
Jurisprudentie
AZ1129
Datum uitspraak2006-08-02
Datum gepubliceerd2006-12-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2004/1608
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-12-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2004/1608
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verzorgingsrecht van de langstlevende echtgenoot jegens de nalatenschap van de eerststervende. Omstandigheden waarmee rekening gehouden dient te worden bij de beantwoording van de vraag wat de langstlevende nodig heeft ter voorziening in eigen levensonderhoud.
Uitspraak
Uitspraak : 2 augustus 2006
Rolnummer : 2004/1608
Rolnr. rb. : 03/867
GERECHTSHOF TE `s-Gravenhage
`
FAMILIEKAMER
A r r e s t
in de zaak van:
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante tevens incidenteel geïntimeerde
hierna te noemen: appellante,
procureur mr. H.C. Grootveld,
tegen
1.[geïntimeerde 1],
wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden, tevens incidenteel appellanten,
hierna te noemen: de geintimeerden,
procureur mr. A.J.G. Jukema.
HET GEDING
Bij exploot van 17 november 2004 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 september 2004 van de rechtbank te `s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.
Bij memorie van grieven heeft de appellante 5 grieven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden. Tevens hebben zij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van 2 grieven. In het kader van het incidentele appèl hebben geïntimeerden eveneens hun eis gewijzigd.
Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft appellante de grieven bestreden.
Partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
1. Voorzover tegen de feiten zoals door de rechtbank in het bestreden vonnis is vastgesteld geen grief is gericht gaat het hof van die feiten uit.
2. Appellante heeft gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en de vorderingen van geïntimeerden als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden:
- Tot terugbetaling van het door appellante aan geïntimeerden betaalde bedrag van € 172.189,48;
- Tot vergoeding van het bedrag van € 3259,07, dat appellante heeft moeten voldoen om gemelde hoofdsom terstond ter beschikking te stellen;
- Tot betaling van de wettelijke rente over de bovengemelde bedragen vanaf 1 oktober 2004, althans vanaf de dag der dagvaarding in april, althans vanaf de dag door uw hof in goede justitie te bepalen;
- Dit alles met veroordeling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties.
3. Geïntimeerden hebben voorwaardelijk incidenteel gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen en op nieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, al dan niet met verbetering en aanvulling van de gronden:
- De omvang van de legitieme massa vast te stellen, alsmede de omvang van de aan ieder der geïntimeerde toekomende legitieme portie;
- Appellante te veroordelen om aan geïntimeerden de aan hen toekomende legitieme portie te betalen, althans een zodanig bedrag als uw gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren, zulks door inkorting op de door de erflater in zijn uiterste wil gedane makingen, de overbedeling van appellante in voorwaardelijk incidenteel appèl tot gevolg hebbende, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente vanaf de datum van overlijden van de erflater tot aan de dag der algehele voldoening, althans vanaf de procedure bij de rechtbank te ’s-Gravenhage inleidende tot aan de dag der algehele voldoening.
4. In grief 1 stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte de [x] het woonhuis te [adres] -per sterfdag van erflater- heeft vastgesteld op ƒ 850.000,00. Appellante stelt dat de rechtbank geen enkele motivering heeft gegeven voor de wijze waarop zij de waarde heeft vastgesteld. In samenhang met de stukken in eerste aanleg gaat het hof ervan uit dat appellante voor het woonhuis van een waarde wenst uit te gaan van ƒ 700.000,00.
5. In punt 7 van de memorie van antwoord stellen geïntimeerden dat de rechtbank, op basis van het overzicht van de notaris en anderzijds de gerealiseerde opbrengst van de woning in 2002 van ƒ 1.035.743,70, in redelijkheid van een bedrag van ƒ 850.000,00 kon uitgaan.
6. Uit de gewisselde stukken volgt dat appellante op basis van het testament van erflater – zijnde een ouderlijke boedelverdeling in de zin van 1167 BW oud – op datum overlijden van erflater de volledige beschikkingsmacht over deze onroerende zaak heeft verkregen. Voor de waardering van de onroerende zaak in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater dient in het onderhavige geval uit gegaan te worden van de waarde van de onroerende zaak op het moment van overlijden van erflater.
7. Bij het exploot van de dagvaarding is in het geding gebracht een overzicht (niet opeisbare) vorderingen kinderen in de nalatenschap van erflater per sterfdatum. Voorts volgt uit de inleidende dagvaarding dat dit vermogensoverzicht door de boedel notaris is opgesteld. Uit de beschrijving volgt niet op grond van welke feiten en omstandigheden de waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaak is vastgesteld. Door geen der partijen is een taxatie rapport of een aangifte voor het recht van successie in het geding gebracht. Partijen hebben eveneens niet aangegeven op welke grondslag de waarde van de onroerende zaak moet worden vastgesteld.
Het hof is van oordeel dat op basis van de gewisselde stukken niet kan worden vastgesteld wat de waarde was van de hiervoor vermelde onroerende zaak.
8. In punt 50 van de memorie van antwoord tevens incidenteel appèl verzoeken geïntimeerden een NVM makelaar te benoemen die bekend is met de plaatselijke woningmarkt te [x], om de waarde van de woning per sterfdatum vast te stellen.
9. Het hof acht het wenselijk dat de woning alsnog wordt getaxeerd door een deskundige. Grief 1 treft doel. Partijen dienen zich bij akte uit te laten:
- Of één of drie deskundige(n) moeten worden benoemd;
- Wat de grondslag van de waardering van de onroerende zaak dient te zijn;
- Of de onroerende zaak door de deskundige(n) kan worden bezocht en indien dit niet het geval is wat dan de uitgangspunten dienen te zijn voor de deskundige om de waarde vast te stellen?
- Wat is de staat waarin de onroerende zaak verkeerde op het moment van overlijden?
De kosten van de deskundige(n) zal het hof voorlopig brengen ten laste van appellante aangezien deze kosten verband houden met de afwikkeling van de nalatenschap.
10. Gezien de onderlinge samenhang tussen de grieven twee, drie en vier bespreekt het hof deze grieven gezamenlijk. Appellante heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte de plicht die erflater had tot voorziening in haar verzorging niet heeft aangemerkt als een natuurlijke verbintenis waarop de legitieme porties van geïntimeerden afstuiten. In haar toelichting geeft appellante onder meer aan, dat sedert het arrest van de HR in de zaak [x], in Nederland de constante rechtsovertuiging is ontstaan dat via het instituut van de ouderlijke boedelverdeling volgens art 1167 (oud) BW, de erflater kan voldoen aan zijn sedert voormeld arrest eveneens door constante jurisprudentie erkende natuurlijke verbintenis tot verzorging van de langstlevende echtgenoot. Voorts stelt appellante dat de betaling aan geïntimeerden van het bedrag van € 172.189,48 voor haar desastreuze gevolgen heeft. Na betaling van het bedrag is haar inkomen gedaald tot 48,5% van het huwelijksinkomen. Voorts heeft zij nog een groot aantal kosten moeten maken. In de toelichting op grief drie leest het hof dat appellante van mening is dat voor het bepalen van de staat van partijen bepalend is het inkomen dat verteerd kon worden. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte het inkomen slechts een rol heeft laten spelen en daaraan niet een alles overheersende betekenis heeft toegekend. In haar toelichting op grief vier stelt appellante dat de waarde van de woning bij de bepaling van de verzorgingsplicht geen rol mag spelen.
11. Uit punt 12 van de memorie van antwoord volgt dat geïntimeerden van mening zijn dat het testament van erflater mede dient ter verzorging van de langstlevende echtgenote. In de eerste alinea van pagina zes stellen geïntimeerden dat ondanks de bevoegdheid van erflater om doormiddel van een ouderlijke boedelverdeling over zijn nalatenschap te beschikken het geïntimeerden vrij staat om een beroep te doen op hun legitieme rechten. Voorts zijn geïntimeerden van mening dat door de niet opeisbaarheid van hun vorderingen op appellante hun legitieme rechten zijn beperkt. In punt 19 stellen geïntimeerden dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis alle feitelijke omstandigheden ten tijde van de samenleving van erflater en appellante in ogenschouw moeten worden genomen. In punt 20 en 21 stellen geïntimeerden dat appellante door haar huwelijk met erflater de helft van het vermogen heeft verworven, zij aanspraak kan maken op een pensioenverzekering, en aan appellante een tweetal levensverzekeringen zijn uitgekeerd van ƒ 293.102,00 en ƒ 205.515,00. Bij de vaststelling van de behoefte dient in de visie van geïntimeerde niet alleen rekening te worden gehouden met het inkomen van appellante maar eveneens met het vermogen waarover zij beschikt. Voorts stellen zij dat ook al dient appellante in te teren op haar vermogen dit nog niet met zich meebrengt dat zij niet kan voortleven in de welstand ten tijde van het huwelijk. Geïntimeerden zijn van mening dat appellante over een zodanig inkomen en vermogen beschikt dat zij ruimschoots in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, ook na uitkering van de legitieme porties.
12. In punt 22 en 23 hebben geïntimeerden gesteld dat appellante aan haar eigen kinderen de navolgende betalingen heeft verricht:
- Schenking aan haar kinderen ƒ 120.000,00
- Lening aan haar zoons ƒ 176.296,80
- Vastgezet ten behoeve van kleinkinderen ƒ 50.000,00
- Totaal ƒ 346.296,80
Het bedrag van ƒ 346.296,80 bedraagt in euro € 157.142,64.
13. Het hof overweegt als volgt. Nu de nalatenschap is opengevallen in 1999 is oud recht van toepassing. Uit het testament van erflater volgt dat erflater gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid van artikel 4:1176 BW oud zijnde de ouderlijke boedelverdeling. Op grond hiervan en het feit dat uit het handelen van appellante volgt dat zij de nalatenschap heeft aanvaard, beschikt appellante vanaf het moment van overlijden van erflater over alle goederen van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. Uit de uiterste wilsverklaring van erflater volgt dat de vorderingen die de erfgenamen verkrijgen – uit hoofde van overbedeling van appellante – eerst opeisbaar zijn bij het overlijden van appellante. Het hof is van oordeel dat erflater in zijn uiterste wilsverklaring mede heeft willen regelen de verzorging van de langstlevende echtgenoot.
14. Het verzorgingsrecht van de langstlevende echtgenoot jegens de nalatenschap van de eerststervende heeft in Nederland zijn erkenning gevonden in het de [x] arrest van HR 30 november 1945 NJ 1946, 62 en wel als een natuurlijke verbintenis van de erflater jegens zijn weduwe. De omvang van de verzorgingsplicht wordt bepaald door de omstandigheden waaronder de echtgenoten leefden en de langstlevende achterblijft. Voor de langstlevende echtgenoot dient er zo min mogelijk te veranderen. De langstlevende zal moeten kunnen voortleven in de welstand waarin hij/zij met de overledene leefde. Uitsluitend de omstandigheden, die van betekenis zijn voor de vaststelling van het nodige komen in aanmerking. De omvang van de verzorgingsplicht wordt niet beïnvloed door de duur van het huwelijk. De behoeften van de langstlevende wordt niet alleen bepaald door datgene waarover hij/zij feitelijk kan beschikken maar ook door datgene wat hij/zij in redelijkheid kan verwerven.
15. De stelling van appellante dat het inkomen van erflater en appellante ten tijde van het huwelijk een alles overheersend uitgangspunt dient te zijn terzake de vaststelling van hetgeen de langstlevende nodig heeft is een te beperkt uitgangspunt. Bij de beoordeling van de vraag wat de langstlevende nodig heeft dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval concrete geval. Relevante omstandigheden zijn ondermeer:
- Het inkomen van erflater en de langstlevende echtgenoot tijdens het huwelijk;
- Het bestedingspatroon van erflater en de langstlevende echtgenoot tijdens hun huwelijk;
- Of er een pensioenvoorziening en of nabestaande regeling is voor de langstlevende;
- De omvang van het vermogen van de langstlevende;
- De omvang van de nalatenschap;
- Of er een mogelijkheid is dat op vermogen kan worden ingeteerd;
- Het inkomen van de langstlevende of het inkomen dat zij zich in redelijkheid kan verschaffen;
16. Geïntimeerden hebben in hun conclusie van repliek punt 12 gesteld dat appellante in haar eigen levenonderhoud kan voorzien op een welstandsniveau ten tijde van het huwelijk. Voor het welstandsniveau verwijst appellante uitsluitend naar het inkomen ten tijde van de huwelijkse samenleving.
17. Het hof gaat uit van de navolgende financiële omstandigheden van appellante bij het openvallen van de nalatenschap van erflater. Appellante genoot na het overlijden van erflater een inkomen van € 3.278,48 netto, zijnde 62% van het voorafgaande aan het overlijden gezamenlijke inkomen van € 5.260,00. Uit het overzicht vorderingen kinderen in de nalatenschap per sterfdatum volgt dat er een uitkering is geweest polis Stad Rotterdam [x], € 133.000,00, polis Postbank [x] € 19.880,57 en Nationale Nederlanden [x] € 93.258,64. Uit de punten 11 tot en met 14 volgt dat er nog aandelen waren en spaargelden. Appellante heeft voorts de volledige beschikking gekregen over de voormalige echtelijke woning onder de gehoudenheid om de hypothecaire geldlening te voldoen. Appellante heeft geen inzicht gegeven in het bestedingsniveau tijdens het huwelijk. Uit het door haar verstrekte overzicht maandinkomen volgt dat zij na betaling van al haar vaste lasten nog aan het huishouden kan besteden een bedrag van € 1265,50. Op basis van de door appellante zelf verstrekte financiële gegevens volgt dat zij ook na betaling van de legitieme rechten nog in het nodige kan voorzien. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat na uit betaling van de legitieme rechten aan geïntimeerden er voor haar in financieel opzicht een andere situatie is op getreden dan van voor het overlijden van erflater. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de geïntimeerden in redelijkheid van appellante mogen verlangen dat zij aan geïntimeerden hun legitieme rechten uitbetaald. Voorzover appellante zich door handelingen zoals: schenkingen aan haar eigen kinderen, verstrekken van leningen aan haar eigen kinderen, aankoop van een woning, na het openvallen van de nalatenschap in een financieel moeilijkere positie heeft gebracht komt dit voor haar eigen rekening en risico. De grieven twee, drie en vier treffen geen doel.
18. In grief vijf stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf datum overlijden van erflater. Appellante is van mening dat pas door inroeping van de legitieme rechten door geïntimeerden hun vorderingsrecht is ontstaan. Geïntimeerden stellen dat opgrond van een uitspraak van de HR van 15 juni 2001 NJ 2001 435 aangenomen mag worden dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het moment van overlijden. Het hof is van oordeel dat de vordering van geïntimeerde op appellante eerst is ontstaan nadat zij een beroep op hun legitieme rechten hebben gedaan. Vanaf het moment van het beroep op de legitieme kon appellante er rekening mee houden dat zij enig bedrag aan geïntimeerde verschuldigd zou zijn. De wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf met moment van de dagvaarding zijnde 18 maart 2003. Grief 5 tref doel.
19. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen behoeft de incidentele grief 2 thans nog geen bespreking.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
bepaalt dat de zaak weer wordt uitgeroepen ter rolle van 12 oktober 2006 opdat partijen een akte ter rolle kunnen nemen als vermeld in punt 9 van dit arrest;
houdt iedere verdere beslissing aan;
Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Labohm en van Leuven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.