Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1110

Datum uitspraak2006-10-27
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4989 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vergoeding van kosten tijdens de bezwaarprocedure?


Uitspraak

04/4989 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2004, 04/1649 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 27 oktober 2006 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006 waar beide partijen niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Het hoger beroep ziet uitsluitend op de weigering van het Uwv om een vergoeding toe te kennen voor de kosten verbonden aan de werkzaamheden door het Instituut Psychosofia (hierna: IP) tijdens de bezwaarprocedure. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding betwist gemachtigde van appellant hetgeen het Uwv heeft opgemerkt over de positie van mevrouw Verhage van IP als deskundige in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Appellant verzoekt de Raad het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten terzake van de rapportage van mevrouw Verhage van IP. Het Uwv stelt in haar verweerschrift dat het hoger beroep een herhaling kent van reeds bekende argumenten en dat deze argumenten wederom geen aanleiding vormen om zijn standpunt te wijzigen. Verder heeft het Uwv volstaan met verwijzing naar rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 13 april 2005 LJN: AT4323. De Raad ziet geen aanleiding van zijn vaste jurisprudentie af te wijken Onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak en zijn uitspraak van 13 juni 2006, LJN: AX9316, stelt de Raad vast dat ook in dit geval de rapporten van IP niet zijn aan te merken als rapporten van een deskundige in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb. Evenmin vallen deze rapporten onder artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. De met het uitbrengen van die rapporten gemoeide kosten komen dan ook niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking. Voor toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb ziet de Raad geen grond, nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden als daar bedoeld. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.J. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) W.R. de Vries. BKH 06100