Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1137

Datum uitspraak2006-10-27
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers435035 \ CV EXPL 06-1542
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Herzieningsverzoek afgewezen, aangezien eiser geen hoger beroep heeft ingesteld, terwijl die mogelijkheid wel bestond, komt hem het buitengewone rechtsmiddel van herroeping niet toe.


Uitspraak

Vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector kanton Locatie Nijmegen zaakgegevens 435035 CV EXPL 06-1542 19bw uitspraak van 27 oktober 2006 Vonnis in de zaak van [eiser] wonende te Enschede eisende partij gemachtigde mr. C.P.B. Kroep tegen [gedaagde] wonende te Nijmegen gedaagde partij procederend in persoon Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1. De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit - de dagvaarding van 3 maart 2006 met producties - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek - de akte van de zijde van [eiser]. 2. De feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten. 2.1 [gedaagde] heeft in januari 1999 met een zogenaamd dagvaardingsformulier [eiser] gedagvaard voor de zitting van de kantonrechter te Nijmegen van 19 februari 1999. Als adres van [eiser] heeft hij opgegeven Berg en Dalseweg 200 in Nijmegen. Naar dat adres heeft de griffier het formulier gestuurd. 2.2 Hij heeft in die procedure (zaaknummer 144927 en rolnummer 329/99) gesteld, kort gezegd, dat hij aan [eiser] bedrijfsruimte verhuurde aan de Berg en Dalseweg 200 in Nijmegen, dat er een huurachterstand was, en heeft ontbinding van die huurovereenkomst gevorderd, en daarnaast ontruiming van het gehuurde en betaling van de achterstallige huurpenningen, met rente en kosten. 2.3 [eiser] heeft in die procedure schriftelijk geantwoord. In zijn antwoord staat vermeld: “(…) De adressering is onjuist, deze dient te zijn Berg en Dalseweg 196 a (…) Ik verzoek de Rechtbank dringend de stukken in deze zaak op te sturen naar mijn Postbus [eiser] Postbus 246 6500 AE Nijmegen” 2.4 Op de zitting van 19 maart 1999 heeft [gedaagde] mondeling gerepliceerd en bij die gelegenheid zijn eis vermeerderd. De griffier heeft bij brief van 22 april 1999 aan [eiser] bericht dat hem een uitstel was verleend voor dupliek. Die brief was geadresseerd aan het adres Berg en Dalseweg 200 te Nijmegen. Bij brief van 28 mei 1999 heeft de griffier [eiser] bericht gestuurd over de datum van de uitspraak van het vonnis. Ook die brief was geadresseerd aan voornoemd adres. 2.5 [eiser] heeft niet gedupliceerd. Op 10 september 1999 heeft de kantonrechter vonnis gewezen en daarbij de huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] met betrekking tot de bedrijfsruimte aan de Berg en Dalseweg 200 ontbonden en [eiser] veroordeeld, kort gezegd, tot ontruiming en tot betaling van een bedrag van f 16.549,20 en de nog te verschijnen huurtermijnen tot de dag van de ontruiming, alsmede in de proceskosten. 2.6 Op 6 december 2005 heeft deurwaarder Vanhommerig het vonnis aan [eiser] betekend. 3 De vordering en het verweer 3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter het vonnis van de kantonrechter Nijmegen onder rolnummer 329/99/19 en zaaknummer 144927, tussen hem en [gedaagde] gewezen op 10 september 1999 zal herroepen en op nader aan te voeren gronden en eventueel onder verbetering en/of aanvulling van de rechtsgronden, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [gedaagde] alsnog zal afwijzen, met zijn veroordeling in de kosten van die procedure en in die van de herroepingsprocedure. 3.2 Hij baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen. Nadat hij in de eerder genoemde procedure schriftelijk had geantwoord heeft hij noch van de zijde van de griffie van het kantongerecht, noch van [gedaagde] iets vernomen. Hij is er daarom vanuitgegaan dat de vorderingen van [gedaagde] waren afgewezen. Hij kwam er pas achter dat de procedure was geëindigd in een vonnis toen dat vonnis hem op 6 december 2005 werd betekend. Hij heeft toen het volledige procesdossier opgevraagd en daaruit bleek hem dat de brieven van de griffier van 22 april en 28 mei 1999 aan hem, de conclusie van repliek met de eisvermeerdering en het vonnis, alle naar het verkeerde adres zijn gestuurd, namelijk Berg en Dalseweg 200 in Nijmegen, het adres waar [gedaagde] hem heeft gedagvaard. Aldus heeft hij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen gekregen die “door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden”. Het toedoen van [gedaagde] bestaat reeds hierin dat deze in het dagvaardingsformulier een verkeerd adres heeft opgegeven. Subsidiair baseert hij zijn vordering op artikel 382 onder b Rv: door de wederpartij in het geding gepleegd bedrog. Onder bedrog valt immers ook het verzwijgen van feiten die tot een voor de wederpartij gunstiger afloop hadden kunnen leiden. Dit verzwijgen moet worden gelijkgesteld met het (redelijkerwijs) niet kennis kunnen nemen van stukken uit de procedure, in dit geval omdat die stukken aan het verkeerde adres zijn verzonden. 3.3 [gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. 4. De beoordeling 4.1 De kantonrechter heeft ambtshalve de beschikking over het procesdossier in de zaak met zaaknummer 144927 en rolnummer 99-329 en heeft dat dossier betrokken bij de beoordeling van deze zaak. 4.2 Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis, zodat dat vonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. In zoverre kan [eiser] daarom in zijn vordering worden ontvangen. 4.3 De dagvaarding dateert van 3 maart 2006, zodat [eiser] deze procedure binnen de wettelijke termijn is begonnen. Ook in zoverre kan hij in zijn vordering worden ontvangen. 4.4 In het hiervoor onder 4.1 genoemde procesdossier bevindt zich een brief van mr. R.J. Verweij, advocaat te Nijmegen, van 22 november 1999 aan de griffier van het kantongerecht te Nijmegen, blijkens het op die brief gestelde stempel ingekomen op 23 november 1999. Die brief luidt, voor zover hier van belang: “(…) Inzake [eiser]/van Hulst Edelachtbare Heer/Vrouwe, Inzake opgemelde kwestie is op 10 september 1999 door uw kantongerecht vonnis gewezen (zaaknummer 144927). Gedaagde partij in deze, de heer [eiser], wonende te Nijmegen, heef zich tot mij gewend met het verzoek hoger beroep aan te tekenen tegen voornoemd vonnis. In dit verband verzoek ik u mij een afschrift van uw dossier ter hand te stellen. In afwachting, Hoogachtend, Uw dw., (wg) mr. R.J. Verweij” Op die brief staat de volgende handgeschreven aantekening van de griffier: “30/11 verzonden” Daarmee staat vast dat [eiser] op 22 november 1999 ervan op de hoogte was dat in die zaak vonnis was gewezen. De termijn van hoger beroep was toen nog niet verstreken. Nu [eiser] van de mogelijkheid tot het instellen van een gewoon rechtsmiddel geen gebruik heeft gemaakt komt hem het buitengewone rechtsmiddel van herroeping niet toe. De kantonrechter wijst zijn vordering dan ook af. 4.5 [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De beslissing De kantonrechter wijst de vordering af; veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.P.M. Weusten en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2006.