
Jurisprudentie
AZ1088
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/403 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/403 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
WUV-gerechtigde. Weigering vergoeding voor tuinonderhoud.
Uitspraak
06/403 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 19 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 22 december 2005, kenmerk JZ/M70/2005, ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 7 september 2006. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn dochter [naam dochter], wonende te [woonplaats]. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren op 14 juli 1925, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Verweerster heeft aanvaard dat de bij appellant aanwezige psychische klachten, zijn oogklachten links, zijn psychosomatische klachten en zijn hartklachten in het door de Wet gevorderde verband met de vervolging staan. Een dergelijk verband is niet aangenomen met betrekking tot de oogklachten rechts, hoofdpijn, gebitsklachten, nekklachten, armklachten suikerziekte, rugklachten, beenklachten en polsklachten. In verband met appellants causale aandoeningen is aan hem onder meer op grond van artikel 20 van de Wet een vergoeding toegekend van extra huishoudelijke hulp, waarvan de omvang bij besluit van verweerster van 5 september 2000 is bepaald op 12 uur per week.
Bij schrijven van 20 juni 2005 heeft appellant zich tot verweerster gewend met het verzoek de hem toegekende huishoudelijke hulp uit te breiden in verband met tuinonderhoud, aangezien het bijhouden van de tuin voor hem gezien zijn hartklachten een te grote inspanning vormt. Verweerster heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van
27 september 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, primair op de grond dat kosten van tuinonderhoud algemeen gebruikelijke kosten zijn, die behoren tot het normale levens- en bestedingspatroon. Verder heeft verweerster overwogen dat voor uitbreiding van de aan appellant reeds toegekende huishoudelijke hulp geen aanleiding bestaat.
De Raad heeft in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht, in rechte kan standhouden. Hij overweegt daartoe het volgende.
Het bestreden besluit berust primair op het uitgangspunt van verweerster dat de kosten van tuinonderhoud in beginsel tot het algemene bestedingspatroon behoren en mitsdien niet kunnen gelden als extra kosten die op grond van de Wet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De Raad kan dit uitgangspunt van verweerster niet voor onjuist houden. Hij overweegt daartoe dat iemand van appellants leeftijd (geboren in 1925) normaliter niet meer zelf het tuinonderhoud verricht. Uitzonderingen daargelaten, waarvan in het onderhavige geval niet is gebleken, kunnen de daarmee samenhangende kosten dan ook niet worden aangemerkt als extra of bijzondere kosten maar dienen te worden aangemerkt als behorende tot het normale bestedingspatroon waarvoor in het kader van de Wet geen voorziening kan worden verleend.
Blijkens de gedingstukken en het behandelde ter zitting gaat verweerster er van uit dat een toegekende vergoeding voor huishoudelijke hulp tevens kan worden aangewend voor tuinonderhoud. Verweerster acht evenwel geen gronden aanwezig een reeds verleende voorziening voor huishoudelijke hulp uit te breiden uitsluitend ten behoeve van kosten welke als algemeen gebruikelijk moeten worden gezien. De Raad acht dit standpunt van verweerster redelijk en aanvaardbaar.
Naar uit het bestreden besluit blijkt, heeft verweerster ook overigens geen gronden aanwezig geacht om het aantal aan appellant toegekende uren huishoudelijke hulp uit te breiden, nu aan appellant gezien zijn situatie reeds het door verweerster gehanteerde maximum aantal uren is toegekend. Dit standpunt is door verweerster op beleidsmatige gronden ingenomen.
De voornaamste grief van appellant is, dat verweerster het bestreden besluit heeft genomen zonder te beschikken over actuele medische informatie. Informatie van de behandelend cardioloog zou volgens appellant duidelijk hebben laten zien dat zijn medische situatie zodanig is verslechterd dat hij bij iedere inspanning pijn heeft. De Raad acht deze grief terecht voorgedragen. Nu het hier gaat om de vraag of sprake is van een medische indicatie als bedoeld in artikel 20 van de Wet, had een zorgvuldige besluitvorming met zich gebracht dat verweerster deze informatie had opgevraagd teneinde te kunnen beoordelen of in de situatie van appellant wellicht aanleiding gevonden zou moeten worden af te wijken van het door verweerster gehanteerde maximum van 12 uur huishoudelijke hulp per week voor een vervolgde die als appellant met een andere persoon samen woont. De Raad acht in deze onzorgvuldigheid bij de voorbereiding van het besluit evenwel geen grond gelegen het bestreden besluit te vernietigen, nu appellant zelf heeft aangegeven dat voor de huishoudelijke werkzaamheden in engere zin het hem toegekende aantal uren huishoudelijke hulp toereikend is.
De Raad zal in dit geval toepassing geven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep van appellant ongegrond verklaren.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
08.09