomen. Voorts blijkt uit het selectieverslag niet hoe de eindconclusie van de selectie tot stand is gekomen. Evenmin blijkt uit het verslag dat aan de kandidaten dezelfde vragen zijn gesteld. Eiser betwist dat de geschiktheid van de kandidaten op dezelfde wijze is onderzocht. Bovendien voldeed de kandidaat aan wie de functie is toegewezen niet volledig aan de eisen. Eiser vraagt zich af waarom de commissie zijn praktische achtergrond niet heeft meegewogen maar daarentegen een theoretische casus over visie en leidinggeven wel. Alhoewel eiser geen stukken heeft overgelegd met betrekking tot de toezegging van de functie aan de andere kandidaat heeft hij wel aangegeven dat hier getuigen over kunnen verklaren. Weliswaar kunnen de overige administratieve fouten niet tot een ander oordeel leiden, het getuigt wel van onzorgvuldigheid. 2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet de meest geschikte kandidaat is voor de door hem geambieerde functie. De met de selectie belaste autoriteit heeft enige vrijheid om het selectieproces zelf gestalte te geven. Grond voor het niet toewijzen van de functie is dat tijdens het gesprek met de selectiecommissie is gebleken dat eiser op de punten leidinggeven en visie minder goed scoorde dan de andere kandidaat. De selectiecommissie heeft deze twee punten van groot belang geacht voor de geambieerde functie. Zo kon eiser in de casussen omtrent de leidinggevende capaciteiten niet met concrete voorbeelden aangeven hoe hij dergelijke casussen denkt aan te pakken. 3. Ingevolge artikel 22 van het Algemeen Militair Ambtenaren Reglement (AMAR) moet de militair om voor een functie in aanmerking te komen voldoen aan de gestelde eisen omtrent de opbouw van kennis en ervaring voor de vervulling van die functie. 3.1 Ingevolge artikel 23 van het AMAR wordt bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing rekening gehouden met de volgende factoren: a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies; b. de wenselijkheid van een spreiding van de totale loopbaan van de militair over de functies en van een daarmee gepaard gaande opbouw van kennis en ervaring; c. de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functie; d. de door de militair kenbaar gemaakt voorkeur. 3.2 Het functietoewijzingsproces is nader uitgewerkt in de Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing en bevordering defensie (BAFBD). 3.3 Ingevolge artikel 14, derde lid, van de BAFBD worden bij de bekwaamheid en de geschiktheid van de defensie-ambtenaar, als bedoeld in het tweede lid onder c, in beginsel in beschouwing genomen: a. de mate waarin de defensie-ambtenaar voldoet aan de functie-eisen; b. de afspraken en aandachtspunten van het externe deel van het functioneringsgesprekformulier; c. de uitkomst van de loopbaangesprekken; d. de voor het besluit tot functietoewijzing relevante beoordelingen en ambtsberichten. 3.4 Artikel 16 van de BAFBD bepaalt dat de functietoewijzingsautoriteit zich bij het functietoewijzingsproces kan laten adviseren. De rechtbank overweegt als volgt. 4. Aan verweerder komt ter zake van functietoewijzing, met inbegrip van de te hanteren functie-eisen een discretionaire bevoegdheid toe. Dit brengt mee dat de toetsing van het besluit als hier in het geding terughoudend moet zijn. 4.1. Vast staat dat op grond van de gestelde functie-eisen voor de geambieerde functie de selectiecommissie eiser samen met nog één andere kandidaat heeft geselecteerd voor een gesprek. De selectiecommissie heeft eiser en deze andere geselecteerde kandidaat beoordeeld aan de hand van gelijke criteria, namelijk leidinggeven, kennis & vaardigheden, communicatieve vaardigheid, visie en belangstelling en ambitie. De selectiecommissie heeft zowel eiser als de andere kandidaat geschikt bevonden voor de functie. Op grond van eisers functioneren ter zake visie en leidinggeven ten opzichte van de andere kandidaat heeft de selectiecommissie de voorkeur aan de andere kandidaat gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich er voldoende van heeft vergewist dat het advies van de selectiecommissie zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft dan ook dit advies kunnen volgen. Niet gezegd kan worden dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om de geambieerde functie niet aan eiser toe te wijzen. 4.2 Eisers betoog dat uit het selectieverslag niet blijkt hoe de eindconclusie tot stand is gekomen kan niet slagen. Of aan beide kandidaten precies dezelfde vragen zijn gesteld doet niet ter zake. Het gaat er om dat op gelijke wijze is geselecteerd. Dat blijkt uit het feit dat de selectiecommissie de kandidaten heeft vergeleken aan de hand van dezelfde criteria. 4.3 Voorts blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser navraag heeft gedaan bij de selectiecommissie. Dat heeft opgeleverd dat beoordelingen noch beloningen van de kandidaten zijn meegewogen bij de selectie. Dit houdt in dat het feit dat eiser de geambieerde functie enige tijd naar tevredenheid heeft waargenomen niet is meegenomen in de selectie. Om die reden is de praktische achtergrond van eiser evenmin meegenomen. De selectiecommissie heeft een grote mate van vrijheid om aan de hand van de in artikel 14 van de BAFBD neergelegde criteria omtrent de geschiktheid van kandidaten te adviseren. Dit is door eiser ook niet ontkend of bestreden. De rechtbank acht het niet meewegen van de praktische achtergrond en de waarneming van eiser dan ook niet onredelijk. 4.4 Eisers stelling dat de thans geselecteerde kandidaat niet zou voldoen aan de gestelde eisen is niet feitelijk onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt en kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel. Ook in beroep heeft eiser zijn stelling dat de functie al zou zijn toegezegd aan de thans geselecteerde kandidaat niet feitelijk onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Verwijzen naar eventuele getuigen is daartoe onvoldoende. Het had op de weg van eiser gelegen om bijvoorbeeld schriftelijke getuigenverklaringen over te leggen. 5. Vorenstaande betekent dat van het besluit, waarbij verweerder de beslissing om de geambieerde functie niet aan eiser toe te wijzen heeft gehandhaafd, niet gezegd kan worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen. 6. Ook voor het overige is de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit wegens strijd met enige ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel niet in zou stand zou kunnen blijven. 7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: Verklaart het beroep ongegrond. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Aldus gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P.J. Heesen.