Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1119

Datum uitspraak2006-08-30
Datum gepubliceerd2006-11-02
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2004/157
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beroep op verschoningsrecht door huisarts gehonoreerd. Dit recht prevaleert boven het belang om in het kader van de waarheidsvinding te kunnen aantonen dat de overledene onder invloed van een geestelijke stoornis zou hebben gehandeld.


Uitspraak

Uitspraak : 30 augustus 2006 Rolnummer : 2004/0157 Rolnr. rb. : 99/604 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van: [appellant], wonende te [woonplaats], appellante, hierna te noemen: appellante, procureur mr. H.J.A. Knijff, tegen [geïntimeerde 1], wonende te [woonplaats], hierna te noemen geïntimeerde sub 1, procureur: W. Taekema, [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats], hierna te noemen geïntimeerde sub 2, procureur, mr. G.J. Schuurman, [geïntimeerde 3], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde 4], wonende Te [woonplaats], [geïntimeerde 5], voorheen wonende te [woonplaats], overleden op 16 maart 2005, [geïntimeerde 6], wonende te [woonplaats], [geïntimeerde 7], wonende te [woonplaats], hierna te noemen geintimeerden sub 3, procureur, mr. R.W. Baron De Vos Van Steenwijk, HET GEDING Bij exploot van 14 januari 2004 is appellante in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 november 2003, van de rechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld. Bij memorie van grieven (met producties) heeft appellante 7 grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft geïntimeerde sub 1 de grieven bestreden. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft geïntimeerde sub 2 de grieven bestreden. Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden sub 3 gesteld dat zij zich volkomen kunnen verenigen met de door appellante geformuleerde grieven. De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. Voorzover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank. 2. Appellante heeft gevorderd vernietiging van het vonnis gewezen op 12 november 2003 (rolnummer 99/604) van de rechtbank te Middelburg en opnieuw rechtdoende het beroep van appellante op haar verschoningsrecht alsnog te honoreren. 3. Gezien de onderlinge samenhang van de grieven bespreekt het hof deze gemeenschappelijk. De kern van het tussen partijen bestaande geschil is of appellante - als behandelend arts van [x] - in het geschil tussen geïntimeerden als getuige een beroep kan doen op haar verschoningsrecht inzake feiten en omstandigheden die haar bekend zijn als arts van [x], hierna te noemen: erflater. 4. Appellante stelt dat er tussen haar en erflater sprake was van een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 e.v. BW. Op grond van artikel 7:457 lid 1 BW dient appellante jegens derden te zwijgen over hetgeen haar omtrent de patiënt bekend is. Voorts stelt appellante dat zij eveneens op grond van de Wet op de beroepen in de indivuduele gezondheidszorg tot geheimhouding is verplicht over al hetgeen zij weet van haar patiënt. Appellante is van mening dat de zwijgplicht ruim moet worden opgevat en slechts mag worden doorbroken indien de patiënt daarvoor toestemming geeft dan wel de wet daartoe verplicht. Belangen van derden vormen in beginsel juist geen grond om de zwijgplicht te mogen doorbreken noch om een beroep op het verschoningsrecht niet te honoreren. De arts dient in de visie van appellante zelfs te zwijgen over hem bekende strafbare feiten indien die kennis als arts is vergaard. Artsen zijn zelfs vrijgesteld van de aangifteplicht in ex artikel 160 Sv. Het niet accepteren van het verschoningrecht is slechts acceptabel wanneer er grote maatschappelijke belangen op het spel staan. Een individueel financieel belang is daartoe onvoldoende. Voorts is appellante van mening dat de geheimhouder bepaalt of hij of zij de zwijgplicht doorbreekt. Andere, onder wie ook de patiënt, kunnen de arts niet dwingen te spreken. Het feit dat eerder in een besloten gesprek enige informatie over erflater is verstrekt, behoort niet van invloed te zijn op de beslissing of al dan niet een beroep op het verschoningrecht wordt gehonoreerd. Vanwege het individuele en algemene belang dat door de zwijgplicht en het verschoningsrecht wordt gediend, te weten het creëren van een vrije toegang tot de gezondheidszorg, had de rechtbank appellante in dat standpunt moeten steunen en het beroep op het verschoningsrecht niet mogen afwijzen. Appellante is van mening dat het belang van de geheimhouding moet prevaleren boven de waarheidsvinding. 5. Geïntimeerde sub 1 is van mening dat het belang van de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het handhaven van de geheimhoudingsplicht / het beroep op het verschoningsrecht. Zonder de verklaring van appellante is het niet mogelijk om opheldering te verkrijgen omtrent vraag of erflater op het moment van de levering van de woning op 5 februari 1999 niet over zijn verstandelijke vermogens beschikte en niet bekwaam was om rechtshandelingen te verrichten. Voorts is geïntimeerde sub 1 van mening dat, als eenmaal de geheimhouding doorbroken is, een beroep op de geheimhoudingsplicht niet langer vrijstaat. Geïntimeerde sub 1 stelt dat het niet alleen appellante is die bepaalt of de geheimhouding wordt doorbroken. 6. Geïntimeerde sub 2 is van mening dat het verschoningsrecht niet een absoluut recht is. Geïntimeerde sub 2 is van mening dat op grond van een richtlijn van de KNMG appellante de toestemming tot het verstrekken van gegevens moet veronderstellen. Derhalve is appellante ontheven van de plicht de gegevens geheim te houden en dient zij, daartoe opgeroepen als getuige, daarover te verklaren. Voorts stelt geïntimeerde sub 2 dat appellante reeds haar geheimhouding heeft doorbroken en zij op grond daarvan geen beroep meer kan doen op haar verschoningsrecht. Subsidiair is geïntimeerde sub 2 van mening dat de waarheidsvinding dient te prevaleren boven de geheimhoudingsplicht. Bewijsnood rechtvaardigt een doorbreking van het verschoningsrecht. Geïntimeerde sub 2 is van mening dat, als eenmaal de geheimhouding is doorbroken, deze ook doorbroken blijft. 7. Uit de memorie van antwoord van geïntimeerden sub 3 volgt dat zij van mening zijn dat het verschoningsrecht van appellante dient te worden gerespecteerd. Geïntimeerden sub 3 stellen dat er ook nog andere bewijsmiddelen zijn waarop een beroep kan worden gedaan zonder het verschoningsrecht van appellante aan te tasten. In dat verband verwijzen geïntimeerden sub 3 naar de notaris ten overstaan van wie het transport van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden. Juist de notaris is degene die een oordeel kan geven omtrent de geestelijke gezondheid van erflater op 5 februari 1999 in relatie tot de verkoop van de woning. 8. Het hof overweegt als volgt. De geheimhoudingsplicht van de arts berust op de wet. Behoudens afwijkende wettelijke verplichting mag de arts aan anderen dan de patiënt geen mededelingen doen over datgene wat de arts in zijn hoedanigheid van arts van de patiënt weet. De geheimhoudingsplicht dient niet alleen de privacy van de patiënt zelf, doch tevens het algemeen belang van de vrije toegang tot de gezondheidszorg welke vereist dat een ieder die zich onder behandeling stelt van een arts, erop moet kunnen vertrouwen dat hetgeen deze behandelaar over zijn patiënt te weten komt door eigen onderzoek of door mededelingen gedaan door de patiënt zelf of door een ander ten behoeve van de patiënt, geheim blijft. Uit artikel 160 Sv volgt, dat als de arts in zijn hoedanigheid van arts wetenschap heeft gekregen van ernstige strafbare feiten, die door zijn patiënt zijn verricht, op hem geen verplichting rust om aangifte te doen. Uit art 272 Sr volgt dat hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. 9. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat appellante de behandelend arts was van erflater. Naar het oordeel van het hof is appellante in beginsel gehouden tot geheimhouding van al hetgeen zij in haar hoedanigheid van arts weet van erflater. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen de belangen van anderen en van de samenleving nopen tot doorbreking van het beroepsgeheim. 10. Uit de inleidende dagvaarding van geïntimeerden sub 1 en 2 volgt, dat erflater vlak voor zijn dood, aan twee van zijn kinderen een onroerende zaak heeft verkocht voor een te lage prijs. Deze koop heeft in de visie van geïntimeerden sub 1 en 2 plaatsgevonden onder invloed van een geestelijke stoornis van erflater. Om te kunnen aan tonen dat erflater onder invloed was van een geestelijke stoornis achten zij het in het kader van de waarheidsvinding van belang dat appellante haar geheimhoudingsverplichting doorbreekt. 11. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval het verschoningsrecht van appellante - mede bezien het algemeen belang zoals in rechtsoverweging 8 overwogen - dient te prevaleren boven het belang van geïntimeerden sub 1 en 2 om in het kader van de waarheidsvinding te kunnen aantonen dat erflater op 5 februari 1999 onder invloed van een geestelijke stoornis een onroerende zaak aan twee van zijn kinderen heeft overgedragen. 12. Uit de gewisselde stukken van partijen volgt dat appellante met geïntimeerde sub 1 en haar partner een gesprek heeft gehad. Appellante heeft gesteld dat zij in het kader van de rouwverwerking enige informatie over de gezondheidstoestand van erflater aan geïntimeerde sub 1 en haar partner heeft verstrekt. 13. Naar het oordeel van het hof behoort de gezondheidsvaststelling tot het beroepsgeheim van de arts en staat het de arts niet vrij, behoudens de veronderstelde toestemming van de patiënt, hierover mededelingen aan anderen dan de patiënt te doen. In punt 15 van haar memorie van grieven stelt appellante dat zij van de veronderstelde toestemming van erflater kon uitgaan om in het kader van de rouwverwerking van geïntimeerde sub 1 enige informatie te verstrekken over erflater. 14. Het hof is van oordeel dat in beginsel de arts zelf beoordeelt welke informatie hij aan anderen kan verstrekken zonder zijn geheimhoudingsplicht te schenden. Het is ter beoordeling van de arts wat de aard en de omvang van deze mededelingen zijn aangezien hij degene is die op basis van zijn relatie met de patiënt en kennis over de patiënt mag en kan beoordelen in welke mate en in welke context hij de informatie aan andere dan de patiënt kan verstrekken. Het hof is van oordeel dat het feit dat appellante aan geïntimeerde sub 1 enige informatie – in het kader van de rouwverwerking - heeft verstrekt niet met zich medebrengt dat zij in het onderhavige geschil niet een beroep kan doen op haar verschoningsrecht. Van een doorbreking van haar geheimhoudingsplicht is naar het oordeel van het hof geen sprake nu appellante heeft gesteld dat zij van de veronderstelde toestemming van erflater uitging. Gezien het kader waarbinnen de mededelingen zijn gedaan mocht appellante van die veronderstelde toestemming uitgaan. 15. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vordering van appellante kan worden toegewezen zoals geformuleerd in haar appèldagvaarding in samenhang gelezen met haar memorie van grieven. 16. Nu geïntimeerden sub 1 en2 in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof hen in de kosten veroordelen. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP Het hof: vernietigt het vonnis door de rechtbank te Middelburg tussen de partijen op 12 november 2003 gewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat appellante een beroep op het verschoningsrecht toekomt, voorzover het betreft feiten die haar als huisarts in het kader van de (geneeskundige) behandeling van [x] omtrent zijn verstandelijke vermogens bekend zijn geworden; veroordeelt geïntimeerden sub 1 en 2 in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van appellante gevallen en tot deze uitspraak begroot op € 1.139,00, gespecificeerd als volgt: - vastrecht € 245,00 - salaris procureur € 894,00 wijst af hetgeen meer of anders gevorderd is ; Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.