
Jurisprudentie
AZ1076
Datum uitspraak2006-10-27
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2266 AAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-31
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2266 AAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering jonggehandicapte.
Uitspraak
03/2266 AAW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 maart 2003, 01/395 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 7 juli 2006 heeft het Uwv een aantal vragen van de Raad beantwoord. Ten slotte heeft appellant bij brief van 3 september 2006 nog diverse stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H. Nuyens.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Appellant is [in] 1964 geboren en bezit de Nederlandse nationaliteit. Vanaf zijn geboorte heeft hij met zijn ouders gewoond in Duitsland nabij de grens met Nederland. Appellant heeft vanaf eind 1972 een invaliderende juveniële reumatoïde artritis en is sinds juni 1998 bekend met het Lambert-Eaton myastheen syndroom. In verband met deze ziektes is appellant vanaf 1974 vaak en soms langdurig opgenomen geweest in de Sint Maartenskliniek en het Radboud Ziekenhuis, beide te Nijmegen.
Van september 1984 tot september 1993 heeft appellant gestudeerd aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen. Gedurende dit tijdvak ontving hij Nederlandse studiefinanciering. Vanaf september 1993 heeft appellant als extraneus ingeschreven gestaan bij genoemde universiteit en heeft hij bijstand ontvangen van de gemeente Nijmegen. In december 1990 is appellant voor het eerst ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Nijmegen.
In november 1983 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingediend. Bij besluit van 27 maart 1984 heeft het Uwv afwijzend op deze aanvraag beslist, omdat appellant geen ingezetene van Nederland zou zijn.
In januari 2000 heeft appellant opnieuw een aanvraag om een arbeidsongeschiktheids-uitkering ingediend bij het Uwv. Bij besluit van 28 april 2000 heeft het Uwv geweigerd een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aan appellant toe te kennen, omdat hij geen jonggehandicapte zou zijn. Dit besluit heeft het Uwv op 14 juli 2000 ingetrokken, omdat het op een onjuiste grondslag berustte. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv vervolgens geweigerd een uitkering ingevolge de AAW aan appellant toe te kennen. Daarbij is overwogen dat appellant vanaf 11 december 1990 verzekerd is ingevolge de AAW en dat hij op die dag reeds volledig arbeidsongeschikt was. Op grond van artikel 21 van de AAW heeft het Uwv de op de datum van de aanvang van de verzekering ingevolge de AAW bestaande arbeidsongeschiktheid blijvend en geheel buiten aanmerking gelaten.
Bij beslissing op bezwaar van 8 februari 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 14 juli 2000 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant eerst vanaf 11 december 1990 geacht kan worden ingezetene te zijn, zodat het Uwv bevoegd is de uit de AAW voortvloeiende aanspraken van appellant geheel buiten aanmerking te laten nu zijn algehele arbeids-ongeschiktheid reeds bestond op het tijdstip waarop zijn verzekering ingevolge de AAW een aanvang nam.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de aanvraag van appellant in feite een verzoek is om terug te komen van het rechtens vaststaande besluit van 27 maart 1984 en dat het Uwv in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, nu geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.
Bij brief van 9 mei 2006 heeft de Raad de navolgende vragen aan het Uwv voorgelegd:
“1. Waarom hebt u de aanvraag van appellant d.d. 4 januari 2000 niet tevens opgevat als een aanvraag om een uitkering op grond van de Wajong?
2. Is naar uw oordeel verordening nr. 1408/71 ook reeds voordat appellant ging studeren op appellant van toepassing? Zo ja, vanaf welke datum? In dit verband wijs ik u op de stelling van appellant in het hoger beroepschrift van 3 mei 2003, punt 6, dat zijn vader in opdracht van een Nederlands bouwbedrijf naar Duitsland is vertrokken omdat anders het bedrijf geen Duitse staatsopdrachten zou krijgen.
3. In uw opvatting woonde appellant op zijn 17e verjaardag in Duitsland. Dient naar uw oordeel voor de toepassing van artikel 5, lid 1, aanhef en sub a, Wajong dit wonen van appellant op grond van artikel 10 bis, lid 2, van verordening
nr. 1408/71 te worden gelijkgesteld met wonen in Nederland?
4. In uw opvatting woonde appellant gedurende zes jaren voorafgaand aan zijn 17e verjaardag in Duitsland. Dient naar uw oordeel voor de toepassing van artikel 10, lid 3, van de Wajong dit wonen van appellant op grond van artikel 10 bis, lid 2, van verordening 1408/71 te worden gelijkgesteld met wonen in Nederland?
5. In hoeverre zou naar uw oordeel artikel 10 bis, lid 4, van verordening nr. 1408/71 van betekenis kunnen zijn voor het onderhavige geding?”
Het Uwv heeft deze vragen bij brief van 7 juli 2006 als volgt beantwoord:
“Ad 1.
Zoals in het dossier valt te zien is in eerste instantie ook een beslissing over het recht op een WAJONG-uitkering afgegeven. Later is deze beslissing echter ingetrokken en gewijzigd in een beslissing over het recht op een AAW-uitkering. (zie gedingstukken 20 en 25). Helaas valt in ons dossier niet na te gaan waarom een en ander zo is gelopen. Wat destijds ook de reden is geweest om op de aanvraag van appellant niet tweeledig op te vatten, wij zien nu alle reden om dit alsnog wel te doen. Praktisch betekent dit dat wij onze primaire afdeling zullen vragen om een primaire beslissing te nemen omtrent appellants aanvraag voor een Wajong-uitkering. Wij wachten echter eerst uw uitspraak af, omdat u daarin mogelijk, gezien uw vraagstelling, overwegingen zult wijden aan het recht op WAJONG-uitkering.
Ad 2: Appellant is reeds in 1984 gaan studeren. Toen kon hij nog niet in de hoedanigheid van student onder de personele werkingssfeer van de Verordening vallen. Studenten vallen immers eerst sinds 1 mei 1999 onder de werking van de Verordening. Blijkens de definitiebepaling van artikel 1 sub c van de Verordening zullen zij om een beroep op de Verordening te kunnen doen wel in een algemeen stelsel van sociale zekerheid of in een bijzonder stelsel voor studenten verzekerd moeten zijn. Ook voor 1 mei 1999 kon iemand in een situatie als betrokkene onder de personele werkingssfeer van de Verordening vallen, echter dan uitsluitend in de hoedanigheid van gezinslid.
(…)
Overigens zij opgemerkt dat om als gezinslid een beroep te kunnen doen op de Verordening, appellant wel ten laste moet zijn gekomen van de migrerend werk-nemer. Of aan deze voorwaarde is voldaan zou slechts door een nader onderzoek naar de feiten kunnen worden vastgesteld. Uit het dossier blijkt voorts niet duidelijk in welke tijdvakken precies hetzij appellants vader, hetzij appellants moeder de status van werknemer dan wel zelfstandige hebben gehad. Voorafgaande aan de primaire besluitvorming zoals aangekondigd onder ad 1. zal dit onderzoek plaats dienen te vinden.
Ad 3: Het antwoord luidt ja. Hoewel de betrokken bepaling eerder lijkt te zijn geschreven voor de gelijkstelling van wonen in andere lidstaten met het oog op de samenstelling van tijdvakken in het kader van een referte eis dan met het oog op de gelijkstelling van wonen op een specifiek tijdstip, namelijk bij het bereiken van de zeventienjarige leeftijd, laten ons inziens de bewoordingen van deze bepaling een dergelijke gelijkstelling wel toe. Daarop wijzen ook de bewoordingen van punt 3 van de Bijlage bij het Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid, Stcrt 1998,140.
(…)
Anders dan de AAW is de WAJONG geen sociale verzekering maar een sociale voorziening. Zij is niet op verzekering gebaseerd. De eis dat de betrokken jonggehandicapte bij het bereiken van de zeventienjarige leeftijd in Nederland woonachtig moet zijn draagt niet zo zeer het karakter van een verzekerings-voorwaarde maar beoogt uitsluitend een feitelijke band met Nederland op een bepaald moment te fixeren. Een dergelijke wooneis kan juist niet door bepalingen van titel II maar slechts door bijzondere daarop toegespitste coördinatieregels opzij worden gezet. De ratio van de hierboven genoemde uitspraak van uw Raad van
30 december 1996 is op een dergelijke wooneis, zo menen wij, dan ook niet van toepassing. Voor bijzondere non-contributieve uitkeringen, zoals de WAJONG, is door de communautaire wetgever een toegespitst coördinatieregime als hierboven bedoeld, voorzien, namelijk in de verschillende bepalingen van artikel 10 bis. Door de inschrijving van de WAJONG op Bijlage II bis is dit bijzondere coördinatieregime op de WAJONG van toepassing geworden. Wij voegen hier volledigheidshalve aan toe dat het Hof van Justitie EG in zijn arrest van 6 juli 2006 in de zaak C-154/05 (Kersbergen Lap en Dams-Schipper) de inschrijving van de WAJONG op Bijlage II bis rechtmatig heeft geoordeeld. De verschillende bepalingen van artikel 10 bis moeten worden gelezen in het licht van de doelstelling van de zogenaamde non-contributieven verordening (Verordening 1247/92) als geheel. De verschillende leden van artikel 10 bis moeten derhalve in hun ondering verband worden geïnterpreteerd. De doelstelling van deze verordening is dat de betrokkene voor de toekenning van een dergelijke prestatie steeds bij zijn woonland moet aankloppen. Met die doel-stelling is dan moeilijk verenigbaar dat hem risicoselectiebepalingen, zoals de eis dat hij bij het bereiken van de zeventienjarige leeftijd in Nederland woonachtig is, zouden kunnen worden tegengeworpen. Immers artikel 10, bis, lid 1 van de Verordening staat er aan in de weg dat hij tegenover een andere lidstaat aanspraak zou kunnen maken op een vergelijkbare non-contributieve uitkering en dit zou er dan toe leiden dat hij tussen wal en schip valt. Het niet gelijkstellen van het wonen in Duitsland met het wonen in Nederland zou dan op gespannen voet komen te staan met het in artikel 39, lid 1 EG gegarandeerde vrij verkeer van werknemers dan wel met het in artikel 18, lid 1 EG neergelegde vrije reis- en verblijfsrecht van de Unieburger.
Ad 4: Het antwoord luidt bevestigend.
Ad 5: Gelet op het antwoord op de derde vraag zou aan toepassing van artikel 10 bis, lid 4 niet behoeven te worden toegekomen. Wel zien wij deze bepaling als nogmaals een uitdrukking van het beginsel dat de doelstelling van de Verordening 1247/92 is dat een betrokkene voor de toekenning van een non-contributieve uitkering steeds bij het woonland moet zijn. Met deze doelstelling van de Verordening 1247/92 is, zoals wij hierboven sub 3 reeds opmerkten, niet verenigbaar dat risicoselectiebepalingen, zoals die van de WAJONG, aan de betrokkene zouden kunnen worden tegenge-worpen. In zoverre kan worden gesteld dat artikel 10 bis, lid 4 een extra ondersteuning biedt voor het door ons op uw derde vraag gegeven antwoord.”
De Raad overweegt het volgende.
Allereerst stelt de Raad vast dat het Uwv in de hiervoor gedeeltelijk weergegeven brief van 7 juli 2006 heeft aangegeven dat de aanvraag van appellant van januari 2000 ten onrechte niet mede is aangemerkt als een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong. Gelet op het feit dat ten tijde van de aanvraag van appellant voor jonggehan-dicapten een nieuw wettelijk regime gold ingevolge de Wajong, is ook de Raad van oordeel dat de aanvraag van appellant in ieder geval mede als een aanvraag om uitkering krachtens de Wajong aangemerkt had moeten worden. Dit betekent dat het bestreden besluit een inadequate reactie is op de aanvraag van appellant, zodat dit besluit en de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is gehandhaafd, reeds op deze grond niet in stand kunnen blijven.
Voorts stelt de Raad vast dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu het Uwv niet heeft onderzocht of en vanaf welk tijdstip appellant onder de personele werkingssfeer van EG-Verordening 1408/71 viel en of appellant aan toepassing van die Verordening aanspraken op een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering kon ontlenen. In dit verband merkt de Raad nog op dat hij het oordeel van het Uwv, zoals vermeld in de brief van 7 juli 2006 en inhoudende dat appellant in ieder geval vanaf 1 mei 1999 in zijn hoedanigheid als student onder voornoemde Verordening viel, onderschrijft. Verder heeft het Uwv terecht aangegeven dat nader onderzocht dient te worden of appellant mogelijk reeds eerder in zijn hoedanigheid van gezinslid van een migrerend werknemer onder de personele werkingssfeer van de Verordening viel.
De Raad kan zich voorts verenigen met hetgeen het Uwv heeft geantwoord op de vragen van de Raad met betrekking tot de betekenis van artikel 10bis, tweede en vierde lid, van Verordening 1408/71 voor de toepassing van artikel 5, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wajong.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven en dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene. Daarbij tekent de Raad nog aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de aanvraag van appellant van januari 2000 aangemerkt moet worden als een verzoek om terug te komen van het besluit van 27 maart 1984. Ten tijde van de aanvraag van appellant in januari 2000 gold immers voor jonggehandicapten een nieuw wettelijk regime, ingevolge de Wajong, zodat de aanvraag in ieder geval mede aan de hand van dat regime beoordeeld had moeten worden en in zoverre geen sprake kan zijn van een herhaalde aanvraag. Voorts was in januari 2000 zonder meer sprake van een geheel gewijzigde feitelijke situatie, nu appellant ten tijde van de aanvraag al geruime tijd in Nederland woonde, hetgeen in de visie van het Uwv in 1984 nog niet het geval was. Dit betekent dat de aanvraag, mede gelet op het beleid van het Uwv bij de toepassing van artikel 21, vierde lid, van de AAW, volledig beoordeeld moest worden - zoals het Uwv overigens ook heeft gedaan - op grond van deze nieuwe feiten.
De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken. Dit bedrag dient aan de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien ten behoeve van appellant in eerste aanleg een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van € 114,23 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
MH