Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1121

Datum uitspraak2006-10-27
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3250 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAZ-uitkering.


Uitspraak

04/3250 WAZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 7 mei 2004, 02/483 (hierna: de aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.M. Rokebrand. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 12 maart 2002 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 28 mei 2001 tot, aansluitend aan de wettelijke wachttijd, toekenning per 6 november 1999 aan appellant van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. De Raad gaat uit van de in de aangevallen uitspraak vastgestelde, door partijen niet bestreden, feiten, met dien verstande dat de aanvraag tot toekenning van WAZ-uitkering op 6 november 2000 is ingediend. De door de rechtbank geraadpleegde deskundigen, de klinisch psycholoog H.L. Oswald en de huisarts mr. P.C.M. Habets, hebben geen bevestiging kunnen vinden dat een organo-psychosyndroom een verklarende diagnose vormt voor het toestandsbeeld van appellant. De beide deskundigen kunnen zich verenigen met de door de verzekeringsarts(en) vastgestelde, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen, zoals deze voor appellant op 6 november 1999 bestaan. Appellant heeft geen geneeskundige informatie overgelegd die twijfel doet rijzen aan de juistheid van het door de deskundigen onderschreven oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Raad zodoende op goede gronden de door haar ingeschakelde (medisch) deskundigen gevolgd. Evenmin als de rechtbank ziet de Raad aanleiding tot het doen instellen van een nader medisch onderzoek. De Raad tekent hierbij nog aan dat voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant niet doorslaggevend is of een duidelijke diagnose kan worden gesteld. Van belang is veeleer in hoeverre appellant op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, ten tijde in geding beperkingen tot het verrichten van arbeid ondervond. In het licht van de door appellant aangevoerde medische beroepsgrond, ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat appellant op 6 november 1996 door zijn uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen was verhinderd tot het verrichten van gangbare arbeid in voldoende, hem als voorbeeld voorgehouden functies. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad evenmin aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. BKH 061006