
Jurisprudentie
AZ1062
Datum uitspraak2006-09-14
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/39424
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-11-01
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/39424
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afgifte inlegblad en sticker Verblijfsaantekening algemeen.
Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een ‘W-document’ of een ‘W2-document’ dat geldt als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker zich ter verkrijging van een identiteitsdocument dient te wenden tot de Slowaakse autoriteiten. Uit de verklaring van de Slowaakse autoriteiten van 13 juni 2006 blijkt immers dat de Slowaakse autoriteiten de Slowaakse nationaliteit van verzoeker bevestigen. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoeker voorts heeft verzocht om een document waaruit zijn verblijfsrechtelijke positie blijkt. Omdat verzoeker in afwachting is van een besluit tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier en daarom op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000 rechtmatig verblijf in Nederland heeft, komt verzoeker op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, VV 2000 in aanmerking voor een ‘sticker Verblijfsaantekening Algemeen’. De voorzieningenrechter kan niet het standpunt van verweerder volgen dat verzoeker eerst in het bezit dient te zijn van een (Slowaaks) paspoort, waarin de sticker wordt geplaatst. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, VV 2000 wordt de sticker weliswaar geplaatst in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, maar indien de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, wordt op grond van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder b, VV 2000 en artikel 4.29, derde lid, onder d, Vb 2000 de sticker geplaatst op een afzonderlijk inlegblad. De omstandigheid dat verzoeker wel een document voor grensoverschrijding kan aanvragen is in dit verband op grond van genoemde bepalingen niet van betekenis.
Uitspraak
RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 06 / 39424
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 september 2006
in de zaak van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1955, van Slowaakse nationaliteit,
verzoeker,
gemachtigde: mr. A. Khan, advocaat te Hoofddorp,
tegen:
de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
verweerder,
gemachtigde: mr. A.L. de Mik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te
’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Verzoeker heeft op 19 juli 2006 verweerder verzocht tot afgifte van een document waarmee hij zijn identiteit en verblijfsstatus kan aantonen. Verzoeker heeft op 15 augustus 2006 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op dat verzoek.
1.2 Verzoeker heeft op 15 augustus 2006 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder op te dragen op korte termijn op zijn aanvraag tot het verlenen van een W2-document te beslissen en te bepalen dat hij in het bezit wordt gesteld van een W2-document dan wel enig ander document waarmee hij zich kan legitimeren en zijn verblijfsstatus kan aantonen, totdat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
1.3 Verweerder heeft bij brief van 21 augustus 2006 gereageerd op het verzoek van 19 juli 2006.
1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 7 september 2006. Verzoeker is vertegenwoordigd door drs. J.E. Groenenberg, juridisch medewerker van het kantoor van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt voor de toepassing van Afdeling 2 van Hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 (‘Rechtsmiddelen regulier’) met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.
2.2 De afgifte van een identiteits- of verblijfsdocument, of de (fictieve) weigering daarvan, is een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die met een besluit wordt gelijkgesteld.
2.3 Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.4 Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Verzoeker heeft op grond van die procedure rechtmatig verblijf in Nederland. Hij moet zich kunnen legitimeren als hem om een legitimatiebewijs wordt gevraagd en zijn verblijfsstatus kunnen aantonen. In zijn bezwaarschrift heeft verzoeker zich voorts op het standpunt gesteld dat hij in aanmerking komt voor afgifte van een zogenaamd ‘W2-document’.
2.5 Uit het procesdossier blijkt dat verweerder per brief van 21 augustus 2006 heeft gereageerd op het verzoek. Verweerder heeft aangegeven dat verzoeker, om aan de legitimatieplicht te kunnen voldoen, wordt geacht zich te wenden tot de Slowaakse autoriteiten voor het verkrijgen van een paspoort en/of een identiteitsdocument. Uit de verklaring van het Regiokantoor van de Slowaakse Republiek in Bratislava van 13 juni 2006 is gebleken dat verzoeker onderdaan is van de Slowaakse Republiek. Voor onderdanen van een land van de Europese Unie geldt dat deze ook middels een identiteitsdocument kunnen voldoen aan de identificatieplicht. Ter zitting heeft verweerder zich voorts op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een ‘W2-document’, omdat die slechts wordt afgegeven aan asielzoekers en een aantal andere bijzondere categorieën vreemdelingen waartoe verzoeker niet behoort.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
2.6 Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
2.7 Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, Awb kan het bezwaar- of beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.
2.8 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder met de brief van 21 augustus 2006 een met een besluit gelijk gestelde handeling heeft verricht in reactie op het verzoek van 19 juli 2006. Verweerder heeft geweigerd het gevraagde document af te geven. Daarmee is verweerder niet langer in gebreke tijdig een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, Awb. Verweerder zal daarom naar voorlopig oordeel het bezwaar, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk moeten verklaren.
2.9 Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar geheel tegemoet komt. Nu verweerder heeft geweigerd het gevraagde document af te geven, wordt het bezwaar van verzoeker geacht mede te zijn gericht tegen de brief van verweerder van 21 augustus 2006.
2.10 Op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a, Voorschrift Vreemdelingen (VV) wordt een zogenaamd ‘W-document’ afgegeven aan vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit of rechterlijke beslissing omtrent een verblijfsvergunning asiel. Daarnaast wordt op grond van artikel 3.5, aanhef en onder a, VV een ‘W2-document’ afgegeven indien tegen de uitzetting van de vreemdeling (medische) beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw en de vreemdeling niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding. Beide situaties zijn niet op verzoeker van toepassing. Verzoeker is immers in afwachting van een besluit omtrent een verblijfsvergunning regulier.
2.11 Verweerder heeft daarom naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een ‘W-document’ of een ‘W2-document’ dat op grond van artikel 50, eerste lid, Vw en artikel 4.21, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) geldt als document ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling. Verweerder heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker ter verkrijging van een identiteitsdocument zich dient te wenden tot de Slowaakse autoriteiten. Uit de verklaring van de Slowaakse autoriteiten van 13 juni 2006 dat zich in het procesdossier bevindt, blijkt immers dat de Slowaakse autoriteiten de Slowaakse nationaliteit van verzoeker bevestigen. De vooralsnog enkele ontkenning van verzoeker dat hij de Slowaakse nationaliteit bezit, kan daaraan niet afdoen.
2.12 De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoeker voorts heeft verzocht om een document waaruit zijn verblijfsrechtelijke positie blijkt. Omdat verzoeker in afwachting is van een besluit tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier en daarom op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw rechtmatig verblijf in Nederland heeft, komt verzoeker op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, VV in aanmerking voor een ‘sticker Verblijfsaantekening Algemeen’. De voorzieningenrechter kan naar voorlopig oordeel niet het standpunt van verweerder ter zitting volgen dat verzoeker eerst in het bezit dient te zijn van een (Slowaaks) paspoort, waarin de sticker wordt geplaatst. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, VV wordt de sticker weliswaar geplaatst in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, maar indien de vreemdeling, zoals verzoeker, geen geldig document voor grensoverschrijding heeft, wordt op grond van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder b, VV en artikel 4.29, derde lid, onder d, Vb de sticker geplaatst op een afzonderlijk inlegblad. De omstandigheid dat verzoeker wel een document voor grensoverschrijding kan aanvragen, is in dit verband op grond van genoemde bepalingen niet van betekenis.
2.13 Verweerder zal daarom naar voorlopig oordeel het bezwaar, voor zover gericht tegen de weigering een document af te geven waaruit de verblijfsstatus van verzoeker blijkt, gegrond moeten verklaren en verzoeker in het bezit moeten stellen van een inlegblad als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder b, VV, voorzien van een ‘sticker Verblijfsaantekening Algemeen’ als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, VV. De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige voorziening treffen.
2.14 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, Awb en artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).
2.15 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb zal de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aanwijzen als rechtspersoon die het betaalde griffierecht moet vergoeden.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
3.1 draagt verweerder op verzoeker in het bezit te stellen van een inlegblad als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder b, VV, voorzien van een ‘sticker Verblijfsaantekening Algemeen’ als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, VV, tot vier weken nadat verweerder op het bezwaarschrift heeft beslist en voor zover het rechtmatig verblijf van verzoeker op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw voortduurt;
3.2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan verzoeker te voldoen;
3.3 draagt de Staat der Nederlanden op het betaalde griffierecht ad € 141,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. van der Lelie, voorzieningenrechter, en op 14 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit, griffier.
afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.