Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1128

Datum uitspraak2006-08-02
Datum gepubliceerd2006-12-05
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersC04/1729
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwikkeling huwelijksgemeenschap waarbij onder andere aan de orde komt de hoogte van de niet uitgekeerde winst, de periode waarover de verrekening dient plaats te vinden ( in casu beperkt door hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen) en een onderzoek van de rekening-courant verhouding van de man met zijn BV. Benoeming deskundige teneinde een aantal vragen, die door het hof in zijn arrest reeds verwoord, te laten beantwoorden.


Uitspraak

Uitspraak : 2 augustus 2006 Rolnummer : C04/1729 Rolnr. rb. : 02/3323 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellante in het principale appel, geïntimeerde in het incidentele appel; hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. J.A. Korver, tegen [geïntimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in het principale appel, tevens incidenteel appellant, hierna te noemen: de man, procureur mr. J.W. van Leeuwen. HET GEDING Bij exploot van 10 december 2004 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van de rechtbank te ‘s-Gravenhage, op 15 september 2004 tussen de partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld. Bij memorie van grieven met producties heeft de vrouw acht grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft de man de grie-ven bestreden. Tevens heeft hij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van twaalf grieven. De man heeft zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de vrouw de grieven bestreden en tevens bij akte geantwoord op de wijziging van de eis. De vrouw verzoekt het hof in het principale beroep het bestreden vonnis te vernietigen voorzover dit betrekking heeft op de rechtsoverwegingen 3.9.1; 3.9.2 – voorzover betreffende de premies - ; 3.9.3 – behoudens het bedrag van € 2.295,38 dat door de rechtbank is toegewezen; 3.9,6; 3.9,7; 3.11; 3.12 en, opnieuw recht doende, de navolgende vorderingen aan haar toe te wijzen: 1. Uit hoofde van de vorderingen die de vrouw op de man heeft naar aanleiding van de opbrengst van de echtelijke woning wegens de vestiging van hypothecaire leningen op de echtelijke woning waarvan het grootste deel van de lening is besteed aan de vennootschap onder firma dan wel de besloten vennootschap, aan appellante te voldoen: € 128.566,23, te vermeerderen met de samengestelde rente van 5 % vanaf de dag van de echtscheiding; 2. uit hoofde van door de vrouw in de echtelijke woning geïnvesteerde gelden € 35.663,16, te vermeerderen met de samengestelde rente van 5 % per jaar vanaf 21 mei 2002; 3. uit hoofde van aan [geïntimeerde] BV, dan wel de v.o.f. [x] ter leen verstrekte gelden € 2.8316,13 vermeerderd met de samengestelde rente van 5% per jaar vanaf 30 januari 1997; 4. veroordeling van de man om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen arrest middels opgave van Zürich Verzekeringen aan te tonen: de waarde van de polis levensverzekering afgesloten bij Zürich Verzekeringen onder polisnummer [x] per 21 mei 2002 en vervolgens aan de vrouw te betalen de helft van de waarde van deze polis; 5. veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen € 9.611,85 te vermeerderen met de samengestelde rente van 5 % vanaf de datum dat de man (dan wel zijn advocaat) de uitkering van Interpolis BTL heeft ontvangen; 6. veroordeling van de man aan de vrouw te betalen € 1.445,74 terzake kosten [x], te vermeerderen met de samengestelde rente van 5 % vanaf de dag van dagvaarding; 7. veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen € 93.824,55 vermeerderd met de samengestelde rente van 5% per jaar vanaf 21 mei 2002 terzake niet uit de onderneming van de man opgenomen, dan wel niet aan het gezin toegekomen winsten, alsmede terzake de algemene reserve van [geïntimeerde] BV per 21 mei 2002; 8. de helft van de algemene reserve in [geïntimeerde] BV per 21 mei 2002; 9. veroordeling van de man om aan de vrouw te betalen € 1.147,69 terzake hetgeen de vrouw uit haar inkomen heeft betaald ten behoeve van de ondernemingen van de man, te vermeerderen met de samengestelde rente van 5 % vanaf de dag der dagvaarding; 10. de man te veroordelen toekomstige aanspraken op ouderdomspensioen, opgebouwd in [geïntimeerde] BV te verrekenen, dan wel te verdelen en de man bevel te geven mee te werken aan afzondering van het voor de aanspraken van de vrouw benodigde kapitaal van € 44.892,50, dan wel het door de man aan te tonen bedrag per 21 mei 2002 en afstorting van dit bedrag onder een door de vrouw aan te wijzen levensverzekeringsmaatschappij, respectievelijk zorg te dragen voor overdracht van voldoende middelen naar de BV ter afstorting van voornoemd bedrag aan de door de vrouw aan te wijzen verzekeraar , een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat de man na betekening van het in deze te wijzen arrest in gebreke blijft aan het bevel te voldoen. De man verzoekt het hof in het principale beroep het bestreden vonnis te bekrachtigen, voor zover het de toegewezen bedragen betreft, zo nodig met verbetering of aanvulling van gronden en in het incidentele appel: het bestreden vonnis te vernietigen voor zover de man daartegen grieven heeft gericht en, opnieuw recht doende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 11. te verklaren voor recht dat de man wegens de verkoop van de echtelijke woning recht heeft op € 82.599,50, waarop in mindering strekt de helft van de kosten van beheer van het depot door de notaris, en – voorzover de man uit dat depot minder ontvangt als gevolg van uitkeringen uit het depot – de vrouw te veroordelen aan de man te betalen een zodanig bedrag als nodig om het bedrag dat de man uit het depot zal ontvangen aan te vullen tot € 82.599,50, verminderd met de helft van de beheerskosten en te vermeerden met de helft van de rente die de notaris over het depot vergoedt; 12. primair: te verklaren voor recht dat over de periode 16 november 2000 tot en met 1 juli 2002 de verschuldigde hypotheek rente in de onderlinge verhouding tussen de man en de vrouw voor rekening van de vrouw komt, subsidiair, de vrouw te veroordelen aan de man te betalen € 9.676,84 als vergoeding voor het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2005; 13. primair, voor het geval 21 mei 2002 als peildatum voor de omvang en samenstelling van het vermogen in het kader van het finale verrekenbeding heeft te gelden, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag gelijk aan de helft van de uit hoofde van de rekening courant verhouding tussen de man en de BV per 21 mei 2002 bestaan hebbende schuld, te vermeerderen met € 2.295,38 wegens verrekening van onverteerde inkomsten en/of door de man in de echtelijke woning geïnvesteerde bedragen en de door de man gekochte inboedelzaken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2002, subsidiair, voor het geval 16 november 2000 als peildatum voor de omvang en samenstelling van het vermogen in het kader van het finale verrekenbeding heeft te gelden, de vrouw te veroordelen tot het betalen aan de man van € 86.732,15, zijnde de helft van de uit hoofde van de rekening courant verhouding tussen de man en de BV per 16 november 2000 bestaan hebbende schuld, te vermeerderen met € 2.295,38 wegens verrekening van onverteerde inkomsten en door de man in de woning geïnvesteerde bedragen en door de man gekochte inboedelzaken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2002; 14. voor het geval de man veroordeeld wordt om aan de vrouw een deel van de in de BV gereserveerde winst na belasting uit te keren, te bepalen dat de man het aan de vrouw toekomende bedrag in termijnen van 10 % per jaar mag betalen; 15. te verklaren voor recht dat de man recht heeft op betaling door de vrouw van € 9.955,50, zijnde de helft van de latente belastingclaim wegens de toegenomen waarde van de kantoorruimte; 16. te verklaren voor recht dat de man jegens de vrouw recht heeft op de helft van de inboedel van de echtelijke woning per 16 november 2000, en de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man van de inboedelzaken als door de man gemarkeerd op de aan de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel gehechte lijst en van de overige inboedelzaken, elk tweede goed, door de man aan te wijzen; 17. te verklaren voor recht dat de man recht heeft op verevening van de pensioenrechten die de vrouw tijdens het huwelijk bij PGGM heeft opgebouwd; 18. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag gelijk aan de helft van het saldo van de spaarloon- en premiespaarrekening per 16 november 2000, te vermeerderen met de wettelijke rente; 19. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het arrest een volledige opgaaf te verstrekken van de samenstelling en omvang van haar vermogen op 16 november 2000, op straffe van verbeuren van een dwangsom van € 150,00 per dag dat de vrouw daarmee geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft. De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd. BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP 1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld onder 1. in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat. 2. Het principale en het incidentele hoger beroep richten zich tegen een tussenvonnis. De rechtbank heeft bij vonnis van 10 november 2004 bepaald dat tegen het bestreden vonnis hoger beroep open staat. Partijen zijn derhalve ontvankelijk in hun beroepen. Zoals hierna zal blijken acht het hof een deskundigenonderzoek nodig om tot een goede oordeelsvorming te komen omtrent een aantal van de door partijen aan het hof voorgelegde geschilpunten. 3. Vanwege de verwevenheid van de door partijen opgeworpen grieven met betrekking tot de geschilpunten zal het hof de geschilpunten tot uitgangspunt nemen. 3.1 De verdeling van de verkoopopbrengst van de (voormalige) echtelijke woning; Op dit punt zien de grieven 1 en 2 van de vrouw, alsmede haar vorderingen 1 en 2 zoals in de aanhef van dit arrest weergegeven, voorts grief B van de man, alsmede zijn vordering als in de aanhef van dit arrest geformuleerd onder 11. Het hof stelt vast dat de woning behoorde tot een (beperkte) gemeenschap van registergoed. De hypothecaire geldlening(en) worden in beginsel geacht betrekking te hebben op het registergoed. De vrouw heeft nadrukkelijk gesteld dat een deel van de op de verkoopopbrengst in mindering gebrachte hypothecaire schuld niet aan de woning behoort te worden toegerekend en niet thuis hoort in de privé huishouding van partijen, doch dient te worden toegerekend aan (de ondernemingen van) de man. De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd bestreden. Het hof acht het nodig hieromtrent een vraag aan de deskundige voor te leggen aangezien het hof uit de gewisselde stellingen niet kan vast stellen waaraan de gelden, die beschikbaar kwamen door de door de Rabobank verstrekte hypothecaire geldleningen, zijn besteed. Vraag 1: Waaraan zijn de gelden besteed die de Rabobank aan partijen ter leen heeft verstrekt en waarvoor partijen een recht van hypotheek hebben verleend ? 3.2 Huwelijkse voorwaarden, het stamvermogen; Het stamvermogen van de vrouw: de vrouw beschikte over een spaarrekening van fl 18.000,00. Daarnaast was er sprake van een vordering op de belastingdienst van fl 10.000,00 volgens de vrouw, fl 8.500,00 volgens de man. Het hof zal hierin de vrouw volgen: op de staat van aanbrengsten, waarvan in eerste aanleg een kopie is ingebracht bij akte producties, tevens wijziging eis van 3 december 2002, staat onder de door de vrouw ten huwelijk aangebrachte zaken vermeld: “een vordering inkomstenbelasting 1987 en 1988, groot ca f 10.000,00”. Het ligt op de weg van de man om hier tegen bewijs van te leveren. Een specifiek bewijsaanbod is door hem niet gedaan. Het hof stelt de hoogte van het stamvermogen van de vrouw mitsdien op fl 28.000,00 ofwel € 12.706,00. Aan de hand van hetgeen partijen beschrijven valt af te leiden dat dit vermogen niet in afzondering is gehouden. Het vermogen is ten dienste gesteld van de huishouding en / of de echtelijke woning. Onder de gegeven omstandigheden komt de vrouw een nominale vergoeding toe, ten laste van het te verdelen of te verrekenen vermogen. Voor een correctie acht het hof in beginsel geen aanleiding. Het stamvermogen van de man: de man heeft destijds ingebracht de eenmanszaak “[geïntimeerde]”, die tijdens het huwelijk is omgezet in een besloten vennootschap. Onbetwist is dat de aandelen aan de man toebehoren. 3.3 Verrekenbare winst uit onderneming Partijen verschillen van mening omtrent het eventuele te verrekenen vermogen van de BV. De vrouw vordert de helft van de algemene reserves in de BV per 21 mei 2002. De man stelt dat de algemene reserves van de BV ten behoeve van de continuïteit gereserveerd dienen te blijven. Wanneer er sprake zou blijken van verrekenbaar vermogen, dan dient volgens hem als peildatum te worden aangehouden: 16 november 2000. Terzake de peildatum verwijst het hof naar 3.6. hierna. De vordering van de vrouw is gebaseerd op artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden: de verdeling bij helfte van de bij het einde van de samenwoning aanwezige onverteerde inkomsten. Partijen lijken het er op zich wel over eens te zijn dat niet uitgekeerde winsten tot het te verdelen onverteerde inkomen kunnen behoren. Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de hoogte van de winst die uitkeerbaar is en, nadat die is uitgekeerd, in de verrekening dient te worden betrokken. Uit het betoog van de man volgt dat slechts die winst kan worden uitgekeerd waar mee de continuïteit van de onderneming niet in gevaar komt. Het hof deelt de visie van de man dat slechts winst kan worden uitgekeerd voorzover dit bedrijfseconomisch gezien, rekening houdend met de aard van de onderneming, verantwoord is. Op basis van de tussen partijen gewisselde stukken kan het hof niet vaststellen welk deel van de winst uit de huwelijkse periode alsnog kan worden uitgekeerd en daarmede in de verrekening kan worden betrokken. Voorzover de vrouw ook aanspraak wenst te maken op het bij oprichting van de BV gestorte kapitaal, lijkt hiervoor geen basis aanwezig: de BV mag krachtens zaaksvervanging geacht worden tot het stamvermogen van de man te horen. Aan de deskundige zal de navolgende vraag worden voorgelegd: Vraag 2: Aannemende dat de uitkeerbare winsten, voorzover als vermogen aan de reserves van de BV toegevoegd, tot het tussen partijen te verdelen onverteerde inkomen behoren: welk bedrag kan als uitkeerbare winst van [geïntimeerde] BV worden aangemerkt in de huwelijkse periode, uitgaande van de cijfers van de BV per 16 november 2000 ? In praktische zin kan de deskundige uitgaan van de cijfers per 31 december 2000. Voor de beoordeling van de vraag of winst uitkeerbaar is dient de deskundige uit te gaan van het gegeven dat de onderneming wordt gecontinueerd. 3.4 Het kapitaal in de V.O.F. [x] Met grief 4 komt de vrouw op tegen de overweging van de rechtbank dat het kapitaal van de V.O.F. niet tot het te verrekenen vermogen behoort. De vrouw geeft aan dat de man in totaal 50 % zeggenschap heeft (in persoon en via zijn BV). Uit de gewisselde stukken kan het hof niet vaststellen of de waarde van het aandeel in de V.O.F. tot het te verrekenen vermogen behoort. Het hof wenst hierover nog nader door partijen te worden geïnformeerd. 3.5 Niet ten goede van het gezin gekomen winsten Niet ten goede van het gezin gekomen winsten, grief 6 van de vrouw. De vrouw stelt met overvloedige bewijsstukken te hebben aangetoond dat de bedragen die in de balansen staan vermeld, niet in de huishouding zijn terechtgekomen, zodat het ervoor kan worden gehouden dat deze elders door de man zijn gestald. Zij is van mening dat de man dient aan te tonen welke betalingen door hem aan de huishouding zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw in hoger beroep niet kan volstaan met het enkel opwerpen van de genoemde stelling, zonder daar bij concreet aan te geven op welke posten haar grief betrekking heeft. Enerzijds heeft de vrouw het over winsten, anderzijds wordt gesproken over balansposten, zonder enige nadere concretisering. De grief wordt verworpen. 3.6 De peildatum, de periode waarover verrekening dient plaats te vinden De huwelijkse voorwaarden luiden op dit punt als volgt: Zolang de samenwoning tussen de echtgenoten om welke reden dan ook, duurzaam verbroken is, zal geen verrekening als hiervoor bedoeld plaatsvinden (artikel 6 laatste zin). De man beroept zich op dit artikel en stelt dat de periode waarover verrekend dient te worden eindigt per 16 november 2000, de datum waarop de samenleving beëindigd werd. De vrouw verwijst naar artikel 1:141 lid 3 BW, dat aangeeft dat het per einde huwelijk aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Uit artikel 1:141 lid 3 BW volgt dat, indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. In het onderhavige geval zijn partijen in hun overeenkomst van huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat de verrekenplicht eindigt op het tijdstip dat partijen feitelijk duurzaam gescheiden gaan leven. In casu is vervolgens ook de echtscheiding gevolgd. Partijen hebben mitsdien het tijdvak van het huwelijk, als bedoeld in artikel 1:141 lid 1 BW, nader bepaald, namelijk beperkt. Die vrijheid komt partijen toe. Waar in lid 3 van artikel 1:141 BW wordt aangesloten op de verrekenplicht als bedoeld in artikel 1:141 lid 1 BW is het gevolg dat hetgeen partijen bij huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen met zich meebrengt dat de periode waarover verrekend dient te worden eindigt per 16 november 2000, zodat dit de aan te houden peildatum is. 3.7 De latente belastingclaim terzake de boekwinst kantoorruimte Het hof is van oordeel dat de fiscale claim die voortkomt uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning, waarin door de besloten vennootschap in een kantoorruimte werd geïnvesteerd, ten laste komt van de vennootschap. Uit de gewisselde stukken kan het hof niet vaststellen welk deel van de opbrengst van de onroerende zaak fiscaal toegerekend wordt aan de vennootschap. Daarbij is ook van belang de vraag of de vennootschap winst heeft genoten. Partijen dienen het hof terzake nader te informeren. 3.8 De rekening courant schuld van de man aan de BV De man vordert veroordeling van de vrouw tot het betalen aan hem van een bedrag gelijk aan de helft van de uit hoofde van de rekening-courant verhouding tussen de man en de BV per 16 november 2000 bestaan hebbende schuld, te vermeerderen met € 2.295,38 wegens verrekening van onverteerde inkomsten en door de man in de woning of inboedel gestoken gelden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2000. Volgens de man is de rekening courantschuld vrijwel geheel ontstaan door uitgaven in verband met de voormalige echtelijke woning, de inboedel en de huishouding. Volgens de vrouw is de rekening courantschuld volledig, dan wel overwegend toe te rekenen aan de man, die daarmee privé uitgaven, dan wel uitgaven in de zakelijke sfeer heeft bekostigd. De grootboekkaarten leveren geen bewijs van het door de man gestelde: de vrouw heeft een aantal gezinsuitgaven bekostigd die de man ook in zijn grootboekadministratie heeft opgenomen. Dat kan niet juist zijn, aldus de vrouw. Op basis van hetgeen partijen hebben gesteld heeft het hof onvoldoende inzicht in het verloop van de rekeningcourant verhouding, alsmede de wijze waarop de gelden zijn besteed. Het hof acht het noodzakelijk dat de deskundige het verloop van de rekening courant in de huwelijkse periode vaststelt, alsmede aangeeft waaraan de gelden zijn besteed. Daarbij dient, zo mogelijk, onderscheid te worden gemaakt in vier categoriën: 1. posten die te maken hebben met de voormalige echtelijke woning; 2. posten verband houdende met de aanschaf van inboedelzaken; 3. kosten die verband houden met de huishouding; 4. overige uitgaven. Het hof formuleert de navolgende vraag aan de deskundige: vraag 4: Wilt U het verloop van de rekening courant verhouding tussen de man en de BV vast stellen en een onderscheid aanbrengen in de totale schuld in de vier bovengenoemde categoriën ? Diversen 3.9 Lening van de vrouw aan [geïntimeerde] BV Grief 5 van de vrouw, leidende tot haar vordering sub 3. geformuleerd. Het gegeven dat de vrouw f 12.500,00 in 1997 op de privé rekening van de man stort, kan, - in het licht van de gemotiveerde betwisting van de stelling van de vrouw door de man - zonder nadere onderbouwing of concretisering niet de stelling dragen dat de vrouw daarmede een lening heeft verstrekt aan [geïntimeerde] BV, dan wel aan de V.O.F. Tekst en Vorm. Van een dergelijke lening is ook niet gebleken. Het hof verwerpt de grief. 3.10 Betalingen door de vouw ten behoeve van ondernemingen van de man De vordering van de vrouw geformuleerd sub 9: door de man aan de vrouw te betalen € 1.147,69 terzake hetgeen de vrouw uit haar inkomen heeft betaald ten behoeve van de ondernemingen van de man. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen en geconcludeerd dat de BV een bedrag van € 2.295,38 aan de vrouw verschuldigd is en dat deze post in de finale verrekening tussen partijen dient te worden betrokken. De rechtbank komt tot de conclusie dat de vrouw aanspraak heeft op niet meer dan de helft van het genoemde bedrag. De man is hier tegen op gekomen met grief F in het incidentele hoger beroep. Hij stelt dat de betalingen die door de vrouw zijn gedaan, hebben geleid tot een lagere schuld van hem in rekening courant, met als gevolg dat er geen aanspraak van de vrouw meer kan zijn: dit zou er toe leiden dat er twee maal verrekend zou worden. De vrouw verbindt hier aan het gevolg dat dit juist betekent dat de man dit bedrag aan de vrouw dient te vergoeden. Haar stelling is dat zij niet behoeft mee te betalen aan de rekening courant schuld van de man. Het hof komt op basis van de overwegingen van de rechtbank en de stellingen van partijen tot het oordeel dat het van de aard van de rekening courantschuld zal afhangen of de redenering van de vrouw, dan wel die van de man gevolgd dient te worden. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen sub 3.8 hierboven is overwogen, met name naar de vier categoriën waarin de rekening courantschuld is ingedeeld. Indien de man met zijn opnames geheel of gedeeltelijk overige uitgaven heeft verricht (categorie 4), dan komt het het hof voor dat de man het betreffende door de vrouw gevorderde bedrag geheel, dan wel gedeeltelijk zal dienen te betalen. Het hof zal de deskundige verzoeken zijn visie op deze post te geven nadat de rekening courant positie van de man in beeld zal zijn gebracht op de wijze als door het hof sub 3.8 is aangegeven. Dit leidt tot de volgende vraag: vraag 5: wilt U, nadat de rekening courant positie in beeld is gebracht, Uw oordeel uitspreken omtrent de door de vrouw ten behoeve van de BV betaalde bedragen, in totaal € 2.295,38: hebben deze betalingen tot een verlaging van de rekening courantschuld van de man aan de BV geleid en zo ja, welke gevolgen zou het hof daaraan dienen te verbinden in de verhouding tussen de man en de vrouw ? 3.11 De levensverzekering bij Zürich Verzekeringen Grief J van de man in het incidentele appel betreffende de vordering sub 4. : het aantonen van de waarde van de polis van levensverzekering afgesloten bij Zürich Verzekeringen onder polisnummer [x] per 16 november 2000 (deze datum vloeit voort uit de beslissing inzake de peildatum). De man is het er niet mee eens dat bij de vaststelling van het te verrekenen vermogen volgens de rechtbank geen rekening zou moeten worden gehouden met de toekomstige fiscale claim die op de uit te keren waarde rust. Naar het oordeel van het hof dient bij de verrekening rekening te worden gehouden met deze latente claim. De contante waarde daarvan, berekend per 16 november 2000, dient in mindering te strekken op de waarde van de polis. De grief slaagt. Aan de deskundige zal worden verzocht een opgave te verstrekken van de contante waarde van de fiscale claim. Vraag 6: Wilt U een berekening maken van de contante waarde van de (nog via de man) te verstrekken opgave van de waarde van de polis van levensverzekering afgesloten bij Zürich Verzekeringen, nummer [x] per 16 november 2000. 3.12 De polis van levensverzekering Interpolis Partijen zijn het er over eens dat een bedrag van € 19.223,70 terzake deze verzekering door Interpolis is uitgekeerd en dat dit bedrag aan ieder van hen voor de helft ten goede dient te komen. De man komt met grief E op tegen de overweging van de rechtbank dat de vrouw jegens hem nog recht heeft op de helft van de afkoop waarde. De man voert aan dat van het bedrag € 10.662,53 is overgemaakt naar de stichting derdengelden van de advocaat van de man, € 3.561,17 naar de vrouw en € 5.000,00 naar de notaris. De man stelt voorts dat het bedrag, dat op de derdengelden rekening van zijn advocaat is gestort, is aangewend ten behoeve van de vrouw, zodat zij per saldo nog recht zou hebben op € 1.050,68. De vrouw stelt hier tegen over dat de post € 3.561,17 conform de beslissing van de voorzieningenrechter ten titel van achterstallige alimentatie aan haar is betaald en € 5.000,00 bij de notaris in depot werd gegeven. Uit het depot zijn vervolgens de alimentatiebetalingen verricht, zodat terzake de polis geen bedrag meer in het depot onder de notaris aanwezig zou zijn. Aangezien de man niet in de gelegenheid is geweest zich omtrent de stellingen van de vrouw uit te laten zal hij hiertoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Partijen verschillen voorts nog van mening over de vraag ten laste van wie de door de vrouw betaalde premies voor deze verzekering over de periode vanaf november 2000 tot de einddatum van de verzekering dienen te worden gebracht. De rechtbank heeft bepaald dat er voor verrekening geen aanleiding is, omdat de vrouw het uitsluitende genot van de woning had in deze periode. De vrouw komt hier tegen op met grief 3. Zij is van oordeel dat de premies die zij heeft voldaan tot 21 mei 2002 in de verrekening dienen te worden betrokken. De vrouw specificeert haar vordering terzake vervolgens niet en evenmin brengt zij de vordering in bij haar conclusie, waarbij zij het hof verzoekt 11 gespecificeerde vorderingen toe te wijzen. Hierdoor komt aan haar grief het belang te ontvallen, zodat het hof deze verder buiten beschouwing zal laten. 3.13 De spaarloon en premie regeling van de vrouw De vordering van de man strekt tot veroordeling van de vrouw aan hem een bedrag te betalen gelijk aan de helft van de spaarloon- en premierekening per 16 november 2000, te vermeerderen met de wettelijke rente. Nu geen grief terzake is opgeworpen, anders dan door de man met betrekking tot de peildatum, zal het hof uitgaan van de door de rechtbank met betrekking tot het spaarloon onder 3.9.9. geformuleerde uitgangspunten en met correctie van de peildatum. Het spaarloon wordt in de verrekening betrokken op basis van het tegoed per16 november 2000. 3.14 De post achterstallige hypotheekrente, € 19.353,7. Het betreft de grieven C en D van de man: een schuld die is ontstaan na 16 november 2000. De man stelt dat de vrouw deze post voor haar rekening dient te nemen aangezien zij het uitsluitende woongenot had in die periode. Bovendien is, aldus de man, in het kader van de vaststelling van de door hem te betalen kinder- en partneralimentatie, in aanmerking genomen dat de vrouw de aan de woning verbonden hypotheeklasten zou voldoen. Subsidiair stelt de man dat de eisen van redelijkheid en billijkheid mee brengen dat de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding betaalt ten bedrage van de helft van de hypotheekrente voor het uitsluitende woongenot, gemakshalve te stellen op de helft van € 19.353,68. De vrouw stelt dat de partneralimentatie aanvankelijk bij voorlopige voorziening is bepaald op NLG 4.695,00, waarbij er van uit is gegaan dat de vrouw de hypotheekrente voor haar rekening zou nemen, de beschikking van de rechtbank van 21 december 2000. Bij opvolgende beschikking van 15 februari 2001 werd de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, eveneens al voorlopige voorziening, bepaald op NLG 1.350,00 per maand, ingaande 21 december 2000. Uitdrukkelijk heeft de rechtbank daarbij bepaald dat bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening is gehouden met de lasten van de echtelijke woning. De rechtbank was van oordeel dat de man niet in staat was naast de alimentatie ook lasten van de woning te betalen. Bij opvolgende beschikking van 15 juli 2001 heeft de rechtbank de voormelde partneralimentatie nader vastgesteld op NLG 1.080,00 en in zoverre de voormelde beschikking van 15 februari 2001 gewijzigd. Naar het oordeel van het hof impliceert de gang van zaken met betrekking tot de partneralimentatie dat noch de man, noch de vrouw in de betreffende periode in staat zijn geweest de hypotheekrente te betalen. Er waren eenvoudigweg te weinig liquide middelen. Dit brengt met zich mee dat de daaruit ontstane achterstand in hypotheekrente c.a., door partijen genoemd € 19.223,70, alsnog door hen beide gedragen dient te worden, ieder voor de helft. Het hof acht geen termen aanwezig de man ten laste van de vrouw een gebruiksvergoeding toe te kennen ten bedrage van de helft van de hypotheekrente of anderszins. De financiële omstandigheden over en weer geven daartoe in het geheel geen aanleiding. De grieven C en D van de man falen. 3.15 Kosten ten behoeve van [x] De vordering van de vrouw betreft betaling van kosten ten behoeve van [x], grief 8 van de vrouw. De vrouw stelt dat het gaat om een (aanmanings)nota van de psychotherapeut terzake behandelingen van [x] van vóór de opheffing van de samenwoning. Het hof neemt aan dat de vrouw de nota heeft voldaan na 16 november 2000 en vóór 21 mei 2002. Kennelijk gaat de man daar ook van uit. Het betreft hier kosten van huishouding, die door partijen gedragen dienen te worden overeenkomstig de regeling als opgenomen in de huwelijkse voorwaarden. Bij gebreke van toereikende inkomsten en er mee rekening houdende dat terzake het vermogen tussen partijen een verrekenbeding geldt, dient deze post, als een huishoudelijke schuld van partijen, ontstaan vóór de datum waarop de samenleving werd verbroken, door ieder van hen voor de helft te worden gedragen. Grief 8 van de vrouw slaagt. Wel is het zo dat de man de helft van het betreffende bedrag aan de vrouw dient te voldoen voorafgaand aan de vaststelling van de wederzijdse vermogens en de daaruit voortvloeiende finale verrekening. In zoverre treft het verweer van de man doel. 3.16 De inboedel De vordering van de man strekt tot verdeling van de inboedel, grief K van de man. Voorzover roerende zaken als vermeld op de aanbrengstaat thans nog aanwezig zijn, geldt dat deze zonder verrekening toebehoren aan degene die ze heeft ingebracht. Ten aanzien van alle overige roerende zaken die tot de inboedel behoren stelt het hof het volgende vast. Zowel de man als de vrouw hebben gesteld bepaalde roerende zaken te hebben betaald. Niet is daarbij uitdrukkelijk gesteld dat hiervoor middelen zijn aangewend, afkomstig uit het stamvermogen van één van partijen, althans is daartoe geen verband gelegd met specifiek aangewezen roerende zaken. Het hof zal er derhalve van uit gaan dat de roerende zaken, behorende tot de inboedel en niet vermeld op de aanbrengstaat, krachtens artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden geacht worden aan beide partijen in eigendom toe te behoren, ieder voor de onverdeelde helft. Voor zaaksvervanging, waarop de vrouw zich ten aanzien van een aantal zaken beroept, is nodig dat de vrouw tenminste meer dan de helft van de aanschafwaarde uit haar eigen privé vermogen heeft voldaan. Zulks is niet gesteld of gebleken. Voor toewijzing van hetgeen de man heeft gevorderd, namelijk afgifte aan hem van met name aangeduide goederen, op grond dat deze door hem zouden zijn aangeschaft is evenmin grond, gelet op het hiervoor overwogene. Evenmin acht het hof gronden aanwezig voor toewijzing van de vordering van de vrouw de man te veroordelen tot betaling van € 2.116,43 terzake de muziekinstallatie. Het hof neemt daartoe de door de rechtbank aangevoerde overwegingen over. De installatie behoort tot de te verdelen inboedelzaken. Het hof gaat er van uit dat partijen tijdens de loop van het deskundigen onderzoek, waarin ook ruimte zal worden geboden tot bemiddeling, hun inboedelzaken nader en in onderling overleg zullen verdelen. Ingeval partijen deze verdeling niet tot een goed einde zullen brengen kunnen zij hun geschilpunten terzake zonodig nog inbrengen bij gelegenheid van de te geven reactie op het deskundigenbericht te zijner tijd. 3.17 Opgaaf van volledige omvang vermogen De vordering van de man strekt er toe de vrouw te veroordelen een volledige opgaaf te verstrekken van de samenstelling en omvang van haar vermogen op 16 november 2000. Het hof acht voor toewijzing geen plaats. Krachtens artikel 21 Rv is iedere partij verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd dan kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die het geraden acht. Het hof gaat er van uit dat partijen zich van dit voorschrift bewust zijn en verwacht van beide partijen volledige opening van zaken met betrekking tot inkomen, vermogen en andere relevante gegevens, die nodig zijn om tot de juiste beslissing te geraken. In dit stadium van de procedure ziet het hof nog geen aanleiding van de door artikel 21 Rv geboden mogelijkheid gebruik te maken. 3.18 Pensioenverrekening en afstorting van binnen de BV gereserveerde bedragen De vordering van de vrouw strekt tot veroordeling van de man met haar pensioenaanspraken te verrekenen en de vordering tot afstorting door de BV van de ten behoeve van de vrouw opgebouwde rechten. De vordering tot verrekening van toekomstige aanspraken op ouderdomspensioen, opgebouwd in [geïntimeerde] BV. Indien de vrouw geen gebruik heeft gemaakt van haar recht binnen de voorgeschreven termijn mededeling te doen aan de BV als bedoeld in artikel 2 lid 2 van de wet verevening pensioenen bij scheiding heeft zij belang bij haar vordering. Heeft zij van dat recht gebruik gemaakt, dan heeft zij geen recht meer jegens de man, zo volgt eveneens uit het genoemde artikel. De vrouw wordt in de gelegenheid gesteld zich op dit punt uit te laten. Voor het geval de vrouw nog belang heeft gaat het hof er van uit dat het gaat om de verevening van het ouderdomspensioen, zoals gedurende het huwelijk tussen partijen door en ten behoeve van de man bij [geïntimeerde] BV is opgebouwd, bij helfte tussen de partijen te verdelen. Het aan de vrouw toekomende deel dient terstond na uitkering van een pensioentermijn door de BV aan de man, door de man aan de vrouw te worden uitbetaald. De vordering tot afstorting door de BV: deze vordering van de vrouw komt jegens de man niet voor toewijzing in aanmerking: het is de BV die dient af te storten. De BV is niet in deze procedure betrokken. In de procedure waar de vrouw naar verwijst (HR 12 maart 2004, NJ 2004, 166) richtte de aanspraken van de tot pensioen en verevening gerechtigde zich juist wel tot het pensioenlichaam: de BV. Er zijn door de vrouw geen feiten of omstandigheden van zodanige aard gesteld dat de man en de BV vereenzelvigd kunnen worden. De vrouw dient terzake de BV aan te spreken. 3.19 Pensioenverevening van door de vrouw opgebouwde aanspraken De vordering van de man te verklaren voor recht dat hij recht heeft op verevening van de pensioenrechten die de vrouw tijdens het huwelijk bij PGGM heeft opgebouwd: de rechtbank heeft overwogen dat deze vordering voor toewijzing gereed ligt. De vrouw is hier niet tegen op gekomen, zodat dit punt in hoger beroep niet in geschil is tussen partijen. 4. Instructie Gezien de aard en de omvang van deze zaak acht het hof het gewenst dat er een comparitie van partijen wordt gehouden tot het verstrekken van inlichtingen. In het kader van deze comparitie verzoekt het hof partijen op basis van dit arrest een vermogensopstelling per 16 november 2000 (of, indien dit om praktische redenen meer voor de hand ligt: 31 december 2000) op te stellen en deze 14 dagen vóór de comparitie aan het hof toe te sturen. Voorts verzoekt het hof partijen binnen 14 dagen nadat dit arrest is gewezen zich bij akte uit te laten over de vraag of één (registeraccountant) dan wel drie deskundige(n) dient (dienen) te worden benoemd. Het hof wenst dit voorafgaande aan de comparitie van partijen te vernemen teneinde te bewerkstelligen dat de te benoemen deskundige(n) bij de comparitie aanwezig zal (zullen) zijn, zulks in verband met de bespreking van de vraagstelling en het opstellen van een plan van aanpak voor het onderzoek. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP Het hof: bepaalt dat de zaak weer wordt uitgeroepen ter rolle van 14 september 2006 opdat de partijen gelijktijdig een akte ter rolle kunnen nemen als vermeld in punt 4 van dit arrest; beveelt partijen vergezeld van hun raadslieden te verschijnen voor de ten deze benoemde raadsheer-commissaris mr C.A.R.M. van Leuven in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage op donderdag 5 oktober 2006 om 14.00 uur. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Labohm en van Leuven, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.