
Jurisprudentie
AZ1026
Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/500912-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers15/500912-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
De officier van justitie heeft betoogd dat de pakketten cocaïne, afkomstig uit de rugzak van verdachte, niet als bewijsmiddelen mogen worden gebruikt, nu er in de onderhavige strafzaak sprake is van een ernstig verzuim van vormen dat niet reparabel is.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Het volgende dient te worden vooropgesteld. De binnengekomen informatie, weergegeven in het daarvan op 22 juni 2006 opgemaakte proces-verbaal van het hoofd van de CIE te Schiphol, is door hem als betrouwbaar aangemerkt op grond van de hem bekende achtergrond van de bron bezien in samenhang met de door die bron aangedragen gegevens. Die informatie was daarmee, toen was gebleken dat verdachte met de in de CIE informatie bedoelde vlucht op de luchthaven Schiphol was aangekomen, genoegzaam om tot de aanhouding van hem over te gaan. Terecht heeft de officier van justitie betoogd dat zulks geen aanhouding bij ontdekking op heterdaad kon zijn, nu van een ontdekking op heterdaad van het in de CIE informatie genoemde strafbare feit ten tijde van de aanhouding van verdachte geen sprake was. Op de voet van het bepaalde in artikel 54, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering diende daarom die aanhouding, die wel mogelijk was, nu die CIE informatie ten aanzien van verdachte betrekking had op de verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, plaats te vinden door of op bevel van de officier van justitie, tenzij het optreden van de officier van justitie of van diens hulpofficieren niet kon worden afgewacht. Uit het betoog van de officier van justitie maakt de rechtbank op dat laatst vermelde situatie zich niet voordeed, hoewel dit niet zonder meer geconcludeerd kan worden uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van 22 juni 2006. Bij die stand van zaken volgt de rechtbank de officier van justitie in zijn opvatting dat er bij de aanhouding van verdachte sprake is van een vormverzuim en dat dit verzuim niet meer hersteld kan worden. Uit het onder dossierparagraaf 03 opgenomen proces-verbaal, in samenhang gelezen met de kennisgeving van inbeslagneming, beide opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], maakt de rechtbank op dat de inbeslagneming van de rugzak met daarin de door verdachte ingevoerde cocaïne heeft plaats gevonden in Terminal 2, aankomst E 24 en dat het onderzoek op grond van de Opiumwet, waarbij de pakketten met daarin de cocaïne in de rugzak werden aangetroffen, heeft plaats gevonden na de overbrenging van verdachte naar het cellencomplex te Oude Meer op de luchthaven Schiphol. Mitsdien heeft dat onderzoek pas plaats gevonden na de inbeslagneming van de rugzak met daarin de pakketten met cocaïne. Het betoog van de officier van justitie dat ook op dit punt een niet herstelbare vormfout is gemaakt, mist derhalve feitelijke grondslag. Vervolgens is aan de orde de vraag, welk gevolg aan het door de rechtbank vastgestelde vormverzuim moet worden verbonden. Vooropgesteld zij allereerst dat de door verdachte meegevoerde bagage in het geval er te zijnen aanzien geen informatie bekend was die tot verdenking van de overtreding van artikel 2 A van de Opiumwet zou kunnen leiden, door verbalisant [verbalisant], die bevoegd douaneambtenaar is, had kunnen worden onderzocht op grond van de controlebevoegdheden van de Douanewet zonder dat hem de cautie was gegeven. Voorts zij vooropgesteld dat, indien zich een situatie had voorgedaan, waarin een voorafgaand bevel tot aanhouding van verdachte van de officier van justitie respectievelijk een zijner hulpofficieren niet had kunnen worden afgewacht, verbalisant [verbalisant], die ook buitengewoon opsporingsambtenaar is, zonder een dergelijk bevel tot de aanhouding van verdachte had kunnen overgaan.
Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte die direct na zijn aanhouding en voordat enig onderzoek aan zijn bagage had plaatsgevonden, op zijn zwijgrecht is gewezen, in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Met de enkele constatering dat het hiervoor genoemde vormverzuim heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank daarom volstaan.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
VESTIGING SCHIPHOL
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE STRAFKAMER
Parketnummer: 15/500912-06
Uitspraakdatum: 10 oktober 2006
Tegenspraak
VERKORT STRAFVONNIS (art. 138b Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 september 2006 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende aan het adres [woonplaats],
thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij:
op of omstreeks 22 juni 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.897,90 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1 Bewijsoverweging
De officier van justitie heeft betoogd dat de pakketten cocaïne, afkomstig uit de rugzak van verdachte, niet als bewijsmiddelen mogen worden gebruikt, nu er in de onderhavige strafzaak sprake is van een ernstig verzuim van vormen dat niet reparabel is.
De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat naar aanleiding van de in juni 2006 binnengekomen CIE-informatie, op grond waarvan tot de aanhouding van verdachte is overgegaan en die inhield dat verdachte op 22 juni 2006 met de Martinair vanuit Isla Margarita zou arriveren en vermoedelijk in het bezit zou zijn van een onbekende hoeveelheid verdovende middelen het Openbaar Ministerie ingeschakeld had moeten worden, zodat de officier van justitie bevel had kunnen geven om verdachte op basis van de bekend zijnde gegevens buiten heterdaad aan te houden. Dit is echter niet gebeurd en verdachte is op basis van enkel de CIE-gegevens - naar de rechtbank het betoog van de officier van justitie begrijpt - aangehouden alsof er sprake zou zijn van ontdekking op heterdaad.
Daarbovenop komt nog eens, aldus de officier van justitie, dat de rugzak waarin de pakketten met verdovende middelen zijn aangetroffen niet - voordat deze rugzak aan een onderzoek is onderworpen - in beslag is genomen. Dit had onder deze omstandigheden wel moeten gebeuren.
Deze schending van elementaire vormen acht de officier van justitie dermate ernstig dat de aangetroffen cocaïne uitgesloten dient te worden van het bewijs. Derhalve kan de officier van justitie bij gebreke van voldoende ander bewijs tot geen andere conclusie komen dan dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.
Het volgende dient te worden vooropgesteld.
De binnengekomen informatie, weergegeven in het daarvan op 22 juni 2006 opgemaakte proces-verbaal van het hoofd van de CIE te Schiphol, is door hem als betrouwbaar aangemerkt op grond van de hem bekende achtergrond van de bron bezien in samenhang met de door die bron aangedragen gegevens.
Die informatie was daarmee, toen was gebleken dat verdachte met de in de CIE informatie bedoelde vlucht op de luchthaven Schiphol was aangekomen, genoegzaam om tot de aanhouding van hem over te gaan.
Terecht heeft de officier van justitie betoogd dat zulks geen aanhouding bij ontdekking op heterdaad kon zijn, nu van een ontdekking op heterdaad van het in de CIE informatie genoemde strafbare feit ten tijde van de aanhouding van verdachte geen sprake was.
Op de voet van het bepaalde in artikel 54, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering diende daarom die aanhouding, die wel mogelijk was, nu die CIE informatie ten aanzien van verdachte betrekking had op de verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, plaats te vinden door of op bevel van de officier van justitie, tenzij het optreden van de officier van justitie of van diens hulpofficieren niet kon worden afgewacht.
Uit het betoog van de officier van justitie maakt de rechtbank op dat laatst vermelde situatie zich niet voordeed, hoewel dit niet zonder meer geconcludeerd kan worden uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van 22 juni 2006.
Bij die stand van zaken volgt de rechtbank de officier van justitie in zijn opvatting dat er bij de aanhouding van verdachte sprake is van een vormverzuim en dat dit verzuim niet meer hersteld kan worden.
Uit het onder dossierparagraaf 03 opgenomen proces-verbaal, in samenhang gelezen met de kennisgeving van inbeslagneming, beide opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], maakt de rechtbank op dat de inbeslagneming van de rugzak met daarin de door verdachte ingevoerde cocaïne heeft plaats gevonden in Terminal 2, aankomst E 24 en dat het onderzoek op grond van de Opiumwet, waarbij de pakketten met daarin de cocaïne in de rugzak werden aangetroffen, heeft plaats gevonden na de overbrenging van verdachte naar het cellencomplex te Oude Meer op de luchthaven Schiphol. Mitsdien heeft dat onderzoek pas plaats gevonden na de inbeslagneming van de rugzak met daarin de pakketten met cocaïne.
Het betoog van de officier van justitie dat ook op dit punt een niet herstelbare vormfout is gemaakt, mist derhalve feitelijke grondslag.
Vervolgens is aan de orde de vraag, welk gevolg aan het door de rechtbank vastgestelde vormverzuim moet worden verbonden.
Vooropgesteld zij allereerst dat de door verdachte meegevoerde bagage in het geval er te zijnen aanzien geen informatie bekend was die tot verdenking van de overtreding van artikel 2 A van de Opiumwet zou kunnen leiden, door verbalisant [verbalisant], die bevoegd douaneambtenaar is, had kunnen worden onderzocht op grond van de controlebevoegdheden van de Douanewet zonder dat hem de cautie was gegeven. Voorts zij vooropgesteld dat, indien zich een situatie had voorgedaan, waarin een voorafgaand bevel tot aanhouding van verdachte van de officier van justitie respectievelijk een zijner hulpofficieren niet had kunnen worden afgewacht, verbalisant [verbalisant], die ook buitengewoon opsporingsambtenaar is, zonder een dergelijk bevel tot de aanhouding van verdachte had kunnen overgaan.
Daarom kan niet worden gezegd dat verdachte die direct na zijn aanhouding en voordat enig onderzoek aan zijn bagage had plaatsgevonden, op zijn zwijgrecht is gewezen, in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Met de enkele constatering dat het hiervoor genoemde vormverzuim heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank daarom volstaan.
3.2 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan
in dier voege dat hij:
op 22 juni 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4.897,90 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen
6.1 Hoofdstraf
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van 4.897,90 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte in het verleden meermalen terzake misdrijf met de politie en justitie in aanraking is gekomen, zij het niet voor soortgelijke feiten.
Omtrent het thans door hem begane misdrijf heeft verdachte opening van zaken gegeven. Daarnaast is gebleken dat verdachte voor de problemen die tot het begaan van het onderhavige feit hebben geleid, hulp heeft gezocht. Om voormelde redenen hoeft - naar het oordeel van de rechtbank - voor herhaling minder te worden gevreesd. Mede daarom kan van de door de rechtbank passend geachte straf een aanzienlijk deel in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. Dat voorwaardelijk deel strekt er voorts toe verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten, waaronder met name ook soortgelijke, te begaan.
6.2 Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een vliegticket van Martinair, twee kwitanties, een Martinair instapkaart, een visitekaart en een notitie en memo dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen, is begaan of voorbereid.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 33, 33a, van het Wetboek van Strafrecht,
2, 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVENENTWINTIG (27) MAANDEN.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot negen (9) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, waarbij de rechtbank een proeftijd van twee jaar vaststelt.
Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
- 1.00 STK Vliegticket MARTINAIR
- 2.00 STK Kwitantie
- 1.00 STK Instapkaart MARTINAIR
- 1.00 STK Kaart VISITEKAART
- 1.00 STK Notitie en memo
Gelast de teruggave aan verdachte:
- 1.00 STK Telefoontoestel NOKIA
9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door[voorzitter], voorzitter,
mrs. [rechters], rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. [griffier],
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 oktober 2006.
Mr. [voorzitter] is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.