Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1024

Datum uitspraak2006-08-31
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200600405
Statusgepubliceerd


Indicatie

De man heeft in hoger beroep naar het oordeel van het hof wel voldoende complete en betrouwbare gegevens overgelegd. Voor een deskundigenrapport ziet het hof geen aanleiding, omdat de vrouw zegt het honorarium van een deskundige niet te kunnen voldoen en omdat zij een aanbod om de onderliggende boekhouding te mogen inzien wegens mogelijke kosten heeft afgewezen. De vrouw heeft overigens geen concrete bezwaren tegen de overgelegde stukken ingebracht. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomen uit zijn onderneming meer kan genereren en voorts dat hij niet elders aan de slag kan. Wegens het eerst in hoger beroep completeren van voldoende gegevens en vanwege het feit dat de man de alimentatie heeft doorbetaald (na executiemaatregelen), stelt het hof de datum van nihilstelling van de partneralimentatie vast op 1 juni 2006.


Uitspraak

BSU 31 augustus 2006 Rekestenkamer Rekestnummer R06/00405 GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Beschikking in de zaak in hoger beroep van: [Appellant] wonende te [woonplaats], België, appellant, hierna: de man, procureur mr. F.C.J.J. Jessen, t e g e n [Geintimeerde], wonende te [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de vrouw, procureur mr. J.E. Lenglet. 1. Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 18 januari 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 14 april 2006, heeft de man verzocht de beschikking, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende de beschikking van voormelde rechtbank van 20 december 1999 te wijzigen in die zin, dat de bij die beschikking vastgestelde partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2004 wordt vastgesteld op nihil, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren, met compensatie van de kosten van deze procedure. 2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2006, heeft de vrouw verzocht bij arrest (lees: beschikking), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van de man te verwerpen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en de bestreden beschikking van 18 januari 2006 en de beschikking van 20 december 1999 te bekrachtigen, kosten rechtens. 2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift; - de brief d.d. 26 april 2006 met bijlagen van de procureur van de man; - de brief d.d. 12 juni 2006 met bijlagen van de procureur van de man; - de brief d.d. 13 juni 2006 met bijlagen van de procureur van de vrouw. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van voormelde rechtbank van 20 december 1999 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is - voorzover thans van belang - de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op ƒ 1.550,-- (€ 703,36) per maand. De echtscheidingsbeschikking is op 7 januari 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4.2. Bij op 27 juni 2005 ter griffie van voormelde rechtbank ingekomen verzoekschrift heeft de man verzocht de door hem op grond van voormelde beschikking van 20 december 1999 verschuldigde partneralimentatie, per 1 januari 2005 neerkomende op € 838,73 per maand, met ingang van 1 oktober 2004 nader vast te stellen op nihil. De vrouw heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd, waarna de rechtbank in de bestreden beschikking het verzoek van de man heeft afgewezen. 4.3. De man kan zich met die beschikking niet verenigen en heeft daartegen vier grieven voorgedragen, waarin hij enerzijds zijn draagkracht tot betaling van partneralimentatie en zijn verdiencapaciteit en anderzijds de voortdurende behoefte van de vrouw aan partneralimentatie ter discussie stelt. De behoefte 4.4. De man heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank het inkomen van de vrouw niet juist heeft becijferd, dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de toegenomen verdiencapaciteit van de vrouw en geen acht heeft geslagen op het vroegere inkomen van de vrouw, alsmede dat ook het vermogen van de vrouw in de beoordeling betrokken dient te worden. 4.5. Het hof overweegt als volgt. Onbetwist is dat de vrouw ten tijde van de echtscheidingsprocedure geen inkomen uit arbeid genoot en dat zij van 12 juli 2004 tot en met 31 maart 2006 als medewerker huishouding in dienst van de Stichting Groenhuysen werkzaam is geweest. Op laatstgenoemde datum eindigde haar dienstverband van rechtswege. Aan de vrouw is per genoemde datum een werkloosheidsuitkering toegekend. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de huwelijksgerelateerde behoefte vastgesteld op € 1.579,-- (ƒ 3.480,--) netto per maand, te vermeerderen met de indexering ex artikel 1:402a BW. Daartegen is door de man geen grief aangevoerd. 4.6. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat ook indien gedurende de periode van 12 juli 2004 tot en met 31 maart 2006 rekening wordt gehouden met het inkomen van de vrouw uit arbeid van gemiddeld € 696,-- netto per maand, welk bedrag, zoals de man terecht stelt, nog vermeerderd dient te worden met vakantietoeslag, de vrouw behoefte heeft aan de door de man ingevolge de echtscheidingsbeschikking van 20 december 1999 vastgestelde bijdrage van thans € 838,73 per maand. Dit geldt temeer nu de vrouw inmiddels werkloos is geworden en een werkloosheidsuitkering ontvangt. 4.7. Ook indien de vrouw erin zou slagen een andere werkkring te vinden, is het, gelet op haar leeftijd, beperkte vooropleiding en werkervaring en gelet op haar fysieke beperkingen, zoals die door de vrouw zijn gesteld en door de man onvoldoende weersproken, niet aannemelijk dat zij een hoger inkomen zal kunnen verwerven dan het salaris dat zij als voormeld in dienst van de Stichting Groenhuysen genoot. 4.8. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat de vrouw in de jaren 2002 en 2003 mogelijkerwijs de beschikking heeft gehad over een inkomen boven het door de rechtbank becijferde bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte, nu thans ter beoordeling voorligt de vraag of en zo ja in welke mate de vrouw thans zelf in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en gesteld noch gebleken is dat de vrouw er een verwijt van kan worden gemaakt dat haar verdiencapaciteit is afgenomen. Grief IV van de man faalt dus. De draagkracht 4.9. De man heeft aan zijn verzoek tot vaststelling op nihil van de partneralimentatie ten grondslag gelegd dat hij als directeur/enig aandeelhouder van AMAC BV vanwege het uitblijven van opdrachten al sinds juli 2004 geen salaris meer ontvangt, alsmede dat ook zijn pogingen om elders in loondienst te komen zonder resultaat zijn gebleven en dat hij als gevolg van een en ander niet langer in staat is om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. 4.10. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat de door de man ter staving van zijn stelling dat hij niet langer in staat is bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw overgelegde bescheiden onvoldoende zijn om een gebrek aan draagkracht tot betaling van de geldende onderhoudsbijdrage aan te nemen. 4.11. In hoger beroep heeft de man ter onderbouwing van zijn voormelde stelling in hoger beroep alsnog een groot aantal financiële en andere bescheiden in het geding gebracht. 4.12. Als reactie daarop heeft de vrouw aangevoerd dat de man nog steeds niet in voldoende mate aan zijn stelplicht heeft voldaan. In dat verband heeft de vrouw erop gewezen dat de complete jaarrekeningen 2002, 2003, 2004 en 2005 met toelichting ontbreken en dat zonder de complete balansen en de winst- en verliesrekeningen niet kan worden gecontroleerd of de toelichting bij de jaarrekeningen over die jaren aansluit op de hiervoor bedoelde balansen en winst- en verlies- rekeningen en of de door de man verstrekte informatie juist is, hetgeen temeer klemt nu de jaarstukken kennelijk door de man zelf zijn opgesteld en een goedkeurende accountantsverklaring ontbreekt. De vrouw is dan ook van mening dat de door de man in hoger beroep overgelegde informatie te summier is voor een waarheidsgetrouw beeld van de onderneming van de man. Vanwege de voortdurende twijfel bij de vrouw omtrent de juistheid van de overgelegde bescheiden heeft de vrouw ter zitting van het hof aangedrongen op een onderzoek door een deskundige naar de juistheid en betrouwbaarheid van de door de man in het geding gebrachte bescheiden. 4.13. Het hof overweegt als volgt. Hoewel aan de vrouw kan worden toegegeven dat de door de man overgelegde en door hem zelf opgestelde jaarstukken 2002 tot en met 2005 en 1 januari 2006 tot en met 31 mei 2006 van AMAC BV tamelijk summier zijn en dat een goedkeurende accountantsverklaring ontbreekt, acht het hof de hiervoor bedoelde jaarstukken en de overige in het geding gebrachte bescheiden, mede gelet op de door de man ter zitting van het hof op die stukken gegeven toelichting, voldoende compleet, betrouwbaar en informatief om zich op basis van die stukken een oordeel te vormen met betrekking tot de financiële draagkracht van de man tot betaling van partneralimentatie. De jaarcijfers, toelichtingen en aangiften sluiten op elkaar aan. Gelet op de omvang van de door de man geëxploiteerde onderneming, kan in redelijkheid van de man niet gevergd worden dat hij de jaarrekeningen laat voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, nu aan het verstrekken van een dergelijke verklaring aanzienlijke kosten verbonden zijn. 4.14. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat de advocaat van de vrouw slechts in algemene bewoordingen bezwaren heeft geuit tegen de door de man in het geding gebrachte bescheiden en desgevraagd ter zitting heeft toegegeven niet te kunnen aangeven op welke concrete onderdelen de vrouw bezwaar heeft tegen de door de man in het geding gebrachte financiële bescheiden, acht het hof voor een onderzoek door een deskundige, zoals door de vrouw verzocht, geen termen aanwezig. Dit geldt temeer nu de vrouw ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij de aan een dergelijk onderzoek verbonden kosten niet of niet volledig voor haar rekening kan nemen. 4.15. Om de twijfel bij de vrouw met betrekking tot de betrouwbaarheid en juistheid van de door de man in het geding gebrachte bescheiden weg te nemen, heeft de man ter zitting van het hof de bereidheid uitgesproken om de aan de jaarrekenin-gen ten grondslag liggende bescheiden aan de vrouw en/of een door haar aan te zoeken accountant ter inzage te verstrekken. Ook van dit aanbod heeft de vrouw na overleg met haar advocaat, vanwege de mogelijk aan die inzage verbonden kosten, geen gebruik willen maken. Onder alle hiervoor geschetste omstandigheden is het hof van oordeel dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij de kosten van een deskundi-genonderzoek of de eventueel aan de inzage door de vrouw en/of een derde van de boekhouding van het bedrijf van de man verbonden kosten voor zijn rekening neemt. 4.16. Op grond van de door de man in hoger beroep in het geding gebrachte bescheiden en de daarop door hem ter zitting van het hof gegeven toelichting is het hof van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond en aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de door hem geëxploiteerde onderneming van dien aard zijn dat hij uit dat bedrijf al geruime tijd geen inkomen meer kan genereren. 4.17. Aan het vorenstaande kan niet afdoen dat de man ondanks het ontbreken van inkomen uit zijn onderneming nog enige tijd is doorgegaan met het betalen van partner- en kinderalimentatie, nu vaststaat dat die betaling mede heeft plaatsge- vonden door tussenkomst van de deurwaarder en bovendien de man ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij de betaling van alimentatie niet onmiddellijk heeft gestaakt omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat het uitblijven van interim- managementopdrachten slechts van tijdelijke aard zou zijn en dat de markt weer zou aantrekken, waarna hij weer inkomen uit de BV. zou kunnen genereren. 4.18. De enkele omstandigheid dat de man aanvankelijk in eerste aanleg, zoals ook door hem toegegeven ter zitting in hoger beroep, onvoldoende inzicht heeft gegeven in het verloop van zijn overige financiën gedurende het thans relevante tijdvak is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. 4.19. Het hof is tevens van oordeel dat de man door de overlegging van een groot aantal producties, waaronder sollicitatiebrieven, eveneens voldoende heeft aangetoond en aannemelijk gemaakt dat hij zich de nodige moeite heeft getroost om ten behoeve van zijn onderneming interim-managementopdrachten te verkrijgen dan wel elders een betrekking in loondienst te aanvaarden en dat hem er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij daar niet in is geslaagd. 4.20. De vrouw heeft er verder nog op gewezen dat de man in zijn bedrijf een riante pensioenvoorziening heeft opgebouwd en dat ook het vermogen van de man is toegenomen, alsmede dat de man over het verloop van dat vermogen geen, althans onvoldoende informatie heeft verschaft, waaruit de vrouw het vermoeden put dat de man over inkomen beschikt dat hij verzwijgt. 4.21. Uit de door de man in het geding gebrachte bescheiden kan worden afgeleid dat de waarde van het door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen per 31 mei 2006 neerkwam op € 29.452,--, zodat van een riante pensioen-voorziening geen sprake is. Als door de man gesteld en door de vrouw niet weersproken staat vast dat beide partijen bij de scheiding in 2000 ieder een bedrag van bijna € 158.000,-- hebben ontvangen. Nu beide partijen een gelijk bedrag hebben ontvangen acht het hof het redelijk dit bedrag zowel bij de beoordeling van de behoefte als bij de vaststelling van de draagkracht buiten beschouwing te laten. De vrouw heeft op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt dat het als voormeld aan de man uitgekeerde vermogen is toegenomen en dat die eventuele toename een gevolg is van verzwegen inkomen. 4.22. Op grond van al het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet langer in staat is om met enig bedrag bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden vernietigd en dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud alsnog dient te worden vastgesteld op nihil. Nu als gevolg van de handelwijze van de man eerst in hoger beroep duidelijkheid is ontstaan met betrekking tot de inkomens- en vermogenspositie van de man en ter zitting is gebleken dat de man de door hem voor de vrouw verschuldigde alimentatie tot en met de maand mei 2006 heeft voldaan, zal het hof de partneralimentatie eerst met ingang van 1 juni 2006 vaststellen op nihil. Proceskosten. 4.23. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. 5. De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank Breda van 18 januari 2006 behoudens voorzover daarbij is bepaald dat iedere partij de eigen kosten draagt en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijzigt de beschikking van voormelde rechtbank van 20 december 1999 aldus, dat de daarin vastgestelde door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juni 2006 nader wordt vastgesteld op nihil; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte; compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 augustus 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.