Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1090

Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2204 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen WUV-vervolgde of daarmee gelijk te stellen persoon. Niet voldaan aan nationaliteits- en territorialiteitsvereisten.


Uitspraak

06/2204 WUV Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 19 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 januari 2006, kenmerk JZ/W60/2006, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren op 3 januari 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, in mei 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet. In dit verband heeft appellante gesteld dat haar vader, die KNIL-militair was, bij de Japanse inval door de Japanners met geweld krijgsgevangen is gemaakt waarna zij samen met moeder en de andere kinderen zou zijn geïnterneerd in Kabandjahe te Brastagi, Sekola Tjina (Chinese School) te Medan en Kampung Serdang te Medan. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 13 september 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, in de eerste plaats op de grond dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts op de grond dat geen aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door appellante is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen. Blijkens de gedingstukken zijn met betrekking tot de oorlogservaringen van appellante ook na zorgvuldig onderzoek van de zijde van verweerster geen objectieve gegevens beschikbaar gekomen. Doorslaggevend daarbij acht de Raad dat door verweerster geraadpleegde archieven en andere haar ter beschikking staande documenten zoals Wuv kampenlijsten en lijsten van het Nederlandse Rode Kruis geen gegevens bevatten omtrent een opsluiting van appellante en haar familie in een van de door appellante genoemde kampen. Ook van de door appellante genoemde lotgenoten zijn bij verweerster geen gegevens bekend die het relaas van appellante zouden kunnen bevestigen. Gelet op het vorenstaande heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante tijdens de bezettingsjaren vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Wel neemt de Raad aan dat appellante gedurende de Japanse bezetting bijzonder angstige tijden en zware beproevingen heeft ondergaan, doch de Wet biedt geen mogelijkheid om op andere gronden dan hierboven aangegeven, erkenning als vervolgde te verlenen. Ten aanzien van verweersters weigering om appellante met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende. Ingevolge dit artikellid is verweerster bevoegd de persoon die vervolging heeft ondergaan, maar niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3 van de Wet, dan wel de persoon die voldoet aan de vereisten van evenvermeld eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet ten aanzien van deze persoon een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Hierbij geldt dat gelijkstelling niet kan plaatsvinden indien zowel aan artikel 2 als aan artikel 3, eerste lid, van de Wet niet is voldaan. Nu niet is gebleken dat appellante vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan en vaststaat dat zij niet voldoet aan de nationaliteits- en territorialiteits-vereisten zoals gesteld in artikel 3, eerste lid, van de Wet, is de Raad van oordeel dat de weigering van verweerster om appellante met de vervolgde gelijk te stellen, op goede gronden berust. Bij schrijven van 9 augustus 2006 heeft appellante als getuige aangemeld J. Timisela, wonende te Rotterdam, zonder van deze getuige een verklaring in te zenden. De Raad acht geen termen aanwezig deze getuige ambtshalve te horen. Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van appellante dient dan ook ongegrond te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 11.09