Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1043

Datum uitspraak2006-09-19
Datum gepubliceerd2006-10-27
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 04/1448 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

"Hoofdelijke aansprakelijkheid van een bestuurder-BV voor de premie die is verschuldigd door een v.o.f.; geen disculpatiemogelijkheid; verhouding tussen de artikelen 16 c en 16d van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen."


Uitspraak

Rechtbank Amsterdam Sector Bestuursrecht Algemeen enkelvoudige kamer UITSPRAAK in het geding met registratienummer AWB 04/1448 CSV tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, vertegenwoordigd door mr. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te Leidschendam, en: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder. 1. PROCESVERLOOP De rechtbank heeft op 5 april 2004 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 23 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit). Het onderzoek is gesloten ter zitting van 24 augustus 2006. 2. OVERWEGINGEN Bij besluit van 20 november 2003 heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van € 236.209,21 aan openstaande premies ingevolge de Ziektewet, Werkloosheidswet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet (hierna: de werknemersverzekeringen), die verschuldigd zijn door de vennootschap onder [naam v.o.f.] (hierna: de vof) over de jaren 2002 en 2003. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser van 20 februari 1997 tot en met 4 november 2003 bestuurder is geweest van [naam BV] en dat [naam BV] van 1 januari 1997 tot en met 4 november 2003 bestuurder is geweest van de vof. Dit betekent volgens verweerder dat eiser op grond van artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 16c, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de vof over de jaren 2002 en 2003 verschuldigde premies in het kader van de werknemersverzekeringen. Dat er geen sprake is geweest van aan eiser te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur doet hieraan volgens verweerder niet af, aangezien artikel 16c van de CSV geen disculpatiemogelijkheid kent. Verweerder is van mening dat artikel 16d van de CSV niet van toepassing is, aangezien de vof de primair premieplichtige is en zij geen rechtspersoonlijkheid bezit. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de vordering ten onrechte op artikel 16c van de CSV heeft gebaseerd. Eiser stelt dat de vof geen lichaam is en geen bestuurders heeft en dat de voor de premiebetaling aansprakelijke vennoten van de vof in dit geval rechtspersoonlijkheid bezittende besloten vennootschappen zijn. Nu deze besloten vennootschappen op de voet van het bepaalde in artikel 16d, tweede lid, van de CSV tijdig aan verweerder mededeling hebben gedaan van hun betalingsonmacht en er geen sprake is geweest van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, is eiser van mening dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de vof verschuldigde premies. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de vordering te hoog is en de nota’s onvoldoende inzichtelijk zijn. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 3b van de CSV wordt in deze wet onder lichaam verstaan: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens. Ingevolge artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder c, van de CSV is hoofdelijk aansprakelijk voor de premie en voorschotpremie, verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid of door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat niet volledig rechtsbevoegd is: ieder van de bestuurders. Ingevolge artikel 16c, tweede lid, van de CSV wordt indien een bestuurder van een lichaam zelf een lichaam is, onder bestuurder mede verstaan ieder van de bestuurders van het laatst bedoelde lichaam. Ingevolge artikel 16c, derde lid, van de CSV is degene die op grond van het eerste lid, onderdeel a, aansprakelijk is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de premie of de voorschotpremie niet is betaald. Tussen partijen is niet in geschil dat de vof over de jaren 2002 en 2003 (tot en met 4 november 2003) premie ingevolge de werknemersverzekeringen verschuldigd is, dat [naam BV] in het betreffende tijdvak één van de vennoten van de vof is geweest en dat eiser in deze periode bestuurder en enig aandeelhouder van [naam BV] is geweest. Uitgaande van deze gegevens is de rechtbank van oordeel dat eiser op grond van artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 16c, tweede lid, van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de vof verschuldigde (voorschot)premie over de van belang zijnde periode. [naam BV] dient immers te worden aangemerkt als bestuurder als bedoeld in artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder c, van de CSV, terwijl de vof ingevolge artikel 3b van de CSV een lichaam in de zin van die wet is. Ten aanzien van eisers stelling dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door de vof verschuldigde premies aangezien er geen sprake is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, overweegt de rechtbank dat in artikel 16c van de CSV geen disculpatiemogelijkheid wordt geboden aan degene die aansprakelijk is voor de (voorschot)premie die is verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, zoals in dit geval door de vof. Met een wetswijziging per 1 oktober 2003 is in artikel 16c, derde lid, van de CSV wel een disculpatiemogelijkheid opgenomen voor degene die aansprakelijk is voor de premie op grond van het eerste lid, onder a, van dat artikel. Blijkens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1996/1997, 25 035, nr. 3 blz.26) heeft de wetgever er daarbij echter nadrukkelijk voor gekozen om de disculpatiemogelijkheid te beperken tot de aansprakelijkheid van personen op grond van onderdeel a van het eerste lid van artikel 16c en deze niet uit te breiden tot de personen, genoemd in onderdeel c van dat artikellid. Eisers stelling dat artikel 16d van de CSV en de daarin opgenomen disculpatiemogelijkheid van toepassing is, aangezien de aansprakelijke bestuurder van de vof in dit geval de rechtspersoonlijkheid bezittende en volledig rechtsbevoegde besloten vennootschap [naam BV] is, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Indien het, zoals in dit geval, premie betreft die is verschuldigd door een lichaam zonder rechtspersoonlijkheid, vormt artikel 16c van de CSV de grondslag voor de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder. In artikel 16d van de CSV is blijkens de tekst ervan uitsluitend de aansprakelijkheid geregeld voor de situatie waarin het gaat om premie die is verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is. Er dient, met andere woorden, onderscheid te worden gemaakt tussen de vraag welk lichaam premie verschuldigd is (in dit geval de vof) en de vraag welke personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor deze premie. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 december 2002 (LJN: AF3720) leidt niet tot een ander oordeel. In de eerste plaats stond in die zaak een andere vraag centraal, namelijk of de op grond van artikel 16c hoofdelijk aansprakelijk gestelde bestuurder de grondslag of hoogte van de vordering kan aanvechten. Voorts gaat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om de in artikel 16d van de CSV neergelegde disculpatiemogelijkheid in de wet te lezen voor degene die aansprakelijk wordt gesteld op grond van artikel 16c, eerste lid, onder c, van die wet. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 november 1997 (LJN: ZB7350). Bovendien zou daarmee worden ingegaan tegen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, die – zoals hierboven reeds uiteen is gezet – er bij de wetswijziging van 10 oktober 2003 voor heeft gekozen om de disculpatiemogelijkheid niet uit te breiden tot de personen die aansprakelijk zijn op grond van artikel 16c, eerste lid, aanhef en onder c, van de CSV. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eiser geen gelegenheid heeft om aannemelijk te maken dat er geen sprake is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat verweerder eiser terecht en op goede gronden hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de door de vof verschuldigde (voorschot)premie over de jaren 2002 en 2003. Het bestreden besluit kan in zoverre in rechte stand houden. De rechtbank is evenwel met eiser van oordeel dat op grond van de gedingstukken en hetgeen in het verweerschrift is opgemerkt, niet inzichtelijk is hoe de vordering van € 236.209,21 is samengesteld en niet kan worden vastgesteld of de hoogte van de vordering juist is. Het bestreden besluit ontbeert in zoverre een voldoende motivering. De stelling van eiser dat de vordering te hoog is kan niet slagen, nu eiser deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaarschrift. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft gemaakt. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het indienen van een beroepschrift in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1). Voorts dient verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. 3. BESLISSING De rechtbank, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,- (zegge: driehonderd tweeëntwintig euro), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser; - bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het griffierecht ten bedrage van € 37,- (zegge: zevenendertig euro) aan eiser vergoedt. Deze uitspraak is gedaan op 19 september 2006 door mr. G.M. Beunk, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. De Vries, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Afschrift verzonden op: Doc: B