Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ1004

Datum uitspraak2006-09-01
Datum gepubliceerd2006-10-26
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers06-871
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat het enkele feit dat de werknemer in een geval van een, al dan niet geregelde, ontbinding de kantonrechter niet vraagt om bij de datum van de ontbinding dan wel bij het toekennen van een vergoeding met de voor hem geldende fictieve opzegtermijn rekening te houden geen benadelingshandeling oplevert. Door zich alleen te baseren op het feit dat eiseres geen schadevergoeding heeft gevraagd bij de kantonrechter, te stellen dat uitzonderingen niet aan de orde zijn en verder geen argumenten te noemen waarom in dit geval wel een benadelingshandeling kon worden aangenomen, heeft verweerder in strijd met artikel 24 WW gehandeld. De door verweerder naar voren gebrachte stelling dat eiseres niet het onderste uit de kan heeft gehaald, is onvoldoende.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 06 - 871 WW uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2006 in de zaak van: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres. gemachtigde: mr. E. Hoekstra, werkzaam bij ABVAKABO te Amsterdam, tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 1 augustus 2005 aan eiseres toegekend en beslist dat de uitbetaling van de uitkering met ingang van 1 september 2005 plaatsvindt. Voorts heeft verweerder aan eiseres een maatregel opgelegd als gevolg waarvan de uitkering met ingang van 1 augustus 2005 is verlaagd met 20% gedurende 16 weken. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 september 2005, aangevuld bij brieven van 22 september 2005 en 25 oktober 2005, bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 november 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 januari 2006, aangevuld bij brief van 24 januari 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 4 augustus 2006, alwaar eiseres niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Metman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Amsterdam. 2. Overwegingen 2.1 Uit het dossier komt het volgende naar voren. Eiseres is van 15 september 2000 tot en met 1 augustus 2005 werkzaam geweest bij de Stichting westelijke tuinsteden (hierna: werkgever). De werkgever heeft wegens een reorganisatie een ontslagvergunning voor eiseres aangevraagd bij het Centrum voor werk en inkomen (hierna: CWI). Op 23 februari 2005 is aan de werkgever een ontslagvergunning verleend. Eiseres was op dat moment wegens ziekte niet aan het werk. Vervolgens heeft de werkgever een ontbindingsprocedure gestart bij de kantonrechter. Bij beschikking van 18 juli 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2005 ontbonden. Eiseres heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft verweerder aan eiseres een WW-uitkering toegekend met ingang van 1 augustus 2005. Verweerder betaalt de WW-uitkering pas met ingang van 1 september 2005 uit, omdat eiseres volgens verweerder een benadelingshandeling heeft gepleegd door de kantonrechter niet te verzoeken een vergoeding aan de werkgever op te leggen dan wel de kantonrechter heeft verzocht rekening te houden met de fictieve opzegtermijn. Voorts heeft verweerder aan eiseres een maatregel opgelegd die inhoudt dat haar WW-uitkering met ingang van 1 augustus 2005 wordt verlaagd met 20% gedurende 16 weken wegens het verrichten van onvoldoende sollicitatie-activiteiten voorafgaand aan haar eerste werkloosheidsdag. In de bezwaarfase heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd. 2.2 Eiseres betoogt dat zij geen benadelingshandeling heeft gepleegd nu het verzoeken van een schadevergoeding bij de kantonrechter geen kans van slagen zou hebben. Eiseres meent dat uit jurisprudentie blijkt dat de kantonrechter nagenoeg altijd het Sociaal Plan volgt, in dit geval was daarin geen bepaling opgenomen tot vergoeding bij ontslag. Voorts betoogt eiseres dat uit jurisprudentie blijkt dat het niet verzoeken van een schadevergoeding geen benadelingshandeling oplevert. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 15 december 2004, 03/11 WW(RSV 2005/93). 2.3 Verweerder heeft aangevoerd dat gelet op het "Besluit Wet flexibiliteit en zekerheid en recht op WW" van een werknemer mag worden verlangd dat hij in het kader van de WW bij de kantonrechter verzoekt om rekening te houden met de voor de werkgever geldende opzegtermijn en hem een schadevergoeding toe te kennen die minimaal gelijk is aan het loon over de voor de werkgever geldende opzegtermijn. Nu eiseres dit heeft nagelaten, heeft eiseres volgens verweerder een benadelingshandeling gepleegd. In het bestreden besluit noemt verweerder drie situaties die daarop een uitzondering vormen, maar waarvan volgens verweerder in het geval van eiseres geen sprake is. Uit het door eiseres bij de kantonrechter gevoerde verweer - zij heeft verzocht om een ontslagbescherming, omdat zij ziek is - stelt verweerder niet te kunnen afleiden dat eiseres heeft getracht haar aanspraken in het kader van de WW zoveel mogelijk te beperken. Volgens verweerder dient het feit dat op grond van het Sociaal Plan geen recht bestond op een schadevergoeding, los te worden gezien van het feit dat eiseres bij de kantonrechter een verzoek tot schadevergoeding in verband met de opzegtermijn had moeten indienen. 2.4 De rechtbank stelt vast dat alleen in geschil is of verweerder op goede gronden de WW-uitkering van eiseres eerst per 1 september 2005 tot uitbetaling heeft laten komen. 2.5 Uit de in artikel 24, zesde lid WW neergelegde verplichting van de werknemer om zich zodanig te gedragen dat hij de daarin genoemde fondsen niet benadeelt of zou kunnen benadelen, volgt dat van een werknemer die in een situatie verkeert waarin hij beslissingen moet nemen in verband met het beëindigen van de dienstbetrekking, mag worden verwacht dat hij daarbij rekening houdt met de consequenties die zijn opstelling heeft voor zijn aanspraken in het kader van de WW en dat hij ernaar streeft om die aanspraken zoveel als mogelijk is te beperken. Uit artikel 7, eerste lid, onder c van het Maatregelenbesluit Uwv volgt dat verweerder de uitkering tijdelijk geheel dient te weigeren voor de duur dat aanspraak op loon zou zijn geweest. 2.6 Uit vaste jurisprudentie van de CRvB volgt dat het enkele feit dat de werknemer in een geval van een, al dan niet geregelde, ontbinding de kantonrechter niet vraagt om bij de datum van de ontbinding dan wel bij het toekennen van een vergoeding met de voor hem geldende fictieve opzegtermijn rekening te houden geen benadelingshandeling oplevert. Dit betekent volgens de CRvB dat het beleid van verweerder neergelegd in het "Besluit wet Flexibiliteit en zekerheid en recht op WW" , dat ervan uitgaat dat bij het nalaten van zodanige verzoeken zonder meer sprake is van een benadelingshandeling, als (veel) te ongenuanceerd moet worden beschouwd en op zichzelf geen toereikende basis is om tot het bestaan van een benadelingshandeling te concluderen. 2.7 Voorts overweegt de rechtbank dat in de jurisprudentie van de CRvB of anderszins geen aanknopingspunten zijn te vinden voor het in het bestreden besluit opgenomen uitgangspunt dat de daar genoemde uitzonderingen limitatief zijn. Door zich alleen te baseren op het feit dat eiseres geen schadevergoeding heeft gevraagd bij de kantonrechter, te stellen dat de genoemde uitzonderingen niet aan de orde zijn en verder geen argumenten te noemen waarom in dit geval wel een benadelingshandeling kon worden aangenomen, heeft verweerder in strijd met artikel 24 WW gehandeld. De door verweerder naar voren gebrachte stelling dat eiseres niet het onderste uit de kan heeft gehaald, is onvoldoende. Weliswaar heeft eiseres niet verzocht om een schadevergoeding bij de kantonrechter, maar eiseres heeft zich wel verweerd en gezegd dat zij ziek was. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiseres in ieder geval geen afstand heeft gedaan van haar mogelijkheid om een schadevergoeding te ontvangen. 2.8 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder ten bedrage van € 322,= voor het indienen van een beroepschrift. 3. Beslissing De rechtbank: 3.1 verklaart het beroep gegrond; 3.2 vernietigt het bestreden besluit van 30 november 2005; 3.3 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 322,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres; 3.4 gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 37,= aan haar vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, en op 1 september 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Weltevreede, griffier. afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.