Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1094

Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1351 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WUV-uitkering. Vrijheidsberoving tijdens Japanse bezetting in WOII?


Uitspraak

06/1351 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant) en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster). Datum uitspraak: 19 oktober 2006. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 19 januari 2006, kenmerk JZ/C60/2005, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft appellant, die is geboren op 24 september 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, in januari 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om - onder meer - toekenning van een periodieke uitkering op grond van de Wet. In dat verband heeft appellant gesteld dat hij psychische en lichamelijke klachten heeft die in zijn opvatting verband houden met hetgeen hij tijdens de Japanse bezetting heeft meegemaakt. Zo zou hij met zijn moeder en andere familieleden zowel tijdens de bezetting als tijdens de zogeheten Bersiapperiode in hun eigen huis, gelegen in De Wijk, geïnterneerd zijn geweest, in elk geval onder huisarrest hebben gestaan van de Japanners. Zijn vader, die KNIL-militair was, was bij de Japanse inval gevangen genomen en tewerk gesteld aan de Birma spoorlijn en keerde pas na de oorlog terug bij zijn gezin. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 11 augustus 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, onder over-weging dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellant vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door appellant is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen. De Raad is met verweerster van oordeel dat de voorhanden gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen aanvaarden dat appellant tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Blijkens de gedingstukken zijn bij het zorgvuldig uitgevoerde onderzoek van de zijde van verweerster in de haar ter beschikking staande archieven - waaronder archieven van het Rode Kruis en archieven van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (SAIP) - geen objectieve gegevens naar voren gekomen waaruit blijkt dat appellant en zijn familie reeds tijdens de Japanse bezetting in het kamp de Wijk te Malang geïnterneerd zijn geweest of dat sprake is geweest van een door permanente bewaking gedwongen verblijf binnenshuis dat als internering kan worden aangemerkt. Als zodanig geldt eveneens niet het twee of drie keer per maand ter controle binnenvallen van een groepje Japanners. Van internering blijkt evenmin uit het bij verweerster aanwezige en geraadpleegde dossier van de door appellant als getuige genoemde nicht B. Neyman-Lubeck die ten behoeve van haar eigen aanvraag in het kader van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945 geen melding maakt van huisarrest door de Japanners. Uit alle beschikbare gegevens, bezien in hun historische context kan worden geconcludeerd dat appellant en het gezin waartoe hij behoorde pas na de Japanse bezetting is geïnterneerd, hetgeen ook overeenkomt met de verklaring van de vader van appellant die is aangetroffen in de gegevens die bij de SAIP berusten. De Raad neemt aan dat appellant ook gedurende de bezettingsjaren bijzonder angstige tijden heeft meegemaakt en zware beproevingen heeft ondergaan, echter de Wet biedt geen mogelijkheid om op andere gronden dan hierboven aangegeven, erkenning als vervolgde te verlenen. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 11.09