Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1132

Datum uitspraak2006-10-30
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zwolle
Zaaknummers333730 HA 06-316
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

kantonzaak; ontbinding arbeidsovereenkomst wegens dringende reden die hierin bestaat dat taxichauffeur een innige relatie aangaat met een 16-jarig meisje met verstandelijke beperking, die door hem naar school voor speciaal onderwijs vervoerd moet worden.


Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD sector kanton – locatie Deventer zaaknr. : 333730 HA 06-316 datum : 30 oktober 2006 Beschikking op een verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de zaak van: [VERZOEKSTER], gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats], verzoekende partij, gemachtigde mr. H.M. de Quant, werkzaam ten kantore van Koninklijk Nederlands te ‘s-Gravenhage, tegen [VERWEERDER], wonende te [woonplaats], verwerende partij, gemachtigde mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer. De procedure De kantonrechter heeft kennis genomen van: - het verzoekschrift - het verweerschrift. De mondelinge behandeling is gehouden op 24 oktober 2006. Verschenen zijn: - verzoekster, bij monde van haar directeur en haar bedrijfsleidster, en bijgestaan door mr. De Quant voornoemd; - verweerder, bijgestaan door mr. Aarnoudse voornoemd. Het geschil Verzoekster (hierna ook: [verzoekster]) heeft verzocht om voorwaardelijke ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met verweerder (hierna ook: [verweerder]), primair wegens een dringende reden in de zin der wet en subsidiair wegens gewijzigde omstandigheden. [verweerder] heeft zich tegen toewijzing van het verzoek gekeerd, primair verzocht om afwijzing en subsidiair om toekenning van een “schadevergoeding naar billijkheid” van € 31.482,59, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. De beoordeling 1. Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast: a. [verweerder], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij [verzoekster] in dienst getreden als taxichauffeur en is gedurende het dienstverband ook enige tijd werkzaam geweest als centralist, doch was laatstelijk weer werkzaam als taxichauffeur. b. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 1.831,67 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. c. Op [datum] heeft [verzoekster] [verweerder] op staande voet ontslagen wegens het feit dat hij een in meer of mindere mate intieme relatie is aangegaan met een zestien jarig verstandelijk beperkt meisje dat door hem in de uitoefening van zijn functie, in het kader van gehandicaptenvervoer, werd vervoerd. 2. [verzoekster] heeft haar verzoek als volgt, kort samengevat, toegelicht. Op 4 september 2006 kreeg zij van de ouders van een door [verweerder] in het kader van schoolvervoer vervoerde leerling het verzoek om hun dochter, een zestien jarig meisje dat wegens een verstandelijke beperking speciaal onderwijs volgt, “op een andere taxibus te plaatsen”. Als motivering voor het verzoek werd aangegeven dat de ouders de indruk hadden gekregen dat hun dochter (hierna ook: het meisje) een te innige band had aangeknoopt met [verweerder], de chauffeur van haar taxibus. Nader om een verklaring gevraagd heeft de moeder van het meisje meegedeeld dat zij er achter was gekomen dat haar dochter een seksuele verhouding met [verweerder] had. Het zou gaan om een relatie die al enige tijd duurde. Het meisje zou de nacht van 3 op 4 september 2006 bij [verweerder] hebben doorgebracht, terwijl zij thuis had gezegd bij een vriendinnetje te overnachten. Naar zijn mening gevraagd omtrent de beschuldiging heeft [verweerder] verklaard dat “er inderdaad iets gaande was” tussen hem en het meisje maar dat er geen seksuele handelingen hadden plaatsgevonden. Hij gaf toe het meisje te hebben “gezoend en zo”. [verzoekster] heeft [verweerder] vervolgens op staande voet ontslagen en meent dat in deze feiten en omstandigheden een dringende reden in de zin der wet is gelegen voor voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De ouders van het meisje hebben bij de politie aangifte tegen [verweerder] gedaan, in verband waarmee [verweerder] enige dagen op het politiebureau in verzekering is geweest. Subsidiair meent zij dat in die feiten en omstandigheden, ook al gezien de sedert eind 2002 om andere redenen tegen zijn functioneren als centralist gerezen bezwaren, een wijziging in de omstandigheden is gelegen van dien aard dat een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst op die grond toewijsbaar is. Wegens die klachten over zijn functioneren als centralist is hij op enig moment in het verleden weer ingezet als taxichauffeur. Hij kan thans, als gevolg van de problemen in het verleden, niet meer als centralist worden ingezet. 3. [verweerder] heeft het verzoek tegengesproken, ook kort samengevat als volgt. Het meisje kwam meer dan eens “vrijwillig en op eigen initiatief” bij hem. Tegenover hem heeft zij verklaard in maart 2006 achttien jaar oud te zijn geworden. Zij heeft meermalen bij hem de nacht doorgebracht. In zijn huis is geen logeerbed voorhanden, zodat zij bij hem in bed heeft geslapen. Zo ook in de nacht van 3 op 4 september 2006. Hij heeft geen seksueel contact met haar gehad. Hij heeft haar slechts een “welkomstkus en een afscheidskus” gegeven. [verweerder] ziet één en ander als een privé-aangelegenheid waar [verzoekster] als werkgever buiten staat. Hij ziet niet in waarom zijn dienstverband niet gecontinueerd zou kunnen worden. Ten onrechte worden zijn contacten met het meisje beschouwd als een ongeoorloofde relatie. De subsidiair voorgedragen functioneringsklachten zijn onjuist en bovendien, zo al juist, van te oude datum om nu nog gewicht in de schaal te kunnen leggen. Hij verlangt subsidiair, voor het geval toch ontbinding wordt uitgesproken, een schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke schadeloosstelling wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst (twee maandsalarissen plus 8% vakantietoeslag), een billijke vergoeding volgens de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor C = (overwegend) 1,5 (€ 26.705,75 bruto) en vergoeding van kosten van rechtskundige bijstand ad € 1.113,50. 4. Tussen partijen is niet in geschil dat [verweerder] een intieme relatie is aangegaan met een zestien jarig meisje dat hij in de uitoefening van zijn functie van taxichauffeur vervoerde wegens de omstandigheid dat zij, als gevolg van een licht verstandelijke handicap, speciaal onderwijs volgde. Hij heeft (ook ter zitting) erkend dat het meisje meermalen bij hem in bed de nacht heeft doorgebracht. Door die omstandigheid alleen is de relatie als “intiem” aan te merken, los van hetgeen zich tussen hen beiden gedurende die overnachtingen daadwerkelijk al dan niet heeft afgespeeld. Ook als moet worden aangenomen dat, zoals [verweerder] heeft aangevoerd, hij niet op de hoogte is geweest van haar verstandelijke beperking, is de kantonrechter met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] zijn plichten ernstig heeft verzuimd. Een chauffeur als [verweerder], aan wie in de uitoefening van zijn functie dagelijks het vervoer van een groep schoolgaande jeugd is toevertrouwd behoort te beseffen dat – ook al door het wel zeer grote leeftijdsverschil – privé contacten in beginsel tenminste als hoogst ongebruikelijk moeten worden aangemerkt. Voor zulke privé contacten kan wellicht in uitzonderingssituaties reden bestaan doch dan zullen die toch steeds behoren plaats te vinden met medeweten en goedvinden van de ouders van de minderjarige die voor haar welbevinden verantwoordelijk zijn. [verweerder] heeft voor het aangaan van dit contact geen enkele grond genoemd, anders dan te stellen dat het initiatief van het meisje uitging. Zo heeft hij geen verklaring gegeven voor het feit dat hij die toenadering niet heeft afgewezen maar, integendeel, heeft toegelaten dat het meisje meermalen bij hem thuis en in zijn bed de nacht heeft doorgebracht. Het afkeurenswaardige van zijn gedragingen en verbazing over het feit dat hij op dit punt geen blijk heeft gegeven van inzicht in eigen tekortschieten strijden bij het oordeel dat het dienstverband niet in stand kan blijven om voorrang. 5. Het verzoek zal op de primair voorgedragen grond, de dringende reden in de zin der wet, worden toegewezen. Toekenning van een billijke vergoeding kan dan volgens de wet niet aan de orde komen. Ontbinding zal worden uitgesproken per heden. 6. In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De beslissing De kantonrechter: - ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst voorzover rechtens vereist en bepaalt onder dezelfde voorwaarde dat deze eindigt op heden; - compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 30 oktober 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.