
Jurisprudentie
AZ1049
Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers725226
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers725226
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton
Indicatie
In deze procedure speelt de vraag of een ouder gehouden is om de ouderbijdrage aan een school te voldoen, nu de ouder de schriftelijke overeenkomst van de onderwijsinstelling niet heeft ondertekend.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
sector kanton
VONNIS
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
DE VERENIGING DE VAN OLDENBARNEVELTSCHOOL VOOR NEUTRAAL BIJZONDER ONDERWIJS,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres bij exploot van dagvaarding van 17 mei 2006,
gemachtigde: R.L.J. van Es,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
in persoon.
Het verloop van de procedure
Eiseres heeft -zakelijk weergegeven- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiseres te betalen € 1.022,36 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.
Gedaagde heeft van antwoord geconcludeerd.
Eiseres heeft van repliek geconcludeerd.
Gedaagde heeft van dupliek geconcludeerd.
De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.
De stellingen van partijen
1. Aan de eis is -zakelijk weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd:
- Gedaagde heeft het minderjarige kind Esther, geboren 12 december 1988 in augustus 1993 aangemeld bij de onderwijsinstelling van eiseres voor het volgen van een primaire opleiding.
- Nadat het minderjarige kind tot deze opleiding toegelaten was, is gedaagde met eiseres mondeling overeengekomen een jaarlijkse ouderbijdrage te betalen waarmee eiseres extra activiteiten en zaken vallend buiten het reguliere onderwijs kon bekostigen. Aan deze activiteiten heeft het minderjarige kind van gedaagde ook deelgenomen.
- Over de jaren 1993/1994, 1997/1998 heeft gedaagde de verschuldigde ouderbijdrage voldaan. Gedaagde is nog verschuldigd de ouderbijdragen over de schooljaren 1998/1999, 1999/2000 en 2000/2001, in totaal een bedrag van € 612,60. Eiseres heeft van dit bedrag in der minne, ondanks aanmaning d.d. 6 juni 2004, geen betaling verkregen. Ook na herhaalde malen in gebreke te zijn gesteld is gedaagde zijn betalingsverplichting niet nagekomen.
- Eiseres heeft vanaf 1998 ouders van nieuw aangemelde kinderen verzocht een door hen opgestelde overeenkomst ouderbijdrage te tekenen. Ook gedaagde is op dit punt benaderd, wat uiteindelijk heeft geresulteerd in een gesprek tussen dhr. Veenman, directeur, en gedaagde. Gedaagde heeft in dit gesprek aangegeven dat hij de overeenkomst uit principiële overwegingen niet wenste te ondertekenen, maar dat hij de jaarlijkse ouderbijdrage wel zou betalen. Van enige bezwaren tegen het betalen van de ouderbijdrage op basis van twijfels over het gevoerde financiële beleid heeft hij niets laten merken.
- Op basis van de toezegging van gedaagde heeft eiseres ervan afgezien om de dochter van gedaagde uit te sluiten van de diensten en activiteiten. De dochter van gedaagde heeft derhalve van diverse diensten gebruik gemaakt en aan diverse activiteiten deelgenomen welke zijn bekostigd met de ouderbijdrage. Zo heeft zij bijvoorbeeld gedurende langere periode wekelijks remedial teaching gekregen.
- Eiseres is van mening dat, ondanks dat er door gedaagde geen overeenkomst is getekend, zij wel degelijk gronden heeft om betaling van de ouderbijdrage te vorderen. Gedaagde heeft eiseres met haar betalingstoezegging misleid en zijn dochter in ruime mate profijt laten hebben van diensten en activiteiten die mogelijk waren door bijdragen van de overige ouders.
- Daarnaast maakt eiseres aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 178,50.
- De rente beloopt tot heden € 231,26.
2. Gedaagde heeft tegen de eis -zakelijk weergegeven en voorzover thans van belang- het volgende aangevoerd:
- Per 1 augustus 1998 heeft gedaagde besloten de vrijwillige ouderbijdrage niet meer te voldoen. Dit hield verband met vraagtekens die gedaagde had en nog steeds heeft met het financiële beleid van voornoemde onderwijsinstelling.
- De regels met betrekking tot de vrijwillige ouderbijdrage in het primair onderwijs zijn vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs. Met ingang van 1 augustus 1998 kan het bevoegd gezag alleen een vrijwillige ouderbijdrage heffen op basis van een schriftelijke overeenkomst met de ouders. Gedaagde heeft geweigerd deze overeenkomst te tekenen. Eiseres erkent dit ook. Nu gedaagde nooit een overeenkomst met eiseres heeft gesloten is hij ook niet betalingsplichtig.
- Ook in het persoonlijk gesprek met dhr. Veenman heeft gedaagde deze weigering herhaald.
- Gedaagde erkent dat hij niet heeft gereageerd op de aanmaning van eiseres omdat gedaagde van mening is dat door het niet tekenen van de overeenkomst en de bevestiging hiervan in voornoemd persoonlijk gesprek, eiseres reeds voldoende geïnformeerd was.
- De wet stelt duidelijk dat betalingsverplichting pas na ondertekening van de overeenkomst bestaat. Gedaagde is ervan uit gegaan dat het niet tekenen van de overeenkomst automatisch leidt tot vervallen van de betalingsverplichting.
- Voorts heeft gedaagde op eerste aanmaning van gemachtigde van eiseres, telefonisch contact gezocht met de gemachtigde en zijn standpunt toegelicht.
- Een gevolg van het niet betalen van de vrijwillige ouderbijdrage kan zijn dat de school besluit het kind niet te laten meedoen aan de activiteiten waarvoor niet is betaald. Dit is echter ter beoordeling van de school. Eiseres heeft gedaagde echter nooit laten weten dat zijn dochter niet meer mee kon doen aan deze activiteiten. Indien de school namelijk zulks zou besluiten, is zij verplicht het kind een alternatief schoolprogramma aan te bieden, aangezien er natuurlijk geen sprake van kan zijn dat een kind tijdens schooluren aan haar/zijn lot zou worden overgelaten. Gedaagde is niet bekend met het bestaan van zulks een alternatief programma.
De beoordeling van het geschil
Om aanspraak te kunnen maken op schoolbijdragen van ouders dient aan de wettelijke bepalingen van art. 40 van de Wet op het Primair onderwijs te zijn voldaan. In dit artikel is bepaald dat overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage nietig zijn, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat. Strekking van genoemd artikel is dat een overeenkomst waarbij van de ouders verplicht een schoolbijdrage wordt gevraagd, alleen dan rechtsgeldig is wanneer dit uitdrukkelijk door de school en de ouders schriftelijk is overeengekomen. Nu eiseres heeft erkend dat gedaagde geen schriftelijke overeenkomst heeft getekend waarin hij betaling van de ouderlijke bijdrage toezegt kan eiseres geen aanspraak maken op betaling van deze ouderlijke bijdrage. Indien zou komen vast te staan dat gedaagde mondeling heeft toegezegd de ouderlijke bijdrage te betalen zou dit ook niet leiden tot toewijzing van de vordering want deze overeenkomst zou op grond van voornoemd artikel nietig zijn. In geen geval kan eiseres dus nakoming van de overeenkomst vorderen van gedaagde. De vordering van eiseres zal dan ook worden afgewezen.
De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eiseres in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde vastgesteld op nihil;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.