
Jurisprudentie
AZ1091
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2092 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2092 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet aangemerkt als met vervolgde gelijk te stellen persoon.
Uitspraak
06/2092 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 19 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Onder dagtekening 31 januari 2006, kenmerk JZ/C70/2006, heeft verweerster ten aanzien van appellante een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft appellante bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom appellante zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, in juni 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen en een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening toe te kennen. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij ten gevolge van het omkomen van haar vader - hij overleed op 31 juli 1945 tengevolge van de ondergane vervolging door de Japanners - psychische en lichamelijke klachten heeft gekregen.
Bij besluit van 16 augustus 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat bij appellante geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs in verband zijn te brengen met het omkomen van haar vader.
De Raad staat ter beantwoording de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep door appellante is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.
Verweerster heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het omkomen van de vader van appellante ten gevolge van zijn vervolging door de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat zij bij appellante geen ziekten of gebreken heeft geconstateerd waarvan kan worden vastgesteld dat deze redelijkerwijs verband houden met het omkomen van haar vader, zodat appellante voor een periodieke uitkering niet in aanmerking komt.
Verweerster hanteert in gelijkstellingszaken als de onderhavige bovengenoemde norm dat sprake moet zijn van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van de vervolgde ouder. De Raad heeft in constante jurisprudentie deze norm aanvaardbaar geacht.
Het geding spitst zich, gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden tot haar evengenoemde standpunt is gekomen. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen berusten op, onder meer, de resultaten van een door de arts J. Hansma uitgevoerd onderzoek van appellante. In zijn uitvoerig gemotiveerde rapport van juni 2005 is genoemde arts tot de conclusie gekomen dat er bij appellante geen sprake is van ziekten en/of gebreken die redelijkerwijs het gevolg moeten worden geacht van het omkomen van vader in de oorlogstijd. De lichamelijke klachten, te weten diabetes mellitus type II, berust op een stofwisselingsstoornis, die redelijkerwijs niet in verband kan worden gebracht met het omkomen van de vader van appellante, terwijl de bij haar bestaande psychische klachten zeer mild van aard zijn en niet zodanig dat er van een stoornis kan worden gesproken.
Appellante heeft aangevoerd dat zij niet begrijpt dat haar broer, die slechts twee jaar ouder is dan zij, wel is erkend krachtens de Wet, maar zij en haar zusters niet.
Wat betreft de medische beoordeling van de naar voren gebrachte klachten van appellante is ook de Raad van mening dat in de voorhanden medische gegevens omtrent appellante geen grond is te vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemde adviezen tot stand gekomen standpunt van verweerster. Ook de Raad heeft niet kunnen vaststellen dat de door verweerster gevolgde medische adviezen wat de waardering van de psychische en lichamelijke klachten van appellante betreft, berust op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens, terwijl andersluidende medische informatie niet in het geding is gebracht.
Wat het door appellante gedane beroep betreft op de omstandigheid dat haar broer wel een uitkering geniet wijst de Raad - evenals verweerster - erop dat een medische beoordeling een individuele beoordeling is en dat elk individu zijn ervaringen op zijn eigen manier verwerkt, zodat het goed mogelijk is dat gelijke ervaringen bij de een leiden tot invaliditeit en bij de ander niet.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
07.09