
Jurisprudentie
AZ1082
Datum uitspraak2006-12-01
Datum gepubliceerd2006-12-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC05/213HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-12-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC05/213HR
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verbintenissenrecht. Geschil tussen oud-partners in een advocatenmaatschap over de afwikkeling van hun beëindigde samenwerking; partiële ontbinding van vaststellingsovereenkomst (81 RO).
Conclusie anoniem
Rolnr. C05/213 HR
Mr. D.W.F. Verkade
Zitting29 september 2006
Conclusie inzake:
[Eiser]
tegen:
[Verweerster]
(niet verschenen)
1. Inleiding
1.1. Partijen hebben tot 1 juli 2000 samen de advocatenpraktijk uitgeoefend in het in eigendom aan [verweerster] toebehorende kantoorpand te [plaats]. Na beëindiging van de samenwerking is [verweerster] haar praktijk daar blijven voeren.
Het gaat in deze zaak - ook in cassatie - over de vraag of [eiser] nu al aanspraak kan maken op een deel van de overeengekomen 1/4 van de waarde van het kantoorpand; welke waarde in aanmerking genomen moet worden; en wat de invloed op een en ander is van een (al dan niet?) tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst, gevolgd door een (al dan niet partiële?) ontbinding daarvan.
1.2. De aangevoerde klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.
2. Feiten(1)
2.1. [Verweerster] en [A] BV, de praktijkvennootschap van [eiser], hebben in maatschapsverband, overigens ieder voor eigen rekening, de advocatuur beoefend vanaf 1 juli 1994 tot medio 2000 onder de naam advocatenkantoor [B]. De maatschap is door [eiser] als bestuurder van genoemde BV opgezegd, althans beëindigd rond juli 2000.(2) In deze rechtsverhouding dienen de voormalige maten nog af te rekenen, waaromtrent nog geen overeenstemming is bereikt.
2.2. Daarnaast zijn [verweerster] en [eiser] (in privé) een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met betrekking tot een kantoorpand aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: 'het pand'). Goederenrechtelijk is het pand eigendom van [verweerster] alleen. De rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot het pand, waarvan onder meer het onder 2.1 bedoelde advocatenkantoor [B] huurder was, is niet in een alomvattende schriftelijke overeenkomst vastgelegd.
2.3. Tussen partijen is ten aanzien van de in 2.2 bedoelde overeenkomst onder meer bij memo's van 3 oktober 1998 en 20 oktober 1998 het volgende uitgewisseld, voor zover van belang:
2.3.1. Memo d.d. 3 oktober 1998 van [eiser] aan [verweerster]:
'(...)
Hieronder doe ik een poging om onze afspraken over het kantoorpand (...) vast te leggen.
Het kantoorpand [a-straat 1]
Wij spraken oorspronkelijk af dat wij medeëigenaren van [a-straat 1] zouden worden in de verhouding 3/4 voor jou en 1/4 voor mij. Door onbegrip bij de bank op het laatste moment kon die afspraak niet worden geëffectueerd en ben jij officieel en voor de buitenwereld volledig eigenaar geworden. Wij spraken toen af dat wij in onze onderlinge verhouding toch uit zouden gaan van medeëigendom volgens de oorspronkelijke verdeling 3/4 - 1/4 in jouw voordeel
Wat betekent dit nu allemaal.
Beheer van het pand
Voor zover ik dat nu kan overzien betekent die afspraak dat wij het pand in onderling overleg dienen te beheren, maar dat jouw mening van doorslaggevend belang is als we het ergens niet over eens zouden worden. Dat betekent ook dat jij voor derden als beheerder moet worden aangemerkt.
Gebruik van het pand
Wat mij betreft ben jij huisbaas en voeren wij overleg over het gebruik van het pand door anderen als wijzelf. Jouw mening is ook hier doorslaggevend als we het niet eens zouden worden. Jij regelt alle financiën en de contracten met andere gebruikers.
(...) Mijn bijdrage dient thans tenminste 1/4 van de eigenaars-lasten te bedragen. Ik kan dat eerlijk gezegd niet goed overzien, maar ik denk dus dat mijn bijdrage minimaal moet bedragen: 1/4 x (kosten hypotheek + kosten aflossing, jouw levensverzekering, - huuropbrengsten). Eventuele fiscale voordelen voor jou worden niet verrekend. Ze zijn je van harte gegund, ook al omdat jij het beheer en het gebruik regelt.
Op grond van het bovenstaande heb ik op jou een persoonlijke vordering die ik als volgt becijfer: 1/4 x (taxatie van de waarde bij vrije verkoop - hypotheek + waarde levensverzekering).
De opeisbaarheid van mijn vordering vind ik een moeilijk punt. Voor zover ik dat nu kan overzien speelt opeisbaarheid in ieder geval een rol bij verkoop of overlijden van één van ons. We hebben dit pand denk ik primair gekocht voor de praktijkuitoefening maar ook als appeltje voor de dorst en beide aspecten zouden dus gehonoreerd moeten worden.
Ik stel voor dat we in ieder geval afspreken dat als één van ons komt te overlijden en de ander wil de praktijk voort blijven zetten, in principe tot zijn/haar pensionering, dat de erven van de overledene de langstlevende niet al te lastig vallen en in ieder geval de goede uitoefening van de praktijk niet dwarsbomen.
Verder hoor ik graag wat jij er van vind.
(...)".
2.3.2. Memo d.d. 20 oktober 1998 van [verweerster] aan [eiser]:
'(...)
Vast staat tussen ons dat jij 1/4 eigenaar bent van het pand aan de [a-straat 1] en ik 3/4 eigenaar.
Laat ons duidelijk zijn: mijn erfgenamen mogen jou niet uit het pand zetten of andere nare dingen bedenken, waardoor jij geen praktijk meer zou kunnen uitoefenen. Overigens geldt dit ook voor jouw erfgenamen ten opzichte van mij. Mogelijk is dit duidelijker vast te leggen in een maatschapsovereenkomst.
Voor zover ik kan overzien missen er twee dingen in jouw voorstel:
1. Als ik eerder dan gepland sterf, dan valt het pand vrij. Ook jij hebt daar dan voordeel van. Terecht naar mijn idee, want ik verreken t.z.t. ook de levensverzekeringspremie met jou.
2. De huuropbrengsten komen bij mij binnen. Ik betaal hierover inkomstenbelasting. Ik denk dat hiervoor een verrekening naar jou toegepast dient te worden. Hoe weet ik niet, maar dat is een accountant te vragen.
De berekening van de verrekening van het pand achteraf lijkt mij juist, zij het dat het hierboven onder 2 genoemde n.m.m. ergens verdisconteerd dient te worden.
(...)'
2.4. In augustus/september 2000 is [verweerster] enige tijd(3) arbeidsongeschikt geraakt. [Verweerster] oefent inmiddels de advocatenpraktijk buiten maatschapsverband met [eiser] uit in het pand.
2.5. Bij brief van 10 oktober 2000 heeft de boekhoudster van de maatschap aan [eiser] het volgende meegedeeld (voor zover van belang):
'(...)
Betreft: Pand [a-straat 1].
Hiermede bevestig ik ons telefonisch onderhoud van 9 oktober jl. waarin wij overeenkwamen dat de waarde van 1/4 deel van het pand vastgesteld wordt op f 90.000,-. Ook [verweerster] (lees: [verweerster]; A-G) kan zich met deze prijs akkoord verklaren.
Het verschuldigde bedrag ad. f 90.000,- zal door [verweerster] binnen 4 weken vanaf heden overgemaakt worden op jouw girorekening nr. [001].
(...)'
2.6. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de boekhoudster [eiser] het volgende meegedeeld (eveneens voor zover van belang):
'(...)
Naar aanleiding van de afwikkeling met betrekking tot jouw uittreden uit de maatschap en de intentie van [verweerster] en jou om op alle gebieden van elkaar los te komen heb ik een berekening gemaakt van hetgeen jij nog schuldig zou zijn aan de maatschap.
(...)
Ik wil [verweerster] dan ook voorstellen om akkoord te gaan met een betaling door jou tegen finale kwijting van (...) f 29.375,-.
Omdat jij vervroegde afrekening van het pand ad. f 90.000,- op je privérekening wilt ontvangen en de vordering van de maatschap zakelijk is, zal ik voorstellen dat de f 90.000,- aan jou wordt overgemaakt na ontvangst van de f 29.375,- voor de maatschap.
(...)
Mocht één van jullie niet akkoord zijn met mijn voorstel, dan zal ik vanaf dat moment uitsluitend met de boekhouding bemoeien en uit deze discussie treden.
(...)'
3. Procesverloop
3.1. Bij inleidende dagvaarding van 17 november 2000 heeft [eiser] [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd [verweerster] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van f. 122.500 vermeerderd met rente en met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] zijn eis gewijzigd,(4) in die zin dat hij primair vorderde betaling door [verweerster] van het bedrag van f. 122.500 vermeerderd met rente, en subsidiair de partiële ontbinding van de volgens [eiser] op 9 oktober 2000 gesloten overeenkomst wegens niet-nakoming door [verweerster], met veroordeling van [verweerster] tot betaling aan hem van de oorspronkelijke overeengekomen afkoopsom van f 122.500.
In het kader van zijn primaire vordering heeft [eiser] onder meer gesteld dat tussen partijen op 9 oktober 2000 een compromis was bereikt. Omdat dit compromis door [verweerster] niet is nagekomen, heeft [eiser], bovenop het compromisbedrag van f 90.000, het naar zijn zeggen stilzwijgend door hem bij wege van compromis prijsgegeven deel van f 32.500 gevorderd. In dit verband heeft [eiser] een beroep gedaan op gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding van het hiervoor bedoelde in zijn visie prijsgegeven deel van de oorspronkelijke overeenkomst en heeft hij aanvullend een verklaring voor recht gevorderd dat hij deze gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding correct heeft ingeroepen. In het kader van zijn subsidiaire vordering heeft [eiser] nog een beroep gedaan op art. 6:38 BW.
3.2. [Verweerster] heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden.
3.3. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 april 2001 een comparitie van partijen gelast, die op 30 mei 2001 heeft plaatsgevonden.
3.4. Nadat de rechtbank het door [verweerster] tot twee maal toe gedane pleitverzoek had afgewezen(5), heeft zij op 12 juni 2002 eindvonnis gewezen, en daarbij de vorderingen van [eiser] afgewezen.
3.5. [Eiser] is van dit (eind)vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. [Verweerster] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3.6. Bij arrest van 30 november 2004 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd. De overwegingen van het hof - voor zover in cassatie van belang - luiden:
'4.1. [Eiser] legt, zo begrijpt het hof, aan zijn vordering ten grondslag de volgens hem op 9/10 oktober 2000 gesloten overeenkomst. Die overeenkomst hield evenwel betaling van f. 90.000,- in en kan in zoverre niet dienen als grondslag voor een vordering tot betaling van f. 122.500,-. Aan die consequentie heeft [eiser] beoogd te ontkomen door te stellen dat hij en [betrokkene 1] [zij is de eerder, in 2.5, genoemde boekhoudster van partijen; toevoeging A-G] bij het sluiten van de overeenkomst - kennelijk in zijn visie een vaststellingsovereenkomst - er stilzwijgend van uitgingen dat hij, [eiser], eigenlijk f. 122.500,-, als aandeel in het pand te vorderen had, dat hij daarvan f. 32.500,- heeft prijsgegeven en dat daartegenover [verweerster], bij monde van [betrokkene 1], haar aanspraak op afrekening van de ontbonden maatschap prijsgaf. Het is die prijsopgave van f. 32.500,- en de daar tegenover staande prijsopgave van aanspraken uit hoofde van afrekening terzake van de ontbonden maatschap, zo moet het hof begrijpen, die gezamenlijk als een tweezijdige rechtshandeling zijn te beschouwen, die door [eiser] is ontbonden. Daarmee zou de verplichting van [verweerster] tot betaling van f.122.500,- terzake van [eiser] aandeel in het pand, zijn herleefd. Aan deze constructie kan enige creativiteit niet worden ontzegd. Het hof acht haar echter ondeugdelijk.
4.2. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat op 9/10 oktober 2000 een overeenkomst als door [eiser] gesteld maar door [verweerster] betwist, tot stand is gekomen, kan gedeeltelijke ontbinding als door [eiser] bedoeld slechts algehele ontbinding van die overeenkomst betekenen. Het betreft hier immers - indien de stellingen van [eiser] worden gevolgd - een vaststellingsovereenkomst waarvan niets aan (door [eiser] veronderstelde) wilsovereenstemming overblijft maar slechts een geschil resteert indien de door beide partijen gedane concessies, waarom het in een dergelijke overeenkomst gaat, vervallen of worden ingetrokken.
4.3. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat [eiser] zich voor de omvang en de opeisbaarheid van zijn vordering niet op de brief van [betrokkene 1] van 9/10 oktober 2000 kan beroepen en dat onderzocht dient te worden of die vordering en haar opeisbaarheid uit andere feiten kan worden afgeleid. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval.
4.4. Voor de opeisbaarheid - het punt waarop de vordering bij de rechtbank is gestrand - geldt het volgende. In de summiere vastlegging in [eiser]' brief aan [verweerster] van 3 juni 1998 (productie 2 bij memorie van grieven) van de voorwaarden waarop [eiser] in het pand van [verweerster] deelnam, wordt het volgende opgemerkt: "Op grond van het bovenstaande heb ik op jou een persoonlijke vordering die ik als volgt becijfer: 1/4 x (taxatie van de waarde bij vrije verkoop - hypotheek + waarde van de levensverzekering). De opeisbaarheid van mijn vordering vind ik een moeilijk punt. Voor zover ik dat nu kan overzien speelt opeisbaarheid in ieder geval een rol bij verkoop of overlijden van één van ons.... Ik stel voor dat we in ieder geval afspreken dat als één van ons komt te overlijden en de ander wil de praktijk voort blijven zetten, in principe tot zijn/haar pensionering, dat de erven van de overledene de langstlevende niet al te lastig vallen en in ieder geval de goede uitoefening van de praktijk niet dwarsbomen...". [Verweerster] heeft daarop geantwoord bij brief (productie 2 bij conclusie van eis) van 20 oktober 1998, luidende, voorzover hier relevant: "...Laat het duidelijk zijn: mijn erfgenamen mogen jou niet uit het pand zetten of andere nare dingen bedenken, waardoor jij geen praktijk meer zou kunnen uitoefenen. Overigens geldt dit ook voor jouw erfgenamen ten opzichte van mij...".
Voorzover ik kan overzien missen er twee dingen in jouw voorstel:
1....
2. De huuropbrengsten komen bij mij binnen. Ik betaal hierover inkomstenbelasting. Ik denk dat hiervoor een verrekening naar jou toegepast moet worden. Hoe weet ik niet, maar dat is een accountant te vragen".
Partijen zijn het erover eens dat verder tussen hen niet is gesproken of geschreven over de gevallen waarin de vordering van [eiser] opeisbaar zou zijn.
4.5. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de hiervoor geciteerde passages uit de over de overeenkomst tussen partijen gewisselde brieven niet meer kan worden afgeleid dan dat in geval van verkoop van het pand in beginsel afrekening zou plaatsvinden en dat zulks bij overlijden van een van partijen, gevolgd door voortzetting door de andere partij van de advocatenpraktijk in het pand, in beginsel niet het geval zou zijn. Het ligt in de lijn van deze overigens vage afspraken dat in het onderhavige geval van een verplichting tot afrekening aan de zijde van [verweerster] geen sprake is en dus ook niet van opeisbaarheid van [eiser]' vordering. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat [verweerster] in het najaar van 2000 er kennelijk ook naar streefde met [eiser] volledig af te rekenen.
4.6. Met betrekking tot de omvang van de vordering overweegt het hof het volgende. Nu de overeenkomst van 9/10 oktober 2000, indien die al tussen partijen tot stand is gekomen, als vervallen moet worden aangemerkt (cf. rov. 4.2) is de toestand als in rov. 3.3 beschreven: tussen partijen bestaat geen overeenstemming over het bedrag waarop [eiser] aanspraak zou kunnen maken terzake van zijn aandeel in het pand en evenmin over de wijze waarop dat bedrag moet worden berekend.
5. [Eiser] heeft aangeboden te bewijzen dat op 9/10 oktober 2000 een overeenkomst tussen hem en [verweerster], vertegenwoordigd door [betrokkene 1], is tot stand gekomen als in de brief van 10 oktober 2000 neergelegd. Dat aanbod wordt gepasseerd omdat het gelet op het onder 4.2 overwogene niet terzake dienend is.
6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vordering van [eiser] terecht heeft afgewezen (...).'
3.7. [Eiser] heeft tegen het arrest van het hof - tijdig(6) - beroep in cassatie ingesteld. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen; tegen haar is verstek verleend. De zaak is namens [eiser] schriftelijk toegelicht.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1. Het middel valt uiteen in 6 onderdelen; een aantal van die onderdelen is weer onderverdeeld in subonderdelen.
4.2. Onderdeel 1 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.2 van het bestreden arrest, welke overweging ik gemakshalve hieronder nog eens citeer:
'4.2. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat op 9/10 oktober 2000 een overeenkomst als door [eiser] gesteld maar door [verweerster] betwist, tot stand is gekomen, kan gedeeltelijke ontbinding als door [eiser] bedoeld slechts algehele ontbinding van die overeenkomst betekenen. Het betreft hier immers - indien de stellingen van [eiser] worden gevolgd - een vaststellingsovereenkomst waarvan niets aan (door [eiser] veronderstelde) wilsovereenstemming overblijft maar slechts een geschil resteert indien de door beide partijen gedane concessies, waarom het in een dergelijke overeenkomst gaat, vervallen of worden ingetrokken.'
4.3. Het onderdeel klaagt allereerst dat het hof hier heeft miskend dat de commune bepalingen terzake van - ook partiële - ontbinding (uit Boek 6, titel 5, afdeling 5 BW) van toepassing zijn op een vaststellingsovereenkomst, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het niet heeft aangegeven welke grond er aan in de weg staat dat in casu de vaststellingsovereenkomst niet gedeeltelijk zou kunnen worden ontbonden op de wijze als gevorderd.
Deze klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat partiële ontbinding van een vaststellingsovereenkomst niet mogelijk is. Het heeft echter geoordeeld dat de onderhavige vordering van [eiser] niet op de door hem gestelde overeenkomst van 9/10 oktober 2000 kan worden gebaseerd, omdat wegens de door [eiser] bedoelde ontbinding in het gegeven geval van enige wilsovereenstemming en daarmee van een overeenkomst geen sprake meer was. Daarbij gaat het hof ervan uit dat [eiser] volgens de door hem bedoelde vaststellingsovereenkomst eigenlijk f. 122.500 als aandeel in het pand te vorderen had, dat hij daarvan f. 32.500 heeft prijsgegeven en dat daartegenover [verweerster], bij monde van de eerder genoemde boekhoudster, haar aanspraak op afrekening van de ontbonden maatschap prijsgaf. De gedeeltelijke ontbinding zou - aldus 's hofs uitleg van de vordering van [eiser] - betrekking hebben op de prijsgave door [eiser] van f. 32.500 en de daartegenover staande prijsgave door [verweerster] van aanspraken uit hoofde van afrekening terzake van de ontbonden maatschap.
4.4. 's Hofs motivering in rov. 4.2 om de redenering van [eiser] in rov. 4.1 'ondeugdelijk' te oordelen, acht ik bepaald niet onbegrijpelijk.
Instemmend geparafraseerd: Indien partijen het bij wege van compromis al eens zijn geweest over het - binnen 4 weken te betalen - bedrag van f. 90.000, zie onder de feiten 2.5, en óók indien partijen het erover eens zouden zijn geweest (waarvan overigens niets vaststaat) dat dit compromis betrekking had op f. 122.500 alsmede op de over en weer tegen elkaar weg te strepen vorderingen (ad f. 32.500 van [eiser] op [verweerster] in verband met meerwaarde van het pand en omgekeerd f. 32.500 van [verweerster] op [eiser] i.v.m. afrekening van de beëindigde maatschap), blijft het nog steeds een compromis ter hoogte van f. 90.000 en niet een compromis ter hoogte van f. 122.500. Als één der partijen, [eiser], vervolgens - door wat [eiser] 'partiële ontbinding' noemt - alsnog f. 90.000 + f. 32.500 = f. 122.500 vordert (al dan niet omdat de tegenpartij, [verweerster], nog een vordering in de orde van grootte van f. 32.500 claimt), dan kan die claim van f. 122.500 al dan niet terecht blijken. Maar die claim kan niet meer op het compromis, en ook niet op een 'gedeeltelijk ontbonden compromis' gebaseerd worden, nu [verweerster] zich immers bij wege van compromis tot betaling van (overigens niet meer dan:) f. 90.000 verbond, nog daargelaten haar onder 2.6 bedoelde vordering op de prakijk-BV van [eiser], en zij zich ook slechts bij wege van compromis tot betaling binnen vier weken verbond.
Op de vraag of het hof tenminste een bedrag van f. 90.000 had moeten toewijzen, heeft het aanstonds te bespreken onderdeel 3 van het middel betrekking. In onderdeel 1 gaat het evenwel om [eiser]' vordering uit hoofde van een 'partieel ontbonden compromis' ad (niet f. 90.000 maar) f. 122.500.
4.5. Uit het voorgaande vloeit reeds voort dat het hof (dus) niet heeft geoordeeld dat gedeeltelijke ontbinding niet zou kunnen worden toegewezen vanwege het karakter van de vaststellingsovereenkomst in het algemeen of vanwege het verband tussen het ontbonden deel en het overige deel van de overeenkomst, zodat subonderdeel 1.2 - dat betoogt dat het hof de feitelijke grondslag van het verweer van [verweerster] aldus zou hebben aangevuld - faalt. Dat het hof de vordering van [eiser] (terecht) niet heeft uitgelegd als een vordering tot algehele ontbinding, volgt eveneens reeds uit het vorenstaande. Om die reden faalt ook subonderdeel 1.3. Subonderdeel 1.4 deelt het lot van de voorafgaande klachten.
4.6. Onderdeel 2 keert zich tegen rov. 4.2 en 4.6 van het bestreden arrest en klaagt dat het hof buiten het gevorderde is getreden door - samengevat - (a) de algehele ontbinding uit te spreken, althans (b) deze bij wijze van hypothese als vervallen aan te merken, zonder enig bedrag toe te wijzen.
4.7. De onder (a) bedoelde klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof - zoals hierboven bij de bespreking van subonderdeel 1.3 al aan de orde kwam - [eiser]' vordering niet heeft uitgelegd als een vordering tot algehele ontbinding, laat staan dat het hof de algehele ontbinding heeft uitgesproken. De klacht onder (b) herhaalt in feite de klachten in onderdeel 1, en deelt het lot daarvan; voor zover zij betrekking heeft op een lager toe te wijzen bedrag, gaat zij op in de onderdelen 3 en 5.
4.8. Het hof heeft geoordeeld dat voor zover er al op 9/10 oktober 2000 een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, daarvan ná de partiële ontbinding door [eiser] niets anders is overgebleven dan een geschil over de omvang en de opeisbaarheid van [eiser]' vordering terzake van 1/4 van de waarde van het pand.
De door [eiser] gestelde overeenkomst van 9/10 oktober 2000 biedt - met andere woorden - volgens het hof geen grondslag voor toewijzing van [eiser]' vordering; ook niet - zoals onderdeel 3 wil - tot een bedrag van f. 90.000.
4.9. Zelfs indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat tussen partijen (in oktober 2000) wél overeenstemming bestond over de omvang van de vordering en dat die niettegenstaande de 'partiële ontbinding' is blijven bestaan, in die zin dat [eiser] een vordering had en heeft op [verweerster] van f. 90.000,(7) dan nog heeft te gelden dat die overeenstemming na en door de 'partiële ontbinding' niet meer bestond ten aanzien van de vraag wanneer die vordering opeisbaar was: vgl. hierboven 4.4.
Tegen deze achtergrond mocht het hof m.i. [eiser]' bewijsaanbod terzake van de stelling dat zijn vordering op grond van de 'overeenkomst' van 9/10 oktober 2000 tot een bedrag van tenminste f. 90.000 toewijsbaar is - als niet terzake dienend - passeren.
4.10. Onderdeel 4 richt zich tegen rov. 4.5 van het bestreden arrest, waar het hof - kort gezegd - heeft overwogen dat de vordering van [eiser] op [verweerster] (nog) niet opeisbaar is. Nadat het hof in rov. 4.3 had overwogen dat de opeisbaarheid van [eiser]' vordering niet kon worden gebaseerd op de door hem gestelde overeenkomst van 9/10 oktober 2000, heeft het hof in rov. 4.4 onderzocht of die opeisbaarheid wellicht wél kon worden afgeleid uit de afspraken die partijen in juni 1998 over het kantoorpand hadden gemaakt.(8) Uit die afspraken volgt dat [eiser] gerechtigd is tot 1/4 van de waarde van het aan [verweerster] in eigendom toebehorende kantoorpand. In het kader van de vraag wanneer de vordering van [eiser] op [verweerster] opeisbaar is, hadden partijen (slechts) afgesproken dat dit het geval zou zijn bij verkoop van het pand. Verder hadden partijen nog afgesproken dat geen afrekening zou plaatsvinden bij overlijden van een van de partijen, gevolgd door voortzetting door de andere partij van de advocatenpraktijk in het pand. Partijen hadden derhalve niet voorzien in de mogelijkheid van opeisbaarheid in het geval van beëindiging van de maatschap, gevolgd door voortzetting van de advocatenpraktijk in het pand door een van de partijen.
4.11. Onderdeel 4 strekt er in de kern toe te betogen dat het hof had moeten uitgaan van onmiddellijke opeisbaarheid van [eiser]' vordering. Hiertoe wordt een beroep gedaan op art. 6:38 BW, welk artikel bepaalt dat de verbintenis terstond kan worden nagekomen en dat terstond nakoming kan worden gevorderd, indien geen tijd voor nakoming is bepaald. Het onderdeel dient m.i. te falen.
4.12. Het onderdeel miskent vooreerst dat het hof in rov. 4.5 - nu kort samengevat - heeft geoordeeld dat, in de lijn van de afspraken tussen partijen, in het onderhavige geval (waarin er geen sprake is van verkoop van het pand, en één der partijen daarin nog steeds de praktijk uitoefent) van een verplichting van [verweerster] tot nakoming van een verbintenis tot afrekening nog geen sprake was. Daarmee is opeisbaarheid van [eiser]' vordering niet aan de orde.
Ik voeg hier, m.i. ten overvloede, aan toe dat de omstandigheid dat art. 6:38 BW spreekt van 'bepaald' niet betekent dat daarvoor met zo veel woorden een uitdrukkelijke 'bepaling' nodig zou zijn.(9) Bij de beantwoording van de vraag of een tijd voor nakoming is 'bepaald' spelen immers ook het Haviltex-leerstuk en, voor zover nodig, het gebruik en de redelijkheid en billijkheid een rol. Kennelijk en verre van onbegrijpelijk is het hof ervan uitgegaan dat in de rechtsverhouding tussen partijen - voor zover hier van belang - 'bepaald' is dat afrekening, laat staan opeisbaarheid, niet aan de orde is, zolang het pand nog niet verkocht is en zolang één der partijen daarin nog steeds de praktijk uitoefent.
4.13. In het onderdeel kan nog de klacht ontwaard worden dat het hof de tussen partijen gemaakte afspraken over de opeisbaarheid van [eiser]' vordering met betrekking tot het kantoorpand had moeten aanvullen op grond van de redelijkheid en billijkheid. De aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid komt aan de orde, indien de afspraken van partijen een leemte bevatten, in de opvulling waarvan noch de wet noch de gewoonte voorziet. Of een zodanige leemte aanwezig is, moet door uitleg van de overeenkomst worden vastgesteld.(10)
Ik herinner er echter aan dat uitleg van overeenkomsten aan de feitenrechter is voorbehouden en dat in cassatie slechts kan worden getoetst of de feitenrechter de juiste maatstaf heeft gehanteerd en of het resultaat van de uitleg voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Hoewel een andersluidend oordeel wellicht niet ondenkbaar was geweest - in de zin dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat partijen die hun samenwerking beëindigen een spoedige afwikkeling c.q. afrekening van vorderingen over en weer dienen te bevorderen(11) - meen ik dat het door het hof gegeven oordeel die toets kan doorstaan. Het hof was kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel dat de tussen partijen gemaakte afspraken geen leemte bevatten: zie 4.12.
4.14. Op het vorenstaande stuiten de klachten vervat in onderdeel 4 af.
4.15. Onderdeel 5 keert zich tegen rov. 3.3 en 4.6, voor zover het hof aldaar heeft overwogen dat tussen partijen geen overeenstemming bestaat over het bedrag waarop [eiser] aanspraak zou kunnen maken terzake van zijn aandeel in het pand. Het onderdeel strekt in de kern tot het betoog dat het hof in ieder geval een bedrag van f. 75.000 had moeten toewijzen, nu [verweerster] zou hebben erkend dat de vordering van [eiser] tenminste f. 75.000 bedroeg. In dat verband verwijst het onderdeel naar de memorie van antwoord van [verweerster].(12)
4.16. Deze klacht faalt, niet alleen omdat zij uit het oog verliest dat afrekening nog niet aan de orde was (zie hierboven 4.12), maar bovendien omdat zij uit het oog verliest dat in een geldvordering uit overeenkomst slechts een vordering tot een lager bedrag besloten ligt, voorzover ook deze (lagere) vordering redelijkerwijs op dezelfde grondslag als de ingestelde vordering kan worden gebaseerd.(13) In casu heeft [eiser] zijn vordering gebaseerd op de ('gedeeltelijk ontbonden') overeenkomst van 9/10 oktober 2000. Hierop kan echter niet een vordering tot betaling van f. 75.000 worden gegrond. Kortheidshalve verwijs ik naar hetgeen ik in nrs. 4.3 t/m 4.9 bij de bespreking van de middelonderdelen 1 tot en met 3 over de hiervoor bedoelde 'overeenkomst' heb opgemerkt.
4.17. Onderdeel 6 richt zich - zonder dat het een zelfstandige klacht bevat - tegen rov. 5 van het bestreden arrest en deelt het lot van de voorafgaande klachten.
5. Conclusie
Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Ontleend aan rov. 1.1 tot en met 1.6 van het vonnis van de rechtbank van 12 juni 2002, waarnaar het hof in rov. 1 van het bestreden arrest verwijst.
2 In rov. 1 van het bestreden arrest vermeldt het hof, in aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde feiten, dat [eiser] heeft gesteld dat hij voorafgaand aan de hiervoor bedoelde beëindiging de maatschapsovereenkomst - wegens wanprestatie van [verweerster] - heeft ontbonden.
3 De rechtbank had (in rov. 1.4 van haar vonnis van 12 juni 2002) vastgesteld dat [verweerster] 'langdurig (een half jaar tot een jaar)' arbeidsongeschikt is geweest, hetgeen door [eiser] is bestreden (zie rov. 1 van het bestreden arrest).
4 [Verweerster]' verzet tegen deze eiswijziging is bij rolbeslissing van 23 oktober 2001 afgewezen.
5 [Verweerster] heeft op 6 november 2001 pleidooi gevraagd, welk verzoek op 4 december 2001 is afgewezen. Het tweede pleitverzoek van [verweerster] dateert van 29 januari 2002. Dit alles blijkt uit een vonnis van de rolrechter van 26 februari 2002; rov. 1 en rov. 3.
6 De cassatiedagvaarding tegen het arrest van 30 november 2004 is uitgebracht op 28 februari 2005.
7 Zie schriftelijke toelichting namens [eiser] onder 2.10, waar dit punt wordt onderkend. Betoogd wordt dat indien onderdeel 4 van het middel - dat zich richt tegen 's hofs oordeel dat [eiser]' vordering op [verweerster] thans niet opeisbaar is - slaagt, de conclusie slechts kan zijn dat tenminste een bedrag van f. 90.000 zal moeten worden toegewezen.
8 Zie hierboven, nr. 2.3.
9 Vgl. Asser-Hartkamp 4-I, 2004, nr. 231.
10 Vgl. Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nr. 307.
11 Een betoog van die strekking ligt besloten in (het slot van) subonderdeel 4.2.4.
12 Te weten nr. 8 MvA ('[...] berekende uitgaande van de werkelijke waarde een door [verweerster] aan [eiser] te betalen bedrag van circa f. 75.000,- (exact f 74.183,90) (...))', respectievelijk nr. 26 MvA 'Hij vergeet gemakshalve dat [...] berekend had dat de werkelijke waarde van zijn aandeel slechts f 75.000,- waard was.'
13 Vgl. Hugenholtz/Heemskerk, 2006, nr. 117, p. 123, met verwijzingen naar jurisprudentie.
Uitspraak
1 december 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/213HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 17 november 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd, na wijziging van eis, primair [verweerster] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van ƒ 122.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. [Eiser] heeft voorts aanvullend een verklaring voor recht gevorderd dat hij correct de gedeeltelijke buitengerechtelijke ontbinding van het door hem prijsgegeven deel van de oorspronkelijke overeenkomst tussen partijen heeft ingeroepen. Subsidiair heeft hij de ontbinding gevorderd van de volgens hem op 9 oktober 2000 gesloten overeenkomst wegens niet-nakoming door [verweerster], met veroordeling van [verweerster] tot betaling aan hem van de oorspronkelijk overeengekomen afkoopsom van ƒ 122.500,--.
[Verweerster] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 24 april 2001 een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 12 juni 2002 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [eiser] in de kosten van de procedure veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 30 november 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 december 2006.