
Jurisprudentie
AZ1099
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1273 AW en 05/3010 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/1273 AW en 05/3010 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Twee besluiten. Strafontslag wegens plichtsverzuim? Ontslag wegens ongeschiktheid anders dan ziekte?
Uitspraak
05/1273 AW en 05/3010 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: korpsbeheerder),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 januari 2005, 2003/2367, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
de korpsbeheerder
Datum uitspraak: 19 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
De korpsbeheerder heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank heeft het beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Raad.
De korpsbeheerder heeft op 11 april 2005 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen, waarop betrokkene heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef, F. Kamp en F. Beekwilder, allen werkzaam bij de politieregio Utrecht. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene was sinds maart 1999 werkzaam als administratief medewerkster bij de vreemdelingendienst van de politieregio Utrecht, sinds februari 2002 op grond van een vaste ambtelijke aanstelling. In haar functie was betrokkene belast met administratieve werkzaamheden met betrekking tot bij de politieregio ingediende verblijfsaanvragen van vreemdelingen.
Naar aanleiding van een door betrokkene behandelde aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van een broer van betrokkene is de korpsbeheerder in juli 2002 een onderzoek gestart naar mogelijk plichtsverzuim van betrokkene. Na afronding van dit onderzoek is betrokkene bij besluit van 5 maart 2003 de straf van ontslag opgelegd.
De korpsbeheerder heeft deze straf, na bezwaar, in afwijking van het advies van de Bezwarenadviescommissie, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 augustus 2003. In dat besluit heeft de korpsbeheerder tevens overwogen dat uit de verweten gedragingen blijkt dat betrokkene niet de geschiktheid bezit die voor de functie van administratief medewerker bij de vreemdelingendienst is vereist.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met opdracht aan de korpsbeheerder om binnen zes weken na de bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank achtte de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig aan de ernst van het begane plichtsverzuim aangezien niet was gebleken dat familieleden van betrokkene door het handelen van betrokkene waren bevoordeeld en omdat schriftelijke werkafspraken over de administratieve behandeling van verblijfsaanvragen van familieleden ontbraken en de mondelinge werkinstructies niet eenduidig waren. Met betrekking tot het standpunt van de korpsbeheerder dat betrokkene ongeschikt was voor haar functie heeft de rechtbank overwogen dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat daaraan de conclusie is verbonden dat betrokkene op die grond wordt ontslagen.
3. Nadat namens betrokkene bij brief van 30 maart 2005 beroep bij de rechtbank was ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, heeft de korpsbeheerder bij besluit van 11 april 2005, onder verwijzing naar het tegen die uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep, het besluit tot strafontslag ingetrokken en in de plaats daarvan besloten betrokkene met ingang van 9 september 2003 ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, omdat betrokkene niet beschikt over de voor het ambt vereiste mentaliteit en instelling en daarom niet geschikt is om in de politiedienst te worden gehandhaafd.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. Met betrekking tot het beroep dat betrokkene heeft ingesteld tegen het uitblijven van het nieuwe besluit op bezwaar ter uitvoering van de aangevallen uitspraak overweegt de Raad dat deze aangelegenheid met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderdeel uitmaakt van dit geding. De korpsbeheerder heeft erkend dat het nieuwe besluit zonder goede grond te laat is genomen. De Raad zal de korpsbeheerder daarom op grond van artikel 8:75 van de Awb overeenkomstig het verzoek van betrokkene veroordelen in de proceskosten die beperkt zijn gebleven tot de kosten van verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een beroepschrift en die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op (0,25 x € 322,- =) € 80,50.
4.2. Het aan het strafontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim betreft in de eerste plaats het verwijt dat betrokkene in het jaar 2000 voor de aanvraag van een mvv en/of het verzoek tot voorlopig verblijf (vtv) van haar ouders zelf de aanvraagformulieren heeft aangemaakt en ondertekend en deze in behandeling heeft genomen ondanks dat de verschuldigde leges niet waren betaald; zij heeft de gegevens van die aanvragen ingevoerd in het zogenoemde Decentraal Vreemdelingen Administratie-systeem (D-VAS-systeem), hoewel dat niet haar taak was en zij heeft de ingediende aanvragen later zelf ingetrokken, hoewel dit tot de bevoegdheid van de beslisambtenaar behoort. Voorts wordt betrokkene verweten dat zij in 2002 zelf de mvv-aanvraag van haar broer in behandeling heeft genomen en deze heeft behandeld alsof haar broer in het land van herkomst verbleef, hoewel zij wist dat hij bij de indiening van de aanvraag illegaal in Nederland verbleef. Zij heeft de daartoe geautoriseerde collega verzocht de zogenoemde HKD-controle ten aanzien van hem uit te voeren en heeft de verkregen gegevens vervolgens zelf ingevoerd in het D-VAS-systeem, hoewel dat niet haar taak was. Voorts heeft ze haar broer enkele maanden onderdak geboden en diens paspoort onder zich gehouden om te voorkomen dat dit bij aanhouding in handen van de politie zou vallen.
4.3. De Raad stelt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vast dat partijen niet zozeer van mening verschillen over de feitelijke toedracht van de hiervoor genoemde gedragingen. Partijen zijn vooral verdeeld over het antwoord op de vraag of de verweten gedragingen zodanig ernstig plichtsverzuim vormen dat de straf van ontslag daaraan niet onevenredig is. Betrokkene meent evenals de rechtbank dat het haar niet verboden was de aanvragen van haar familieleden in behandeling te nemen en zij bestrijdt voorts dat zij de aanvragen van haar familieleden met voorrang in behandeling heeft genomen en haar familieleden heeft bevoordeeld.
4.4. De Raad is met de korpsbeheerder en de rechtbank van oordeel dat betrokkene zich met het zelf in behandeling nemen van de aanvraag van een mvv van haar broer en het verder in procedure brengen van die aanvraag door het laten uitvoeren van de HKD-toetsing, aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Betrokkene wist immers dat haar broer niet aan de voorschriften voor een mvv voldeed omdat hij illegaal in Nederland verbleef. Zij had die aanvraag daarom niet verder in procedure mogen brengen. Ook het in bewaring nemen van diens paspoort om te voorkomen dat het in handen van de politie zou vallen acht de Raad zeer ernstig plichtsverzuim. Betrokkene is immers aangesteld om de Vreemdelingenwet mede uit te voeren en te handhaven en die functie is niet te rijmen met het behulpzaam zijn van een vreemdeling bij diens illegale verblijf. Evenzeer is onjuist het zelf ondertekenen van de aanvraag van een vtv van haar ouders en het door- sturen daarvan zonder dat de vereiste leges waren betaald.
4.5. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene met deze gedragingen haar familieleden ook heeft bevoordeeld. Door haar bemoeienissen is de aanvraag van haar ouders immers niet buiten behandeling gesteld vanwege het niet voldaan zijn van de leges. Ook is de mvv-aanvraag van de broer eerder in procedure genomen. Deze aanvraag heeft betrokkene immers uit ‘de stapel’ gehaald met als gevolg dat deze ten nadele van de wachttijd van anderen met voorrang is behandeld.
4.6. Evenals de korpsbeheerder acht ook de Raad voldoende aannemelijk dat betrokkene naar aanleiding van haar bemoeienissen in het jaar 2000 met de aanvragen van haar ouders, door haar chef mevrouw E. is voorgehouden om geen aanvragen van familieleden in behandeling te nemen. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen die E. daaromtrent heeft afgelegd. Het kan voorts verklaren waarom betrokkene in 2002 naar aanleiding van de aanvraag van haar zuster geen contact heeft gezocht met haar chef E. maar met het afdelingshoofd W. Namens betrokkene is voorts niet weersproken dat er in de eerste helft van 2002 binnen de dienst regelmatig werd gediscussieerd over de voorstellen voor een landelijke integriteitsnorm - welke uit-eindelijk in juni 2002 is vastgesteld - waarbij kernpunt in de discussie was dat ook de schijn van belangenverstrengeling dient te worden vermeden.
4.7. In de namens betrokkene tijdens de hoorzitting van 8 januari 2003 naar voren gebrachte omstandigheid dat zij bij haar keuze tussen integer handelen en loyaliteit aan haar familieleden voor dat laatste heeft gekozen, ziet de Raad geenszins grond om haar plichtsverzuim minder ernstig te nemen. De korpsbeheerder dient immers bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid onder alle omstandigheden uit te kunnen gaan van integer handelen van zijn medewerkers.
4.8. Gezien het vorenstaande acht de Raad, anders dan de rechtbank, de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim. Betrokkene heeft immers door haar optreden het in haar gestelde vertrouwen ernstig beschaamd en de integriteit van de dienst schade toegebracht.
5. Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard. Dat betekent tevens dat de grondslag is ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 11 april 2005, zodat de Raad ook dat besluit zal vernietigen.
6. De Raad ziet, behoudens hetgeen onder 4.1. is overwogen, geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit van 19 augustus 2003 ongegrond;
Vernietigt het besluit van 11 april 2005;
Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 80,50, te betalen door de politieregio Utrecht.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botemga.
HD
26.09