
Jurisprudentie
AZ1079
Datum uitspraak2006-10-19
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/785 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/785 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WUV-uitkering. Zijn psychische klachten gevolg van vervolging?
Uitspraak
06/785 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Australië) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 19 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 december 2005, kenmerk JZ/O/70/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Daar is appellant niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren op 18 maart 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet.
Bij besluit van 31 december 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster appellant erkend als vervolgde in de zin van de Wet, doch hem een periodieke uitkering ingevolge de Wet geweigerd op de grond dat de lichamelijke en psychische klachten van appellant niet in verband kunnen worden gebracht met de ondergane vervolging, maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.
In beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters standpunt dat bij hem geen sprake is van met de vervolging samenhangende psychische klachten.
In geding is de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.
Om voor een periodieke uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet in aanmerking te komen moet bij de vervolgde sprake zijn van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd.
Het standpunt van verweerster dat de bij appellant aanwezige psychische klachten - depressieve episodes met een constitutionele basis - niet voortvloeien uit zijn vervolging, is in overeenstemming met adviezen van haar geneeskundig adviseurs, welke adviezen berusten op een rapport d.d. 6 december 2004 dat Dr. Neil H. Maclean, psychiater te Gosford (Australie) op verzoek van verweerster omtrent appellant heeft uitgebracht. Uit genoemd rapport en de aanvulling daarop van 9 november 2005, komt naar voren dat deze psychiater bij appellant ten tijde van zijn onderzoek geen depressieve stoornis of andere psychische aandoening heeft kunnen vaststellen en voorts dat de bij appellant in het verleden opgetreden depressieve episodes niet zijn toe te schrijven aan de ondergane vervolging, maar aan life-events zoals lichamelijke ziekte, een grote operatie, etc.. Tenslotte blijft verweerster van mening, ook na meeweging van de nieuwe medische informatie van zowel dr. Maclean als van appellants huisarts dr. Fagg, dat er bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die voortkomen uit de vervolging.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Nu geen medische gegevens die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn aangetroffen noch nader ingebracht, was verweerster gerechtigd bedoelde adviezen daaromtrent te volgen. Dat het medisch onderzoek van appellant op enigerlei wijze tekort is geschoten heeft de Raad voorts niet kunnen vaststellen.
De omstandigheid dat aan bekenden van appellant met vergelijkbare oorlogservaringen wel uitkeringen op grond van de Wet zijn verleend, kan niet tot een ander oordeel leiden. De beoordeling van de medische gevolgen is een individuele aangelegenheid die tot verschillende uitkomsten kan leiden.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
27.09