Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1038

Datum uitspraak2006-09-15
Datum gepubliceerd2006-11-02
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/03502
Statusgepubliceerd


Indicatie

BV’s van belanghebbende hebben ontvangen kortingen niet in de boeken verantwoord; uitdeling van winst. Niet als geldlening of als in rekening-courant te verantwoorden privé-opnamen aan te merken; evenmin als directeursbeloning. Aanzienlijke bedragen niet in aangifte opgenomen, dus niet de vereiste aangifte. Omkering bewijslast en redelijke schatting inspecteur. Onjuistheid van de aanslagen niet aangetoond. Uitdelingen beperken tot 65% van de kortingen i.v.m. heffing van vennootschapsbelasting is niet juist. Onjuiste toepassing van de 68%-regeling van de vermogensbelasting.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Eerste Meervoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur. 1. Loop van het geding 1.1 Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 9 september 2003, ingediend door mr. A (B & A, Belastingadviseurs en Advocaten te Z) als zijn gemachtigde en aangevuld bij brief van 22 december 2003. Het beroep is gericht tegen de 26 augustus 2003 gedagtekende uitspraken van de inspecteur betreffende de navolgende aan belanghebbende opgelegde aanslagen: - de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994, gedagtekend 17 december 1999, vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 376.004; - de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995, gedagtekend 29 december 2000, vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 97.518; - de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, gedagtekend 9 augustus 2000, vastgesteld naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.690; - de navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996, gedagtekend 30 december 2000, vastgesteld naar een vermogen van ƒ 593.000; - de aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998, gedagtekend 18 augustus 1999, vastgesteld naar een vermogen van ƒ 4.792.174. Alle vermelde aanslagen zijn opgelegd zonder verhoging of boete. In het beroepschrift is vermeld dat het tevens is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift inzake de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1997, doch uit bladzijde 2 van de aanvulling van het beroep van 22 december 2003, het daarin opgenomen petitum en de verdere inhoud ervan, en uit het opschrift van de pleitnota van belanghebbendes gemachtigde leidt het Hof af dat dit beroep moet worden geacht te zijn ingetrokken. 1.2. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen bij de bestreden uitspraken gehandhaafd, met uitzondering van de aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998. 1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur en tot vernietiging van de aanslagen waartegen bezwaar, subsidiair en meer subsidiair tot vermindering van de aanslagen, berekend in overeenstemming met het gestelde in beroep. 1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraken. 1.5. Ter zitting van 7 december 2004 zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, alsmede mr. C namens de inspecteur. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een kopie aan deze uitspraak is gehecht. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap X Beheer BV (hierna: de BV), welke BV alle aandelen bezit in D Apotheek BV, E Apotheek BV en F Apotheek BV (hierna: de apotheekvennootschappen) en daarmee onder andere gedurende de jaren 1994 tot en met 1998 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormde. De apotheekvennootschappen exploiteren elk een apotheek. 2.2 Naar aanleiding van een landelijk brancheonderzoek zijn door de belastingdienst bij de medicijnengroothandels G BV en H BV boekenonderzoeken ingesteld. Volgens de definitieve rapportage daarvan zouden in de jaren 1994 tot en met 1998 bonussen of kortingen (hierna wordt alleen gesproken over kortingen) zijn verstrekt wegens leveranties van medicijnen aan de apotheekvennootschappen welke niet waren verantwoord in de administratie van deze vennootschappen. Het betrof kortingen van de leverancier G BV te Q die in 1994, 1996, 1997 en 1998 waren uitbetaald aan de tussenpersoon J te R. Voorts zouden in 1994 en in 1995 kortingen aan de apotheekvennootschappen zijn verstrekt door de leverancier H BV te S die waren uitbetaald aan de tussenpersoon K SARL te a-land, dan wel K BV te T, dan wel de directeur–grootaandeelhouder van deze vennootschappen L (hierna gezamenlijk aan te duiden als K). De kortingen zouden door respectievelijk J en K rechtstreeks aan belanghebbende zelf zijn uitbetaald. Behalve deze kortingen die niet in de administratie van de apotheekvennootschappen werden verantwoord ontvingen de apotheekvennootschappen ook kortingen die wel in de administratie werden verantwoord en waarover tussen partijen geen geschil bestaat. 2.3 Op 28 juni 2000 heeft de belastingdienst aan belanghebbende en de BV bericht dat op grond van het gepleegde boekenonderzoek en een door de FIOD ingesteld strafrechtelijk onderzoek, waarvan op 4 september 2000 proces-verbaal is opgemaakt en dat is opgenomen bij de stukken, is vastgesteld dat de volgende kortingen zijn betaald aan belanghebbende: door H BV: door G BV: 1994 ƒ 255.247 ƒ 101.200 1995 ƒ 139.722 1996 ƒ 59.800 1997 ƒ 156.400 1998 ƒ 177.560 Ten aanzien van de kortingen van H BV is daarbij rekening gehouden met een commissie voor K van ƒ 12.000 (1994) en ƒ 6.000 (1995) en ten aanzien van de kortingen van G BV is rekening gehouden met een commissie van 8% van het aan belanghebbende toekomende bedrag. Belanghebbende heeft erkend dat hij de genoemde kortingen van G BV betreffende de jaren 1996, 1997 en 1998 heeft ontvangen. 2.4 Voor het jaar 1994 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 159.039. De aanslag werd overeenkomstig deze aangifte opgelegd met dagtekening 29 juni 1996. Na verrekening van het verlies uit 1996 (ƒ 40.110) en van (een deel van) het verlies uit 1997 (ƒ 118.929) bedroeg het belastbare inkomen over het jaar 1994 uiteindelijk nihil. De in geding zijnde navorderingsaanslag werd met dagtekening 17 december 1999 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 376.004, welk inkomen als volgt is berekend: ten onrechte verrekend verlies 1997 ƒ 118.929 uitdeling ter zake van kortingen ƒ 267.427 ƒ 386.356 onverrekend restant verlies 1997 ƒ 10.352 belastbaar inkomen ƒ 376.004. Met dagtekening 25 augustus 2000 heeft de inspecteur voor het jaar 1994 aan belanghebbende een tweede navorderingsaanslag opgelegd, waarin een uitdeling ter zake van de korting van G BV werd begrepen en waarin alsnog rekening werd gehouden met de commissie voor K ad ƒ 12.000. Voorts werd het ten onrechte in de eerste navorderingsaanslag verdisconteerde verlies over 1996 ad ƒ 40.110 bijgeteld. Deze tweede navorderingsaanslag is in het onderhavige geding niet aan de orde. 2.5 Voor het jaar 1995 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van negatief ƒ 42.204. De nihilaanslag werd vastgesteld met dagtekening 29 april 1998. De in geding zijnde navorderingsaanslag werd met dagtekening 29 december 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 97.518, welk inkomen als volgt is berekend: oorspronkelijk vastgesteld inkomen ƒ 42.202 -/- uitdeling ter zake van kortingen ƒ 139.720 belastbaar inkomen ƒ 97.518. 2.6 Voor het jaar 1996 heeft belanghebbende aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van negatief ƒ 40.110. De in geding zijnde navorderingsaanslag werd met dagtekening 9 augustus 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 19.690, welk inkomen als volgt is berekend: oorspronkelijk vastgesteld inkomen ƒ 40.110 -/- uitdeling ter zake van kortingen ƒ 59.800 belastbaar inkomen ƒ 19.690. 2.7 Voorts heeft de inspecteur een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996 opgelegd (dagtekening 30 december 2000) naar een vermogen van ƒ 539.000, omdat de teruggaaf van vermogensbelasting op grond van artikel 14, lid 5, van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: Wet VB), zijns inziens ten onrechte was verleend. 2.8 Voor het jaar 1997 heeft de inspecteur met dagtekening 7 november 2000 aan belanghebbende een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd waarbij het belastbare inkomen voor dat jaar is vastgesteld op ƒ 27.119 (oorspronkelijk vastgesteld inkomen ad negatief ƒ 129.281, vermeerderd met een uitdeling ter zake van de kortingen ad ƒ 156.400). De verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedroeg ƒ 7.465. De door belanghebbende verschuldigde vermogensbelasting voor het jaar bedroeg ƒ 32.193. Bij zijn uitspraak op het bezwaar tegen de opgelegde aanslag in de vermogensbelasting 1998 heeft de inspecteur uit hoofde van het bepaalde in artikel 14, lid 5, van de Wet VB belanghebbende een teruggaaf verleend van (ƒ 32.193 + ƒ 7.465) – (68% van ƒ 27.119) = ƒ 21.218. 2.6 Voor van het (feitelijk leiding geven aan het) opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, 1995, 1996, 1997, de vermogensbelasting 1997 en 1998, alsmede de vennootschapsbelasting van de BV 1994, 1995, 1996 en 1997, is belanghebbende bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 25 september 2003 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, een geldboete van ƒ 75.000 en een taakstraf van 240 uur. Daarbij heeft slechts het nadeel voor de vennootschapsbelasting gegolden als uitgangspunt voor de opgelegde straffen. Belanghebbende heeft tegen het vonnis geen hoger beroep ingesteld. Door de BV is met de officier van justitie ter voorkoming van strafvervolging een transactie ten bedrage van ƒ 200.000 getroffen. 3. Geschil In geschil is of belanghebbende de met de door de groothandels aan de apotheekvennootschappen verleende kortingen gemoeide bedragen ontvangen heeft als vermomd dividend van de BV (standpunt inspecteur), of als lening dan wel als salaris (standpunt belanghebbende), terwijl voorts nog in geschil is de omvang van de van K ontvangen bedragen ter zake van kortingen en de ontvangst van enig bedrag ter zake van korting van G BV in 1994. Daarnaast is belanghebbende van mening dat ingeval sprake is van dividend, de kortingen slechts voor 65% tot zijn inkomen moeten worden gerekend. Voorts is in geschil of de inspecteur zich terecht beroept op toepassing van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ten slotte is in geschil of tot de juiste bedragen vermogensbelasting is geheven van belanghebbende over de jaren 1996 en 1998. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken en het aangehechte proces-verbaal van de zitting van 7 december 2004. 5. Beoordeling van het geschil 5.1 Het Hof stelt voorop dat belanghebbende heeft erkend dat H BV (door tussenkomst van K) in 1994 en 1995 en G BV (door tussenkomst van J) in 1996 tot en met 1998 kortingen hebben verleend op door de apotheekvennootschappen gedane inkopen van medicijnen – deels naast kortingen die reeds in de facturen en de boekhouding waren opgenomen - en dat ter zake daarvan door belanghebbende bedragen in ontvangst zijn genomen. 5.2 Kortingen ter zake van leveranties van medicijnen door H BV en G BV aan de apothekersvennootschappen komen naar hun aard aan die vennootschappen ten goede. In belanghebbendes betoog – belanghebbende stelt in het verweerschrift dat het bedoeling van de apotheekvennootschappen was de kortingen buiten het zicht van de fiscus te houden - ligt besloten dat hij zulks ook erkent. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende zich deze bedragen heeft toegeëigend met de bedoeling deze voor zich te houden. Hij stelt in dat verband dat de bedragen direct aan belanghebbende ter beschikking kwamen en dat de BV noch belanghebbende de intentie hebben gehad de kortingen ooit in de boeken te verwerken. Hij verbindt daaraan de gevolgtrekking dat sprake is van een vermomde uitdeling van winst (door de apothekersvennootschappen door middel) van de BV, daar belanghebbende een en ander in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft laten geschieden. Het Hof volgt de inspecteur in zijn stelling. Daar belanghebbende als directeur en enig aandeelhouder van de BV over de apothekersvennootschappen de volledige zeggenschap bezat, kon hij zelfstandig besluiten de met deze kortingen gemoeide bedragen geheel of gedeeltelijk aan die vennootschappen respectievelijk de BV te onttrekken als toekomend aan hem in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, aangezien hij als zodanig in economische zin rechtstreeks gerechtigde is tot het vermogen van de BV. 5.3 Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur bestreden door aan te voeren dat belanghebbende de bedragen van de kortingen bij wijze van geldlening, door de BV aan hem, heeft ontvangen, meer in het bijzonder dat deze bedragen als (nog te verwerken) opnamen in rekening-courant kunnen worden aangemerkt. Het Hof verwerpt deze stelling van belanghebbende. Indien belanghebbende over de kortingsbedragen is komen te beschikken bij wijze van opnamen in rekening-courant, zoals belanghebbende stelt, pleegt zulks op dat ogenblik of kort daarna administratief te worden vastgelegd, maar wel ten laatste bij het vaststellen van de balans over het desbetreffende boekjaar in welke immers de bezittingen en schulden van de vennootschappen worden getoond. Belanghebbende en de vennootschappen hebben van de door hem opgenomen bedragen echter geen administratie bijgehouden en de daaruit voortvloeiende posten niet in de balans opgenomen. Belanghebbende betoogt in het kader van de vraag naar de omvang van de door de inspecteur gestelde uitdelingen juist dat hij niet bekend is met de omvang van de bedragen die hij op deze wijze in 1994 en 1995 heeft geïncasseerd. Hoe belanghebbende en de BV dan zouden kunnen vaststellen tot welk bedrag belanghebbende een terugbetalingsverplichting heeft c.q tot welk bedrag te zijner tijd (welke tijd dat dan, los van de ontdekking van deze praktijk door de inspecteur, wel zou zijn, is het Hof overigens geheel onduidelijk gebleven) een post in de rekening-courant zou moeten worden geboekt, is volstrekt onduidelijk. De omstandigheid dat belanghebbende althans gedurende een bepaalde periode in de hier in geding zijnde jaren een vordering in rekening-courant op de BV had, zodat ruimte bestond voor dergelijke opnamen, zoals belanghebbende stelt, doet aan het vorenstaande niet af, ook indien wordt uitgegaan van de door belanghebbende gestelde rekening-courantposities in de relevante jaren, zodat het Hof voorbij gaat aan belanghebbendes aanbod (pleitnota, blz. 9) hiervan bewijsstukken te overleggen. Door belanghebbende is ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat op het moment van de opnamen een terugbetalingsverplichting jegens de apotheekvennootschappen en/of de BV is ontstaan. 5.4 Mede op grond van het in 5.2 en 5.3 overwogene is het Hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat zowel belanghebbende als de BV zich er ten volle van bewust waren dat winst buiten de boeken van de BV werd gehouden en dat het daarmee corresponderende bedrag door belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder als voordeel werd getoucheerd, waardoor de BV verarmde ten gunste van haar aandeelhouder. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat hij en/of de BV redelijkerwijs mochten menen dat geen sprake was van een dividenduitkering maar van een (naderhand nog in de boekhouding te verwerken) verrekening in rekening-courant. Gelet op de in 5.3 vermelde omstandigheden konden belanghebbende en de betrokken vennootschappen zulks redelijkerwijs niet van opvatting zijn. 5.5 Vervolgens heeft belanghebbende nog gesteld dat “een alternatief voor een geldlening (…) het aanmerken van de kortingen (als een) beloning voor door belanghebbende verrichte werkzaamheden voor de (apotheek)vennootschap(pen) (is)”. Hij verwijst daarbij naar het feit dat hij in de jaren 1995 en 1996 geen salaris van de BV of de apotheekvennootschappen heeft genoten en dat een salaris van ƒ 450.000 redelijk zou zijn. Niet kan worden ingezien waarom belanghebbende kortingen die hij in 1994 ook al naast zijn salaris ontving, in 1995 in plaats van zijn salaris zou gaan genieten. Het Hof acht het veeleer waarschijnlijk dat belanghebbendes arbeidsbeloning, conform de aangifte, in 1995 en 1996 juist op nihil was gesteld met het oog op de daaraan verbonden gunstige fiscale gevolgen. Het is daarom volstrekt ongeloofwaardig dat belanghebbende en de BV en/of de apotheekvennootschappen, zouden hebben bedoeld dat de door belanghebbende geïncasseerde bedragen aan hem zouden toekomen als beloning voor zijn werkzaamheden als directeur van de genoemde vennootschappen. 5.6 Op grond van een en ander beschouwt het Hof de door belanghebbende opgenomen kortingen als uitdelingen van winst welke belanghebbende zich in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de BV, respectievelijk middellijk aandeelhouder van de apotheekvennootschappen, heeft doen toekomen. Dat de bedragen, zoals belanghebbende in het verweerschrift stelt, tot de bedragen die door de apotheekvennootschappen zijn erkend, alsnog in de rekening-courantverhouding tussen belanghebbende en de apotheekvennootschappen en/of de BV zijn geboekt, doet hieraan niet af omdat het er dan tenminste om gaat of die boeking is geschied uit hoofde van een wettelijke verplichting dan wel ter uitvoering van een reeds voorheen bestaande civielrechtelijke verplichting. Geen van beide acht het Hof, gezien hetgeen belanghebbende hiertoe naar voren heeft gebracht, aannemelijk. Het Hof passeert daarom belanghebbendes aanbod (aanvulling beroep, blz. 9, in verbinding met pleitnota, blz. 7) bewijsstukken te overleggen van zijn stelling dat - nadat de belastingdienst de buiten de boeken gehouden kortingbedragen had ontdekt - in de jaarrekening 1998 alsnog bedragen in rekening-courant zijn geboekt, omdat deze omstandigheid zoals gezegd geen wijziging brengt in ’s Hofs oordeel. 5.7 Zoals hiervóór reeds werd overwogen, heeft belanghebbende met betrekking tot een gedeelte van de kortingen erkend dat hij ter zake daarvan bedragen heeft ontvangen. Deze bedragen heeft hij - zo is zojuist overwogen - als vermomd dividend genoten. In zijn aangiften voor de onderhavige jaren heeft belanghebbende ter zake evenwel niets opgenomen. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in 1994 van H BV een bedrag heeft ontvangen van ƒ 255.427 en van G BV ƒ 101.200. Belanghebbende betwist van G BV in 1994 iets te hebben ontvangen. De korting die door H BV werd uitbetaald is naar zijn zeggen niet 12%, zoals de inspecteur stelt, maar slechts 2 tot 4%. Indien belanghebbende in zijn stellingen wordt gevolgd, houdt dat in dat hij erkent dat hij een bedrag tussen 1/6 en 2/6 van ƒ 255.427 ten onrechte buiten zijn aangifte heeft gehouden, ofwel een bedrag van tussen ƒ 42.572 en ƒ 85.142. Het aangegeven belastbare inkomen bedroeg ƒ 159.039. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende in 1995 van H BV een bedrag heeft ontvangen van ƒ 139.719. De korting die door H BV werd uitbetaald is naar belanghebbendes zeggen niet 12%, zoals de inspecteur stelt, maar slechts 2 tot 4%. Indien belanghebbende in zijn stellingen wordt gevolgd, houdt dat in dat hij erkent dat hij een bedrag tussen 1/6 en 2/6 van ƒ 139.719 ten onrechte buiten zijn aangifte heeft gehouden, ofwel een bedrag van tussen ƒ 23.286 en ƒ 46.573. Het aangegeven belastbare inkomen bedroeg ƒ 42.202 negatief. Belanghebbende heeft erkend dat het in 1996 ging om het door de inspecteur gestelde bedrag van ƒ 59.800. Het aangegeven belastbare inkomen bedroeg ƒ 40.110 negatief. Het vorenstaande houdt in dat belanghebbende, zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot de overige inkomsten van belanghebbende tot een aanzienlijk bedrag inkomsten met opzet niet in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1994 tot en met 1996 heeft opgenomen en bovendien aldus geheel de bron van die inkomsten heeft verzwegen. Dit oordeel impliceert dat belanghebbende in de zin van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waaraan de inspecteur terecht het gevolg heeft verbonden dat de zogenoemde omkering van de bewijslast van vermeld artikel moet worden toegepast. Voor zoveel nodig verwijst het Hof met betrekking tot het jaar 1994 nog naar hetgeen hierna wordt overwogen over de schatting die de inspecteur heeft gemaakt inzake de door belanghebbende genoten kortingsbedragen van H BV. Belanghebbendes stelling dat de omvang van de genoten kortingen, gelet op de omzet van de apotheken en zijn vermogenspositie, wel meevalt, doet – ook indien wordt uitgegaan van de juistheid ervan – niet af aan het hiervoor weergegeven oordeel, omdat het in deze gaat om de verhouding tot de door belanghebbende aangegeven inkomsten in zijn aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen, terwijl de aldus verzwegen bedragen bovendien in absolute zin aanzienlijk zijn. Het Hof gaat daarom voorbij aan het in dit verband door belanghebbende geformuleerde bewijsaanbod om de jaarrekeningen van de betrokken vennootschappen over te leggen (pleitnota, blz. 6). 5.8 De inspecteur is gehouden in een geval als het onderhavige de aanslagen niet naar willekeur vast te stellen; zij moeten berusten op een redelijke schatting van de verzwegen inkomsten. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur in het onderhavige geval zich aan deze regel heeft gehouden. Hij heeft de inkomens van belanghebbende nader vastgesteld met inachtneming van de brutobedragen van de aan de apotheekvennootschappen toegekende kortingen zoals die zijn gebleken na onderzoek bij de desbetreffende groothandels, verminderd met de bedragen die zijn of zouden zijn toegekomen aan de (rechts)personen door wier tussenkomst belanghebbende de bedragen ontving. Voor zover het gaat om de van G BV afkomstige bedragen bestaat er daarbij – afgezien van de door de inspecteur gestelde kortingen in het jaar 1994 – geen meningsverschil tussen partijen. Bij de van H BV afkomstige bedragen heeft de inspecteur de door H BV uitgekeerde brutobedragen – waarvan de omvang als zodanig door belanghebbende niet, althans onvoldoende is bestreden – verminderd met de door hem op grond van in het dossier voorkomende verklaringen aannemelijk geachte “commissie” van K ter grootte van ƒ 1.000 per maand. Door aldus te handelen heeft de inspecteur het bedrag van de in geding zijnde navorderingsaanslagen in redelijkheid vastgesteld. 5.9 Het is derhalve vervolgens aan belanghebbende om aan te tonen dat de omvang van de kortingen, zoals door de inspecteur na aftrek van de commissies vastgesteld, te hoog is en in hoeverre de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen daarom te hoog zijn vastgesteld. In de eerste plaats zij herhaald dat belanghebbende erkent de door de inspecteur met betrekking tot de jaren 1996, 1997 en 1998 gestelde bedragen van G BV te hebben ontvangen. Hetgeen belanghebbende met betrekking tot de van H BV ontvangen bedragen ter bewijslevering heeft aangevoerd berust alleen op een in twijfel trekken, tegenspreken of anders uitleggen van verklaringen die door getuigen tegenover de FIOD zijn afgelegd. Op grond van de gegevens die in het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende door de FIOD zijn verzameld, welke gegevens de inspecteur aan zijn aanslagregeling ten grondslag heeft gelegd en van welke gegevens ook belanghebbende kennis heeft kunnen nemen, is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld zonder dat hij daartegen hoger beroep heeft aangetekend. Het Hof ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de inspecteur aangehaalde verklaringen. De stelling van belanghebbende dat hij van de door H BV verstrekte kortingen van 12% slechts 2 tot 4% ontving en dat de resterende 8 tot 10% bij H BV “bleef hangen”, acht het Hof niet geloofwaardig, nu dat zou betekenen dat van de verleende kortingen 66 2/3% tot 83 1/3% aan de tussenpersoon zou toekomen. Belanghebbende slaagt daarom niet in het noodzakelijke bewijs. De stelling van belanghebbende dat het voor hem feitelijk onmogelijk is het van hem verlangde tegenbewijs te leveren, wordt door het Hof verworpen. Dat belanghebbende er kennelijk voor heeft gekozen vastleggingen van de door hem ontvangen bedragen achterwege te laten, komt voor zijn rekening en risico. Ook belanghebbendes overige stellingen op dit punt falen. 5.10 Met betrekking tot het standpunt van belanghebbende dat de kortingen slechts tot een bedrag van 65% daarvan tot zijn inkomen dienen te worden gerekend indien zij geacht worden door hem als dividend te zijn genoten, overweegt het Hof dat het belanghebbendes standpunt niet deelt. Niet gebleken is dat belanghebbende voor het verschil van 35% ter zake van de door de BV verschuldigde vennootschapsbelasting jegens de BV een terugbetalingsverplichting heeft. Het argument dat aldus een dubbele heffing plaatsvindt over de kortingen acht het Hof het logische gevolg van de omstandigheid dat belanghebbende de kortingen in volle omvang aan de vennootschappen heeft onttrokken. Hetgeen de strafrechter daarover mocht hebben opgemerkt, doet aan de opvatting van het Hof niet af. 5.11 Het vorenoverwogene houdt in dat het belastbare inkomen van belanghebbende voor het jaar 1994 in ieder geval bedroeg ƒ 159.039 (het aangegeven inkomen) vermeerderd met ƒ 255.427 (kortingen H BV) = ƒ 414.466. Van verrekenbare verliezen uit 1996 en 1997 is geen sprake. Nu de navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 376.004 is deze niet te hoog vastgesteld. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende heeft erkend dat G BV ook in 1997 kortingen heeft verleend en dat hij ter zake de door de inspecteur gestelde bedragen heeft ontvangen. Ook voor dit jaar is het Hof van oordeel, op dezelfde gronden als hiervoor weergegeven onder 5.2 tot en met 5.6, dat belanghebbende deze bedragen heeft genoten als vermomd dividend. Gelet op de omvang van het totaalbedrag aan ontvangen kortingen van dat jaar (ƒ 156.400) in verhouding tot het aangegeven belastbare inkomen over 1997 (ƒ 129.281 negatief) is het Hof van oordeel dat belanghebbende, zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot de overige inkomsten van belanghebbende, tot een aanzienlijk bedrag inkomsten met opzet niet in zijn aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1997 heeft opgenomen en bovendien aldus geheel de bron van die inkomsten heeft verzwegen, dat belanghebbende in de zin van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat de inspecteur hieraan terecht het gevolg heeft verbonden dat de zogenoemde omkering van de bewijslast van vermeld artikel moet worden toegepast. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat of in hoeverre de door de inspecteur vastgestelde navorderingsaanslag (berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.119) onjuist is. Ten overvloede overweegt het Hof dat de inspecteur ook ter zake van de hem over het jaar 1994 bij belanghebbende in aanmerking genomen ontvangsten aan korting van G BV (van ƒ 89.200) een redelijke schatting heeft gemaakt. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat of in hoeverre de navorderingsaanslag op dit punt onjuist is. Het Hof verwijst hierbij naar het door de inspecteur overgelegde proces-verbaal van de FIOD, dossiernr. 09.99999.99 (verweerschrift, bijlage 7), met name naar de op bladzijde 11 tot en met 13 daarvan vermelde facturen uit 1994 van J die in de administratie van G BV zijn aangetroffen (aangeduid met de bijlagenrs. 42.1.B, 42.2.B, 42.3.B en 42.4.B.) en de (mede daarover) afgelegde verklaringen van M, N en O. Het Hof heeft geen reden aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Ook met hetgeen belanghebbende voor het overige naar voren heeft gebracht, levert hij niet het van hem verlangde bewijs dat de navorderingsaanslag op dit punt onjuist is. De navorderingsaanslagen voor de jaren 1995 en 1996 zijn vastgesteld op het bedrag van door belanghebbende aangegeven belastbare inkomens, vermeerderd met de vruchteloos bestreden correcties inzake de uitgedeelde kortingen, en zijn dus juist. 5.12 Met betrekking tot de navorderingsaanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1996, die de inspecteur oplegde ter zake van het zijns inziens ten onrechte toegepast zijn van artikel 14, lid 5, van de Wet VB, heeft belanghebbende geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu het Hof ook niet is gebleken van enige onjuistheid faalt ook dit beroep. 5.13 Met betrekking tot de aanslag in de vermogensbelasting voor het jaar 1998 heeft het volgende te gelden. De aanslag is opgelegd met dagtekening 18 augustus 1999 naar een aangegeven en vastgesteld vermogen van ƒ 4.792.174 en bedroeg ƒ 32.193. Tegen deze aanslag is namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend op 24 augustus 1999. Het hield in dat de aanslag diende te worden teruggebracht naar nihil, zulks op grond van de regeling van artikel 14, lid 5, van de Wet VB. Het belastbare inkomen van belanghebbende over het jaar 1997 bedroeg volgens de met dagtekening 18 augustus 1999 vastgestelde nihilaanslag ƒ 129.281 negatief. Bij zijn uitspraak van 26 augustus 2003 heeft de inspecteur, uitgaande van het bij de navorderingsaanslag voor het jaar 1997 vastgestelde belastbare inkomen van ƒ 27.119 een teruggaaf verleend van ƒ 21.218. Een en ander houdt in dat partijen zijn voorbijgegaan aan de procedure die in bedoeld artikel 14 in het zesde lid is voorgeschreven, te weten de indiening van een teruggaafverzoek nadat de desbetreffende aanslagen onherroepelijk zijn komen vast te staan en beslissing op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Wat van een en ander ook zij, de handelwijze van de inspecteur heeft er, nu belanghebbende niet bestrijdt dat het vermogen ƒ 4.792.174 bedroeg en verdere grieven ontbreken, niet toe geleid dat van belanghebbende te veel vermogensbelasting is geheven. Ook dit beroep faalt dus. 5.14 Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende in al zijn onderdelen ongegrond is. 6. Proceskosten Nu het beroep ongegrond is en geen sprake is van bijzondere omstandigheden acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. 7. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is vastgesteld op 15 september 2006 door mr. P.M.F. van Loon, voorzitter, mr. H.E. Kostense en mr. J.H. Hoekstra, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.